<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T10:10:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7307</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01753/00 U</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7307" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7307</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001010&amp;artikel=2&amp;g=2000-10-03">Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7307">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7307</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:09:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7307 Hoge Raad , 03-10-2000 / 01753/00 U</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7307:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7307:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>3 oktober 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01753/00 U</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>Arrest</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de </para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 maart 2000 op een verzoek</para>
      <para>van de deelstaat Nordrhein-Westfalen (Bondsrepubliek Duitsland) tot uitlevering</para>
      <para>van:</para>
      <para>[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,</para>
      <para>ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te </para>
      <para>Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan -</para>
      <para>Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervol-ging van -deze persoon ter zake van </para>
      <para>de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon.</para>
      <para>Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te</para>
      <para>Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan </para>
      <para>dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge </para>
      <para>Raad de  bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering </para>
      <para>ontoelaatbaar zal verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van </para>
      <para>de Rechtbank dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar </para>
      <para>Nederlands recht oplichting opleveren. Daartoe wordt in het bijzonder aangevoerd </para>
      <para>dat in de feiten niet het aannemen van een valse hoedanigheid besloten ligt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Haftbefehl van het Amtsgericht Köln </para>
      <para>van 12 januari 2000 (505 Gs 69/00, 71 Js 410/98) bevat de uiteenzetting van de </para>
      <para>feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. Deze luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Im Zeitraum vom 6. August 1998 bis zum 8. August 1998 entlieh der</para>
      <para>Beschuldigte [de opgeëiste persoon] in vier Fällen bei verschiedenen</para>
      <para>Autoverleihfirmen Kraftfahrzeuge und brachte diese nicht zurück. Im</para>
      <para>einzelnen handelt es sich um folgende Fälle:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Am 6. August 1998 entlieh der Beschuldigte bei der “Kölner Flitzer Auto </para>
      <para>Vermietung” in Köln einen Ford Transit, amtliches Kennzeichen: [01] (Wert:</para>
      <para>35.000,00 Deutsche Mark). Das Fahrzeug sollte am 10. August 1998</para>
      <para>zurückgebracht werden, was jedoch nicht geschah. Dem Beschuldigten war</para>
      <para>bereits bei Anmietung des Fahrzeugs bewusst, dass er dieses nicht</para>
      <para>zurückbringen werde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Ferner mietete der Beschuldigte am 6. August 1998 bei der Autovermietung</para>
      <para>“Colonia” einen Daimler-Benz, Typ: Sprinter 210, amtliches Kennzeichen [02]</para>
      <para>(Wert 50.000,00 Deutsche Mark) an und lieferte das Fahrzeug nicht wie vereinbart</para>
      <para>zurück.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Bei der Firma “Europcar” in Köln-Bickendorf mietete Der Beschuldigte am 9.</para>
      <para>August 1999 einen Mercedes Kastenwagen mit dem amtlichten Kennzeichen [03] </para>
      <para>(Wert: 30.000,00 Deutsche Mark) und brachte diesen nicht wie vereinbart am 11.</para>
      <para>August 1999 an die Autovermietung zurück.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Am Abend des 6. August 1999 entlieh er bei der “Duo Car</para>
      <para>Kraftfahrzeugvermietung GmbH” in Köln einen Volkswagen ZD 8 (Caravelle) mit</para>
      <para>dem amtlichen Kennzeichen [04] (Wert: 54.000,00 Deutsche Mark) und brachte</para>
      <para>ihn nach dem vereinbarten Mietfristende nicht zurück”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Deze uiteenzetting van de feiten laat niet de gevolgtrekking toe dat de</para>
      <para>betrokken autoverhuurders door het gebruik van een van de in art. 326 Sr</para>
      <para>genoemde oplichtingsmiddelen zouden zijn bewogen tot de afgifte van de auto's.</para>
      <para>Het oordeel van de Rechtbank dat deze feiten naar Nederlands recht mede zijn te</para>
      <para>kwalificeren als oplichting is derhalve onjuist.</para>
      <para>Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu het middel - terecht - niet</para>
      <para>opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat de in genoemd Haftbefehl</para>
      <para>vermelde feiten naar Nederlands recht verduistering opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de uitlevering</para>
      <para>ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de feiten in een tegen de opgeëiste</para>
      <para>persoon in Oostenrijk gewezen vonnis op zodanige wijze zijn betrokken dat het ne</para>
      <para>bis in idem-beginsel aan uitlevering ter zake van die feiten in de weg staat.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. In haar uitspraak heeft de Rechtbank vermeld dat van het dossier onder meer </para>
      <para>deel uitmaakt een (kopie van een) strafvonnis van "Das Landgericht für </para>
      <para>Strafsachen Wien" d.d. 2 oktober 1998, waarbij de opgeëiste persoon tot achttien </para>
      <para>maanden gevangenisstraf is veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. De Rechtbank heeft een namens de opgeëiste persoon gevoerd verweer als</para>
      <para>volgt samengevat:</para>
      <para>“De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard </para>
      <para>dient te worden, aangezien er sprake is van schending van “ne bis in</para>
      <para>idem”. Immers, in het Oostenrijkse vonnis van 2 oktober 1998 is voor het bewijs</para>
      <para>van het strafverzwarende (“Erschwerend”) “Tatwiederholung im Rahmen</para>
      <para>der Gewerbsmässigkeit” gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte, dat </para>
      <para>hij - onder meer - de feiten, in verband waarmee thans uitlevering wordt</para>
      <para>gevraagd, heeft gepleegd”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Rechtbank heeft ten aanzien van dat verweer onder meer overwogen:</para>
      <para>“De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien haar uit het Haftbefehl, noch uit het</para>
      <para>overgelegde Oostenrijkse vonnis of anderszins is gebleken, dat de opgeëiste</para>
      <para>persoon bij genoemd vonnis is veroordeeld voor de feiten waarvoor thans de</para>
      <para>uitlevering wordt verzocht”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. In deze overweging van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat de</para>
      <para>feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht, in het in kracht van gewijsde</para>
      <para>gegane Oostenrijkse vonnis niet zodanig zijn betrokken dat de opgeëiste persoon</para>
      <para>geacht kan worden ter zake daarvan bij dat vonnis onherroepelijk te zijn berecht in</para>
      <para>de zin van het Nederlandse voorbehoud bij art. 9 Europees Verdrag betreffende</para>
      <para>uitlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. In aanmerking genomen dat:</para>
      <para>- de eigen opgave van de opgeëiste persoon als verdachte in de Oostenrijkse</para>
      <para>strafzaak dat hij eerder soortgelijke delicten in Duitsland heeft gepleegd blijkens</para>
      <para>het Oostenrijkse vonnis slechts is gebezigd als een van de omstandigheden op</para>
      <para>grond waarvan bewezen is verklaard dat de drie in Oostenrijk gepleegde feiten een </para>
      <para>bedrijfsmatig karakter hadden, waaronder het Landgericht verstaat dat het </para>
      <para>herhaald begaan van die feiten in de sleutel van het verwerven van een </para>
      <para>voortdurende bron van inkomsten stond;</para>
      <para>- de enkele vermelding van die in Duitsland begane feiten in het vonnis van het </para>
      <para>Landgericht Wien niet is gelijk te stellen met de onherroepelijke afdoening van die</para>
      <para>feiten op een wijze vergelijkbaar met de in Nederland toegepaste voeging ad </para>
      <para>informandum;</para>
      <para>geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en </para>
      <para>is het niet onbegrijpelijk. Dit oordeel van de Rechtbank draagt de verwerping van </para>
      <para>het verweer zelfstandig. De in het middel vervatte klacht tegen hetgeen de </para>
      <para>Rechtbank overigens ten aanzien van het verweer heeft overwogen kan daarom </para>
      <para>onbesproken blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6. Het middel faalt dus.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Slotsom</para>
      <para>Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden,</para>
      <para>terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden </para>
      <para>uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als </para>
      <para>volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zit-ter, en de</para>
      <para>raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin</para>
      <para>Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>