<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:30:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7957</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01916/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7957" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7957</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 543</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 239 met annotatie van A.C. 't Hart</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7957">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7957</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7957 Hoge Raad , 31-10-2000 / 01916/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7957:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7957:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>31 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01916/00</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het</para>
      <para>Gerechtshof te Amsterdam van 8 februari 2000, parketnummer(s) 23/001417-99,</para>
      <para>in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te</para>
      <para>[woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de </para>
      <para>Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 maart 1999 </para>
      <para>- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij </para>
      <para>schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest </para>
      <para>gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de verdachte, mr. M. </para>
      <para>Veldman, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat</para>
      <para>de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen </para>
      <para>naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw </para>
      <para>wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De procesgang</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of een in de praktijk </para>
      <para>toegepaste en als “supersnelrecht” aangeduide procedure verenigbaar is met het </para>
      <para>systeem van de wet. Het gaat hier om de situatie waarin de officier van justitie een </para>
      <para>verdachte die in verzekering is gesteld, dagvaardt om te verschijnen ter </para>
      <para>terechtzitting van de politierechter binnen een termijn van drie dagen en vijftien </para>
      <para>uren, derhalve vóór het tijdstip waarop de verdachte op grond van art. 59a Sv voor </para>
      <para>de rechter-commissaris moet worden geleid en waarbij vervolgens op die </para>
      <para>terechtzitting op de vordering van de officier van justitie door de politierechter de </para>
      <para>voorlopige hechtenis van de verdachte wordt bevolen. </para>
      <para>Het gaat hier derhalve niet om de snelrechtprocedure van art. 375 Sv noch om de </para>
      <para>procedure waarbij tijdens de bewaring van de verdachte ter terechtzitting de </para>
      <para>(voortzetting van de) voorlopige hechtenis wordt gelast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:</para>
      <para>(i) Op 9 maart 1999 om 12.28 uur is de verdachte op heterdaad aangehouden </para>
      <para>wegens winkeldiefstal, waarna hij om 13.24 uur is voorgeleid aan de Hulpofficier </para>
      <para>van Justitie en vervolgens inverzekering is gesteld.</para>
      <para>(ii) De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de </para>
      <para>Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 12 maart 1999; de verdachte heeft </para>
      <para>afstand gedaan van de dagvaardingstermijn van art. 370 Sv.</para>
      <para>(iii) Bij vonnis van 12 maart 1999 heeft de Politierechter de verdachte ter zake van </para>
      <para>diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De </para>
      <para>Politierechter heeft voorts de vordering van de Officier van Justitie tot </para>
      <para>gevangenneming van de verdachte afgewezen en de - subsidiair gevorderde - </para>
      <para>gevangenhouding bevolen.</para>
      <para>(iv) Het Hof heeft bij de bestreden uitspraak van 8 februari 2000 dit vonnis van de </para>
      <para>Politierechter vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in </para>
      <para>de vervolging. Het Hof overwoog daartoe zoals is weergegeven op blz. 2 tot en met </para>
      <para>5 van de bestreden uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. De eerste klacht van het middel houdt in dat het Hof aan het begrip “belang </para>
      <para>van het onderzoek” als bedoeld in art. 57 Sv alsmede aan de art. 60 en 61 Sv een </para>
      <para>onjuiste betekenis heeft toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Voor de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijke kader van </para>
      <para>belang:</para>
      <para>- Ingevolge art. 57, eerste lid, Sv kan de verdachte door de officier van justitie of </para>
      <para>door de hulpofficier van justitie in het belang van het onderzoek in verzekering </para>
      <para>worden gesteld. Art. 57, vijfde lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie de </para>
      <para>invrijheidstelling van de verdachte gelast zodra het belang van het onderzoek dit </para>
      <para>toelaat.</para>
      <para>- Art. 58, tweede lid, Sv houdt in dat het bevel tot inverzekeringstelling slechts </para>
      <para>gedurende drie dagen van kracht is, met een eventuele eenmalige verlenging voor </para>
      <para>ten hoogste drie dagen. </para>
      <para>- Indien de officier van justitie een langere vrijheidsbeneming van de verdachte </para>
      <para>noodzakelijk acht, dient hij van de rechter te vorderen dat deze een bevel tot </para>
      <para>voorlopige hechtenis geeft. Volgens art. 133 Sv wordt onder voorlopige hechtenis </para>
      <para>verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming </para>
      <para>of gevangenhouding. Voor deze drie vormen van voorlopige hechtenis geldt </para>
      <para>gelijkelijk dat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de art. 67 en 67a Sv. </para>
      <para>- De bevoegdheid om de bewaring te bevelen is toegekend aan de rechter-</para>
      <para>commissaris (art. 63 Sv), terwijl de officier van justitie zich voor een bevel tot </para>
      <para>gevangenhouding of gevangenneming tot de rechtbank moet wenden. Art. 65, </para>
      <para>eerste lid, Sv houdt in dat de gevangenhouding slechts kan worden bevolen </para>
      <para>wanneer de verdachte zich in bewaring bevindt. Voor de gevangenneming (die ook </para>
      <para>ambtshalve kan worden bevolen) bepaalt art. 65, tweede lid, Sv dat deze kan </para>
      <para>worden gelast “na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting”. </para>
      <para>- Art. 60 Sv bepaalt dat de officier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of</para>
      <para>die zelf de verdachte heeft aangehouden, hem, ingeval hij diens bewaring nodig </para>
      <para>oordeelt, onverwijld voor de rechter-commissaris doet geleiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Zoals hiervoor is overwogen dient voor een voortzetting van de </para>
      <para>vrijheidsbeneming van een inverzekeringgestelde verdachte een beslissing van de </para>
      <para>rechter te worden uitgelokt.</para>
      <para>De inverzekeringstelling kan in het belang van het onderzoek worden bevolen. </para>
      <para>Redelijke wetstoepassing brengt mee dat onder dat onderzoeksbelang niet alleen </para>
      <para>moet worden begrepen het onderzoek naar het mogelijk gepleegde strafbare feit, </para>
      <para>maar ook het onderzoek, zowel door de officier van justitie als door de rechter die </para>
      <para>over een door de officier van justitie ingediende vordering tot voorlopige hechtenis </para>
      <para>heeft te oordelen, naar de mogelijkheid en wenselijkheid een bevel tot voorlopige </para>
      <para>hechtenis te vorderen dan wel te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Het Hof is kennelijk ook van het voorgaande uitgegaan, maar heeft geoordeeld </para>
      <para>dat genoemd belang in elk geval na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting </para>
      <para>niet meer aanwezig kan worden geacht en dat de inverzekeringstelling vanaf dat </para>
      <para>moment een wettelijke grondslag ontbeerde. Tot dat oordeel, waarin besloten ligt </para>
      <para>dat uitsluitend de rechter-commissaris kan oordelen over het eerste bevel tot </para>
      <para>voorlopige hechtenis in aansluiting op een toegepaste inverzekeringstelling, is het </para>
      <para>Hof gekomen met een beroep op de art. 60 en 61, eerste lid, Sv. Dat oordeel is </para>
      <para>echter onjuist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Anders dan in art. 61, eerste lid, Sv is voorzien, is de verdachte in deze zaak </para>
      <para>wel in verzekering gesteld. Art. 60 Sv, waarbij de wetgever kennelijk voor ogen </para>
      <para>heeft gestaan de - thans in de praktijk niet of nauwelijks voorkomende - gevallen </para>
      <para>dat de officier van justitie de verdachte zelf heeft aangehouden of dat de verdachte </para>
      <para>na diens aanhouding ingevolge art. 53, derde lid, of art. 54, derde lid, Sv aan hem </para>
      <para>is voorgeleid, schrijft slechts voor dat de officier van justitie, indien hij de bewaring </para>
      <para>van de verdachte nodig oordeelt, deze onverwijld doet geleiden voor de rechter-</para>
      <para>commissaris. Die bepaling sluit op zichzelf niet uit dat, indien het onderzoek ter </para>
      <para>terechtzitting - met inachtneming van de rechten en belangen van de verdediging- </para>
      <para>binnen de termijn van de inverzekeringstelling kan worden aangevangen, aldaar de </para>
      <para>gevangenneming van de verdachte wordt gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Ook art. 65 Sv verzet zich daartegen niet. Vooropgesteld dient te worden dat </para>
      <para>in een geval als het onderhavige het bevel tot gevangenhouding van de verdachte </para>
      <para>niet mogelijk is, omdat daarvoor ingevolge art. 65, eerste lid, Sv is vereist dat de </para>
      <para>verdachte zich in bewaring bevindt. Het gaat derhalve om de vraag of ter </para>
      <para>terechtzitting de gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte kan </para>
      <para>worden bevolen. Art. 65, tweede lid, Sv houdt in dat de rechtbank na de aanvang </para>
      <para>van het onderzoek ter terechtzitting de gevangenneming van de verdachte kan </para>
      <para>bevelen. De tekst van de wet houdt niets in waaruit kan volgen dat daarbij van </para>
      <para>belang is of de verdachte zich al dan niet in vrijheid bevindt. Uit de </para>
      <para>wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 65 Sv valt op te maken dat de wetgever </para>
      <para>ervan is uitgegaan dat wanneer vóór de terechtzitting voorlopige hechtenis </para>
      <para>noodzakelijk is, de mogelijkheden van bewaring en gevangenhouding benut</para>
      <para> moeten worden, terwijl na de aanvang van de terechtzitting de mogelijkheid van </para>
      <para>gevangenneming bestaat (vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, blz. 61 en </para>
      <para>Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering, der Koningin </para>
      <para>aangeboden door de Staatscommissie voor de herziening van het Wetboek van </para>
      <para>Strafvordering, ingesteld bij KB van 8 april 1910, no. 17, deel II, Toelichting, blz. </para>
      <para>102). In de systematiek van de wet is gevangenneming derhalve mogelijk van de </para>
      <para>verdachte die zich niet reeds in voorlopige hechtenis bevindt. Noch de tekst of het </para>
      <para>systeem van de wet noch de wetsgeschiedenis verzet zich derhalve tegen de </para>
      <para>gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte. De zittingsrechter heeft </para>
      <para>dan te onderzoeken of toepassing van de voorlopige hechtenis rechtens mogelijk </para>
      <para>en in het gegeven geval aangewezen is. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan </para>
      <para>dus niet worden gezegd dat in een geval als het onderhavige na de aanvang van </para>
      <para>het onderzoek ter terechtzitting geen sprake meer kan zijn van het belang van het </para>
      <para>onderzoek in de zin van art. 57, eerste lid, Sv. De eerste klacht van het middel is </para>
      <para>dus gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7. Het voorgaande brengt mee dat tevens onjuist is het oordeel van het Hof dat </para>
      <para>de Officier van Justitie door de gevangenneming te vorderen inbreuk heeft gemaakt </para>
      <para>op het beginsel “nemo debet bis vexari”, nu het immers bij die vordering tot </para>
      <para>gevangenneming ging om de eerste vordering strekkende tot het toepassen van </para>
      <para>voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt voor ’s Hofs oordelen dat de Officier van </para>
      <para>Justitie haar bevoegdheid heeft gehanteerd voor een ander doel dan waarvoor die </para>
      <para>bevoegdheid is gegeven en dat inbreuk is gemaakt op beginselen van een </para>
      <para>behoorlijk procesrecht welke tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar </para>
      <para>Ministerie in zijn strafvervolging dient te leiden. Voorzover het middel daarover </para>
      <para>klaagt is het dus ook terecht voorgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan </para>
      <para>blijven en als volgt moet worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>Vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te</para>
      <para>Amsterdam opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld</para>
      <para>en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de </para>
      <para>raadsheren A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de</para>
      <para>Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 </para>
      <para>oktober 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>