<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:56:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7792</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00082/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7792" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7792</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=67&amp;g=2000-10-24">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 520</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 33</rdf:li>
          <rdf:li>Module Privacy &amp; AVG 2000/636</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7792">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:11:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7792 Hoge Raad , 24-10-2000 / 00082/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7792:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7792:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>24 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 00082/00</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage </para>
      <para>van 19 november 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven </para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te </para>
      <para>[woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden einduitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de Arron-disse--</para>
      <para>mentsrechtbank te Dordrecht van 7 juli 1998 - de verdachte ter zake van “valsheid </para>
      <para>in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot vijftien maanden </para>
      <para>gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee </para>
      <para>jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, </para>
      <para>advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan </para>
      <para>dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep</para>
      <para>zal verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel, dat klaagt over het ontbreken van een gewaarmerkt afschrift van de </para>
      <para>bestreden uitspraak bij de processtukken, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag </para>
      <para>nu een dergelijk afschrift inmiddels in het dossier is gevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Het middel komt met een aantal klachten op tegen de verwerping door het Hof </para>
      <para>van een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in welk </para>
      <para>verband is betoogd dat de Belastingdienst in strijd met de geheimhoudingsplicht </para>
      <para>van art. 67 AWR informatie heeft verstrekt en dat op die grond de start van het </para>
      <para>strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat op blz. 2 van </para>
      <para>het bestreden arrest en heeft dat verweer verworpen op blz. 2 tot en met 5 van dat </para>
      <para>arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij zich in </para>
      <para>de periode van 31 maart 1991 tot en met 27 december 1995 heeft schuldig </para>
      <para>gemaakt aan valsheid in geschrift door op AWW/WAO-formulieren niet op te </para>
      <para>geven dat hij inkomsten uit arbeid had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4 In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende.</para>
      <para>(i)  Op 29 mei 1995 heeft de Belastingdienst te Gorinchem aan functionarissen </para>
      <para>van het GAK medegedeeld dat de verdachte naast zijn</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering andere inkomsten had ontvangen en dat een door </para>
      <para>de Belastingdienst ingesteld onderzoek had uitgewezen dat de inkomsten hoger </para>
      <para>waren dan door de verdachte waren opgegeven in een aangiftebiljet betreffende de </para>
      <para>inkomstenbelasting;</para>
      <para>(ii) Op 22 mei 1996 heeft een aan het GAK verbonden verbalisant een onderzoek </para>
      <para>ingesteld in hem door de Belastingdienst ter beschikking gestelde </para>
      <para>belastingdossiers betreffende de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5 De eerste klacht van het middel is gericht tegen de verwerping door het Hof</para>
      <para>van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de door de </para>
      <para>Belastingdienst op eigen initiatief verstrekte startinformatie afkomstig was uit een </para>
      <para>“persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties (WPR).</para>
      <para>Bij de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijk kader van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Ingevolge art. 67, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen </para>
      <para>(AWR) rust op ambtenaren van de belastingdienst een geheimhoudingsplicht. Het </para>
      <para>tweede lid van art. 67 AWR houdt in dat de Minister van Financiën ontheffing </para>
      <para>daarvan kan verlenen.</para>
      <para>- Een nadere regeling van de gevallen waarin de belastingdienst informatie mag </para>
      <para>verstrekken aan anderen is opgenomen in het ten tijde van de aanvang van het </para>
      <para>onderzoek geldende Voorschrift Informatieverstrekking 1993 (Besluit van 14 </para>
      <para>december 1992, Stcrt. 1992, 251).</para>
      <para>- Par. 5.1 van het VIV 1993 houdt in dat het op eigen initiatief verstrekken van </para>
      <para>gegevens uit door de Belastingdienst aangehouden persoonsregistraties niet is </para>
      <para>toegestaan.</para>
      <para>- Onder een persoonsregistratie moet blijkens art. 1 WPR worden verstaan “een </para>
      <para>samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende </para>
      <para>persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog </para>
      <para>op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd”.</para>
      <para>- Par. 2.4.1 van het VIV 1993 omschrijft het begrip persoonsregistratie onder </para>
      <para>verwijzing naar de WPR en bepaalt voorts: </para>
      <para>“Een legger- of dossierverzameling bij de Belastingdienst wordt niet beschouwd </para>
      <para>als een persoonsregistratie. Dat betekent dat de informatie die daarin is </para>
      <para>opgenomen niet onder de werking van de WPR valt. Is deze informatie </para>
      <para>oorspronkelijk afkomstig uit een persoonsregistratie dan geldt de WPR wel. </para>
      <para>Hierbij valt te denken aan een uitdraai uit een geautomatiseerde administratie in </para>
      <para>de legger. (…)</para>
      <para>Als informatie niet afkomstig is uit een persoonsregistratie en darmee niet onder </para>
      <para>de werking van de WPR valt, is spontane verstrekking in beginsel wel mogelijk”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6 Het Hof heeft het verweer dat eerdergenoemde startinformatie afkomstig was</para>
      <para>uit een persoonsregistratie als volgt verworpen:</para>
      <para>“(…) blijkt nergens uit dat de door de Belastingdienst verstrekte startinformatie, </para>
      <para>inhoudende “dat de inkomsten hoger waren dan door [verdachte] werd aangegeven </para>
      <para>op zijn aangiftebiljet IB” afkomstig was uit een persoonsregistratie. Veeleer is </para>
      <para>aannemelijk dat deze startinformatie afkomstig was uit een inmiddels met </para>
      <para>betrekking tot de verdachte aan de hand van zijn aangifte IB gevormd </para>
      <para>belastingdossier (…). Een dossier valt niet onder het begrip “persoonsregistratie” </para>
      <para>in de zin van de Wet persoonsregistraties (paragraaf 5.1 VIV 1993)”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit oordeel, hierop neerkomende dat niet aannemelijk is geworden dat de </para>
      <para>startinformatie afkomstig was uit een persoonsregistratie geeft gelet op de </para>
      <para>hiervoor weergegeven bepalingen van de WPR en van het VIV 1993 geen blijk van </para>
      <para>een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen op dit </para>
      <para>punt in hoger beroep is aangevoerd alwaar blijkens de pleitnota slechts gewezen </para>
      <para>is op een aantal stukken betrekking hebbende op de verdachte en zijn </para>
      <para>economische activiteiten welke het betreffende dossier zou hebben bevat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7 Het middel klaagt voorts over de verwerping door het Hof van het in hoger </para>
      <para>beroep gevoerde verweer dat uit het dossier niet kan volgen dat het voorstel tot </para>
      <para>verstrekking van genoemde startinformatie overeenkomstig het bepaalde in de VIV </para>
      <para>1993 ter beslissing is voorgelegd aan het hoofd van de eenheid van de </para>
      <para>belastingdienst. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld </para>
      <para>dat het VIV in par. 5.3 met betrekking tot het verstrekken van informatie aan </para>
      <para>overheidsinstellingen het volgende inhoudt.</para>
      <para>“Informatieverstrekking op eigen initiatief is alleen mogelijk indien deze informatie </para>
      <para>van belang kan zijn voor en naar verwachting zal worden gebruikt bij de </para>
      <para>voorkoming of bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen van </para>
      <para>de overheid. (…) Spontane informatieverstrekking blijft achterwege bij een te </para>
      <para>gering financieel belang. Ook moet worden voorkomen dat informatie wordt </para>
      <para>verstrekt zonder dat het enig effect heeft, bijvoorbeeld omdat de informatie-</para>
      <para>ontvangende instelling niet de capaciteit heeft deze te verwerken of het </para>
      <para>beleidsmatig niet opportuun acht om maatregelen te nemen”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8 Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van par. 5.3 van het VIV strekt de </para>
      <para>regel inhoudende dat het voorstel moet worden voorgelegd aan het hoofd van de </para>
      <para>desbetreffende eenheid van de belastingdienst, niet tot bescherming van de </para>
      <para>rechten van derden als de verdachte, maar ter bevordering van de doelmatigheid </para>
      <para>van het functioneren van de belastingdienst en andere overheidsinstellingen op het </para>
      <para>punt van de daarin voorziene informatie-uitwisseling.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat buiten </para>
      <para>beschouwing kan blijven hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9 De in de toelichting op het middel onder d tot en met f verwoorde klachten </para>
      <para>richten zich tegen overwegingen van het Hof die klaarblijkelijk ten overvloede zijn </para>
      <para>gegeven, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.10. Het middel treft geen doel.</para>
    <para />
    <para>5.   Beoordeling van het derde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen </para>
      <para>nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in </para>
      <para>het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen </para>
      <para>grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve zou behoren </para>
      <para>te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de</para>
      <para>Raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de </para>
      <para>waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 24 oktober 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>