<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:50:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7959</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01991/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7959" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7959</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=287&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 287</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 541</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 238 met annotatie van T.M.C.J. Schalken</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7959">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7959 Hoge Raad , 31-10-2000 / 01991/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7959:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7959:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>31 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01991/99</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage</para>
      <para>van 2 september 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven</para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedatum] 1962, ten </para>
      <para>tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te ‘s-</para>
      <para>Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de </para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 26 januari 1999 - de verdachte </para>
      <para>ter zake van “doodslag” veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf. Voorts heeft </para>
      <para>het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen in voege </para>
      <para>als in het arrest vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede </para>
      <para>lid Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de vrijspraak van het primair </para>
      <para>tenlastegelegde, toegespitst op art. 289 Sr, is ingesteld door de verdachte. </para>
      <para>Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, een middel van </para>
      <para>cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan </para>
      <para>deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het </para>
      <para>bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ter </para>
      <para>berechting en verdere afdoening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring onvoldoende met </para>
      <para>redenen is omkleed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. De bewezenverklaring houdt, samengevat, in dat de verdachte opzettelijk zijn </para>
      <para>vrouw van het leven heeft beroofd door haar meermalen met een mes te steken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Anders dan het middel blijkens de toelichting stelt, heeft het Hof op zichzelf </para>
      <para>het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen zoals opgenomen in de </para>
      <para>aanvulling op het verkorte arrest, kunnen afleiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Voorzover het middel er nog over bedoelt te klagen dat het in het middel </para>
      <para>bedoelde bewijsverweer op ontoereikende gronden is verworpen en dat de </para>
      <para>bewezenverklaring in het licht daarvan onvoldoende met redenen is omkleed, </para>
      <para>verdient het volgende opmerking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Het verweer houdt blijkens hetgeen door en namens de verdachte ter </para>
      <para>terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd in, dat de verdachte in de nacht van </para>
      <para>12 op 13 juli 1998 de echtelijke woning waar zijn vrouw aanwezig was, heeft </para>
      <para>verlaten om een frisse neus te halen, dat hij na enige tijd daar is teruggekeerd, dat </para>
      <para>hij toen zijn vrouw aantrof bebloed en met een mes in de borst en dat hij heeft </para>
      <para>geprobeerd het mes uit de borst van zijn vrouw te trekken.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. Het Hof heeft omtrent dat verweer overwogen en beslist hetgeen in het </para>
      <para>bestreden arrest is weergegeven onder het hoofd: “Toelichting bij de </para>
      <para>bewezenverklaring en de bewijsmiddelen”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7. In het licht van de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen en in aanmerking </para>
      <para>genomen de inhoud van dat verweer heeft het Hof dat verweer op toereikende </para>
      <para>gronden verworpen. ’s Hofs feitelijke oordeel dat de voorstelling van zaken van de </para>
      <para>verdachte niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie </para>
      <para>niet verder worden getoetst. Tot een nadere motivering van de bewezenverklaring </para>
      <para>was het Hof niet gehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.8. Het middel faalt derhalve.</para>
    <para />
    <para>4. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond </para>
      <para>aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel </para>
      <para>onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep </para>
      <para>worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de </para>
      <para>raadsheren G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem Spapens en</para>
      <para>A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31</para>
      <para>oktober 2000.</para>
      <para>Mr. H.A.M. Aaftink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>