<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:51:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7779</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">112917</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7779" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7779</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 523</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 740</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7779">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7779</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:11:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7779 Hoge Raad , 24-10-2000 / 112917</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7779:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7779:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>24 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 112917</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van </para>
      <para>29 maart 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven</para>
      <para>beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1954,</para>
      <para>wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden einduitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de </para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998 - de verdachte </para>
      <para>vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1. en 6. </para>
      <para>tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 9., 10., 11. en 12. “opzettelijk een bij </para>
      <para>de belastingwet voorgeschreven aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan </para>
      <para>het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, </para>
      <para>meermalen gepleegd” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, met </para>
      <para>onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mrs. C.F. </para>
      <para>Korvinus en G.G.J. Knoops, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur midde-len van </para>
      <para>cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan </para>
      <para>deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het </para>
      <para>beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover het beroep is gericht tegen de gegeven vrijspraken kan de verdachte </para>
      <para>daarin, gelet op art. 430, eerste lid, Sv, niet worden ontvangen. Dat brengt mee </para>
      <para>dat de hierna te bespreken middelen belang missen voorzover zij betrekking </para>
      <para>hebben op de feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het vijfde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof</para>
      <para>van een in hoger beroep gevoerd verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring </para>
      <para>van het Openbaar Ministerie in de vervolging.</para>
      <para>Dat verweer hield in dat de door de verdediging als getuige opgeroepen CID-chefs </para>
      <para>en opsporingsambtenaren tevoren op initiatief van het CID een zogeheten </para>
      <para>“getuigentraining” hebben ondergaan en daardoor dusdanig zouden zijn beïnvloed </para>
      <para>dat geen sprake meer kan zijn van een “fair trial”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Het Hof heeft dat verweer samengevat op blz. 5 van het bestreden arrest en </para>
      <para>verworpen op blz. 9, 10 en 11 van dat arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. De gedachtegang van het Hof komt op het volgende neer. Het Hof heeft bij de </para>
      <para>verwerping van het verweer als feitelijk uitgangspunt genomen dat de door een </para>
      <para>bedrijfspsycholoog aan de desbetreffende - op verzoek van de verdediging in </para>
      <para>hoger beroep als getuige opgeroepen - politieambtenaren voorafgaande aan hun </para>
      <para>verhoor in hoger beroep gegeven training slechts diende tot het:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a) bijdragen aan de stressbestendigheid, mede om te voorkomen dat de getuige in </para>
      <para>paniek of verwarring zou raken als in snelle opvolging een groot aantal vragen op </para>
      <para>hem zou worden afgevuurd;</para>
      <para>b) aanwijzingen geven over gedrag en houding tijdens het verhoor;</para>
      <para>c) opfrissen van dossierkennis (noodzakelijk geacht vanwege de omvang van de </para>
      <para>zaak) mede ter wille van het zelfvertrouwen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een dergelijke - op </para>
      <para>initiatief van de leidinggevenden bij de politie - aan politieambtenaren aangeboden </para>
      <para>training heeft plaatsgevonden, niet meebrengt dat in deze zaak van een eerlijk </para>
      <para>proces geen sprake kan zijn.   </para>
      <para>Het Hof heeft de wijze waarop de training is gegeven om een aantal redenen </para>
      <para>onverstandig geacht en geoordeeld dat daardoor de schijn is gewekt dat met die </para>
      <para>training (mede) werd beoogd  de door de getuigen af te leggen verklaringen te </para>
      <para>beïnvloeden. </para>
      <para>Voor de beantwoording van de vraag of de belangen van de verdediging wezenlijk </para>
      <para>zijn geschaad heeft het Hof beslissend geacht of met die training daadwerkelijk is </para>
      <para>beoogd de getuigen te beïnvloeden “ten detrimente van het waarheidsgehalte van </para>
      <para>hun verklaring” en voorts of die training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde </para>
      <para>getuigen de hun ter terechtzitting gestelde vragen niet naar behoren en naar </para>
      <para>waarheid hebben beantwoord. Het Hof heeft een en ander niet aannemelijk </para>
      <para>bevonden en is uiteindelijk tot de slotsom gekomen dat van wezenlijke schending </para>
      <para>van de belangen van de verdediging, welke zou moeten leiden tot niet-</para>
      <para>ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, geen sprake is </para>
      <para>geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Die gedachtegang, waarin besloten ligt ’s Hofs juiste oordeel dat een </para>
      <para>getuigentraining van deze aard achterwege had dienen te blijven, geeft geen blijk </para>
      <para>van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent het bepaalde in art. </para>
      <para>6 EVRM, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.5. Het middel faalt dus. </para>
    <para />
    <para>5. Beoordeling van de overige middelen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover de middelen niet reeds belang missen op grond van hetgeen hiervoor</para>
      <para>onder 3 is overwogen, kunnen zij niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. </para>
      <para>101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording </para>
      <para>van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, </para>
      <para>voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden </para>
      <para>vernietigd, moet worden beslist als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep voorzover gericht tegen de </para>
      <para>gegeven vrijspraken;</para>
      <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de </para>
      <para>Raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. </para>
      <para>Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 oktober </para>
      <para>2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>