<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:24:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7955</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00751/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7955" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7955</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=302&amp;g=2000-10-31">Wetboek van Strafrecht 302</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 540</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 737</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7955">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:12:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7955 Hoge Raad , 31-10-2000 / 00751/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7955:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7955:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>31 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 00751/99</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van </para>
      <para>21 mei 1999 in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arron-</para>
      <para>dissementsrechtbank te Arnhem van 26 mei 1998 - de verdachte vrijgesproken van </para>
      <para>het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake </para>
      <para>van “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” veroordeeld tot </para>
      <para>een geldboete van tienduizend gulden, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede </para>
      <para>lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is </para>
      <para>ingesteld door de verdachte. </para>
      <para>Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur </para>
      <para>middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en </para>
      <para>maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat het beroep wordt </para>
      <para>verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de </para>
      <para>raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte subsidiair tenlastegelegd dat</para>
      <para>“hij op of omstreeks 31 juli 1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto </para>
      <para>opzettelijk mishandelend een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat </para>
      <para>moment op een fiets reed, met zijn personenauto heeft gesneden en/of rijdende </para>
      <para>naast [het slachtoffer] tegen [het slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan </para>
      <para>deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken heupgewricht), althans enig </para>
      <para>lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.2. In eerste aanleg is die tenlastelegging gewijzigd in die zin dat na het woord </para>
      <para>“gesneden” is toegevoegd: “waardoor [het slachtoffer] tegen de auto van verdachte </para>
      <para>is gereden”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.3. Van die tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard dat “hij op 31 juli </para>
      <para>1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto opzettelijk mishandelend </para>
      <para>een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat moment op een fiets reed, met </para>
      <para>zijn personenauto heeft gesneden, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk </para>
      <para>letsel (een gebroken heupgewricht) heeft bekomen en pijn  heeft ondervonden”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het primair klaagt dat het Hof de </para>
      <para>grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het middel voert daartoe aan dat  </para>
      <para>het Hof, vrijsprekende van de omstandigheid dat tussen de auto van de verdachte </para>
      <para>en [het slachtoffer] een aanrijding heeft plaatsgevonden, “niet meer tot een </para>
      <para>bewezenverklaring kon komen”, althans dat hetgeen is bewezenverklaard “op </para>
      <para>zichzelf geen mishandeling meer kan opleveren”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Het Hof heeft op blz. 2 van het bestreden arrest onder het hoofd </para>
      <para>“bewezenverklaring”, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het </para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>“Het hof acht bewezen dat verdachte [het slachtoffer] heeft gesneden, immers zo </para>
      <para>dicht naast hem is gaan rijden dat deze - een ongewijzigde koers rijdend - de </para>
      <para>normale doorgang is belet en dat de verdachte dusdoende welbewust de </para>
      <para>aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [het slachtoffer] hierdoor ten val zou komen </para>
      <para>en daardoor (mede gelet op de snelheid van [het slachtoffer] van circa 30 </para>
      <para>kilometer per uur) (…) lichamelijk letsel zou kunnen oplopen”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Het Hof heeft de tenlastelegging dus, afgezien van de daarin opgenomen </para>
      <para>strafverzwarende omstandigheid, kennelijk in die zin opgevat dat de verdachte [het </para>
      <para>slachtoffer] opzettelijk letsel en/of pijn heeft toegebracht door als bestuurder van </para>
      <para>een auto [het slachtoffer] op zijn fiets zodanig te snijden dat deze daardoor ten val </para>
      <para>is gekomen. In dat verband heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de steller </para>
      <para>van de tenlastelegging met de daarin opgenomen (wijzen van) aanrijding tussen de </para>
      <para>auto van de verdachte en [het slachtoffer] slechts heeft beoogd een mogelijke </para>
      <para>nadere toedracht van die val aan te duiden. </para>
      <para>In aanmerking genomen dat aan de term “opzettelijk mishandelend” mede </para>
      <para>feitelijke betekenis toekomt, is die uitleg met de bewoordingen van de </para>
      <para>tenlastelegging niet onverenigbaar, zodat zij in cassatie moet worden </para>
      <para>geëerbiedigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Gelet op die in cassatie te respecteren uitleg van de tenlastelegging heeft het </para>
      <para>Hof, door daarvan bewezen te verklaren hetgeen hiervoor onder 3.1.3 is </para>
      <para>weergegeven en door het aldus bewezenverklaarde te kwalificeren als </para>
      <para>“mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” de grondslag van de </para>
      <para>tenlastelegging niet verlaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. De primaire klacht van het middel faalt dus. Voorzover het middel voorts nog </para>
      <para>klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, berust het, </para>
      <para>voortbouwend op de primaire klacht, kennelijk op de opvatting dat in een geval als </para>
      <para>het onderhavige eerst dan sprake kan zijn van opzettelijke mishandeling indien </para>
      <para>komt vast te staan dat de auto en de fiets(er) met elkaar in aanraking zijn </para>
      <para>gekomen. Die opvatting is onjuist zodat het middel ook in zoverre geen doel treft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van de overige middelen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, </para>
      <para>geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van </para>
      <para>rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen </para>
      <para>grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn </para>
      <para>oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het </para>
      <para>beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de </para>
      <para>raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. </para>
      <para>de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 </para>
      <para>oktober 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>