<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7956</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00342/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7956" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7956</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 544</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7956">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7956 Hoge Raad , 31-10-2000 / 00342/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7956:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7956:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>31 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 00342/00</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage</para>
      <para>van 25 januari 2000 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven</para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, ten tijde van de</para>
      <para>bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De IJssel” te</para>
      <para>Krimpen aan den IJssel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden einduitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondisse-</para>
      <para>-mentsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 8 april 1999 - de verdachte vrijgesproken</para>
      <para>van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem</para>
      <para>voorts ter zake van 1. “poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd</para>
      <para>met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod”, 2.</para>
      <para>subsidiair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3,</para>
      <para>eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “het deelnemen aan</para>
      <para>een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot </para>
      <para>zes jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld</para>
      <para>door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat </para>
      <para>te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is </para>
      <para>aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het </para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het middel keert zich tegen een door het Hof ter terechtzitting in hoger </para>
      <para>beroep van 21 september 1999 gegeven tussenbeslissing op een namens de </para>
      <para>verdachte gevoerd verweer, dat strekte tot vernietiging van het vonnis van de </para>
      <para>Rechtbank te ’s-Gravenhage en verwijzing van de zaak naar die Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang:</para>
      <para>(i) Ter terechtzitting van de Rechtbank van 25 maart 1999 is aldaar door de </para>
      <para>raadsman een verzoek tot wraking gedaan van de rechters Poustochkine en </para>
      <para>Brunner op de grond dat zij vonnis hebben gewezen in de zaak van de </para>
      <para>medeverdachte [medeverdachte E] in welk vonnis de verdachte in de weerlegging </para>
      <para>van een bewijsverweer met naam en toenaam zou zijn genoemd.</para>
      <para>(ii) Bij beslissing van diezelfde datum is dat verzoek door een meervoudige kamer </para>
      <para>van de Rechtbank, als bedoeld in art. 515, eerste lid, Sv, afgewezen, waarna het </para>
      <para>onderzoek in de hoofdzaak is hervat. </para>
      <para>(iii) Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september 1999 heeft de raadsman </para>
      <para>aangevoerd dat “het wrakingsverzoek ten onrechte niet is gehonoreerd” en heeft hij  </para>
      <para>- onder herhaling van de aan dat wrakingsverzoek ten grondslag gelegde</para>
      <para>argumenten - betoogd dat het vonnis van de Rechtbank diende te worden </para>
      <para>vernietigd met verwijzing van de zaak naar de Rechtbank op de grond dat in eerste </para>
      <para>aanleg geen sprake is geweest van een onpartijdige behandeling.</para>
      <para>(iv) Het Hof heeft dat verweer  bij tussenbeslissing van 21 september 1999 als </para>
      <para>volgt verworpen:</para>
      <para>“De verdediging heeft op 25 maart 1999 wraking van twee leden van de</para>
      <para>meervoudige strafkamer van de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft be-</para>
      <para>handeld verzocht. Het Wetboek van Strafvordering geeft voorschriften over de </para>
      <para>behandeling van een dergelijk verzoek. Overeenkomstig die voorschriften heeft een </para>
      <para>wrakingskamer van genoemde rechtbank op 25 maart 1999 bij afzonderlijke</para>
      <para>beslissing het verzoek gemotiveerd afgewezen. Krachtens het bepaalde </para>
      <para>in artikel 515, lid 5, van het Wetboek van Strafvordering staat tegen deze</para>
      <para>beslissing geen rechtsmiddel open. De beoordeling van de onpartijdigheid van </para>
      <para>rechters die in eerste aanleg vonnis hebben gewezen is ten gevolge van de </para>
      <para>bijzondere wrakingsprocedure aan het oordeel van de rechter in hoger beroep </para>
      <para>onttrokken. Het hof acht zich derhalve niet bevoegd een oordeel uit te spreken </para>
      <para>over de genomen beslissing in het wrakingsincident.</para>
      <para>Het preliminaire verweer strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan het</para>
      <para>beroep en terugverwijzing naar meergenoemde rechtbank wordt derhalve verwor-</para>
      <para>pen.</para>
      <para>Ten overvloede voegt het hof daar nog aan toe dat in hoger beroep een geheel</para>
      <para>nieuwe en onpartijdige behandeling plaatsvindt”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Het oordeel van het Hof dat het niet bevoegd is in de beoordeling te treden </para>
      <para>van de in eerste aanleg gegeven beslissing op het wrakingsverzoek, omdat tegen </para>
      <para>die beslissing geen rechtsmiddel heeft opengestaan, is juist. </para>
      <para>Onjuist is evenwel het oordeel van het Hof dat de beoordeling van de </para>
      <para>onpartijdigheid van de rechters die in eerste aanleg vonnis hebben gewezen ten </para>
      <para>gevolge van de bijzondere wrakingsprocedure aan het oordeel van de rechter in </para>
      <para>hoger beroep is onttrokken. In deze zaak is in eerste aanleg een door de </para>
      <para>verdediging gedaan wrakingsverzoek  afgewezen. Deze omstandigheid staat er </para>
      <para>niet aan in de weg dat de onpartijdigheid van de rechter die in eerste aanleg </para>
      <para>vonnis heeft gewezen, in hoger beroep ten toets kan komen in het verband van </para>
      <para>een door of namens de verdachte in hoger beroep gedaan beroep op schending in </para>
      <para>eerste aanleg van het, in art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid IVBPR aan </para>
      <para>de verdachte gegarandeerde, recht op behandeling van zijn zaak door een </para>
      <para>onpartijdige rechter.    </para>
      <para>Hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september </para>
      <para>1999 is aangevoerd, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als mede </para>
      <para>daartoe strekkende dat het vonnis in eerste aanleg wegens schending van </para>
      <para>eerdergenoemde verdragsbepalingen diende te worden vernietigd. </para>
      <para>Het middel klaagt dus terecht over het oordeel van het Hof dat het zich niet </para>
      <para>bevoegd heeft geacht dat verweer inhoudelijk te beoordelen. Dat behoeft evenwel </para>
      <para>niet tot cassatie te leiden omdat het verweer op de hierna uiteen te zetten</para>
      <para>gronden dient te worden verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Het vonnis in eerste aanleg houdt in dat het mede is gewezen door de mrs. </para>
      <para>Poustochkine en Brunner. Tot de stukken van het geding behoort het - </para>
      <para>onmiskenbaar in het verweer bedoelde - door de Griffier van de </para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage gewaarmerkte  verkorte vonnis van  </para>
      <para>28 januari 1998, waarbij de verdachte [medeverdachte E] is veroordeeld ter zake </para>
      <para>van onder meer het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in </para>
      <para>art. 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Dat vonnis houdt in </para>
      <para>dat het mede is gewezen door voornoemde rechters.</para>
      <para>Dat vonnis houdt onder het hoofd “bewijsverweer” in een aantal op de zaak </para>
      <para>[medeverdachte E] betrekking hebbende overwegingen omtrent een tweetal </para>
      <para>bijeenkomsten of ontmoetingen in een wegrestaurant waarbij, naar de Rechtbank </para>
      <para>heeft vastgesteld, behalve [medeverdachte E] ook medeverdachten aanwezig </para>
      <para>waren, zonder dat de Rechtbank daarbij de verdachte in deze zaak noemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de </para>
      <para>rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient </para>
      <para>voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden </para>
      <para>vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die </para>
      <para>een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens de verdachte een </para>
      <para>vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande </para>
      <para>bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 3.6. De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte is behandeld door </para>
      <para>een kamer van de Rechtbank waarin een tweetal leden zitting had die voordien de </para>
      <para>zaak van een medeverdachte hebben behandeld levert niet een zwaarwegende </para>
      <para>aanwijzing op als hiervoor onder 3.5 bedoeld (vgl. HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676).</para>
      <para>Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de Rechtbank in het hiervoor </para>
      <para>onder 3.4 bedoelde onderdeel uit het tegen [medeverdachte E] gewezen vonnis, </para>
      <para>waar het spreekt van (een) medeverdachte(n) mede het oog heeft op de verdachte, </para>
      <para>levert hetgeen de Rechtbank daar heeft geoordeeld evenmin een zodanige </para>
      <para>zwaarwegende aanwijzing op.</para>
      <para>Van schending van eerdergenoemde verdragsbepalingen is dus geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen </para>
      <para>nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in </para>
      <para>het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen </para>
      <para>grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn </para>
      <para>oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het </para>
      <para>beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de </para>
      <para>raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>