<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:00:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7235</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01978/00 U</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7235" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7235</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 460</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 702</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7235">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:08:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7235 Hoge Raad , 26-09-2000 / 01978/00 U</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7235:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7235:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>26 september 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01978/00 U</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden </para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een uitspraak</para>
      <para>van de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>Amsterdam van 11 april 2000, parketnummer</para>
      <para>13.99-T2-13-97218, op een verzoek van het</para>
      <para>Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de opgeëiste persoon], geboren te</para>
      <para>[geboorteplaats] (Noord-Ierland) op</para>
      <para>[geboortedatum] 1963, zonder bekende woonplaats </para>
      <para>hier te lande, ten tijde van de bestreden </para>
      <para>uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring </para>
      <para>“De Schans” te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.   De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van </para>
      <para>[de opgeëiste persoon]  aan het Verenigd </para>
      <para>Koninkrijk deels toelaatbaar, deels </para>
      <para>ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in </para>
      <para>de bestreden uitspraak staat omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest</para>
      <para>gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.   Het cassatieberoep </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen</para>
      <para>de bestreden uitspraak voorzover de uitlevering</para>
      <para>daarbij ontoelaatbaar is verklaard, is</para>
      <para>ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens</para>
      <para>deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te </para>
      <para>’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van</para>
      <para>cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit</para>
      <para>arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft</para>
      <para>geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.   Beoordeling van het tweede middel </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het middel komt met rechts- en </para>
      <para>motiveringsklachten op tegen de verwerping door </para>
      <para>de Rechtbank van het verweer, daartoe </para>
      <para>strekkende dat de uitlevering ontoelaatbaar </para>
      <para>moet worden verklaard omdat deze een ernstig </para>
      <para>risico oplevert voor een flagrante schending </para>
      <para>van art. 6 EVRM in de na een plaatsgevonden </para>
      <para>hebbende uitlevering in Schotland te voeren </para>
      <para>procedure. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting </para>
      <para>van de Rechtbank is aldaar namens de opgeëiste </para>
      <para>persoon aangevoerd, dat de aard en omvang van </para>
      <para>de publiciteit in Schotland omtrent het feit</para>
      <para>waarvoor de uitlevering is verzocht en omtrent </para>
      <para>de betrokkene, ertoe zullen leiden dat geen </para>
      <para>onpartijdige jury meer kan worden samengesteld, </para>
      <para>zodat een vervolging van de opgeëiste persoon </para>
      <para>door een “impartial tribunal” uitgesloten is en </para>
      <para>het in art. 6, eerste lid EVRM neergelegde </para>
      <para>recht op een “fair trial” zal worden </para>
      <para>geschonden. Op dezelfde gronden is aangevoerd </para>
      <para>dat sprake is van schending van art. 6, tweede </para>
      <para>lid, EVRM. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. De Rechtbank heeft dat verweer samengevat </para>
      <para>en verworpen zoals is weergegeven op blz. 3 </para>
      <para>e.v. van haar uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld </para>
      <para>dat in het uitleveringsverkeer tussen Nederland </para>
      <para>en het Verenigd Koninkrijk als door het EVRM </para>
      <para>gebonden staten in beginsel moet worden </para>
      <para>uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende </para>
      <para>Staat bij de vervolging en bestraffing van de </para>
      <para>opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende </para>
      <para>fundamentele rechten welke zijn neergelegd in </para>
      <para>het EVRM, zal respecteren. Genoemd beginsel, </para>
      <para>waarvan de Rechtbank terecht is uitgegaan, kan </para>
      <para>uitzondering lijden voor wat betreft art. 6 </para>
      <para>EVRM, indien blijkt dat de opgeëiste persoon </para>
      <para>door zijn uitlevering zou worden blootgesteld </para>
      <para>aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op </para>
      <para>enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht </para>
      <para>dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland </para>
      <para>rustende verplichting om dat recht te </para>
      <para>verzekeren aan de nakoming van de uit het </para>
      <para>desbetreffende verdrag, hier het Europees </para>
      <para>Uitleveringsverdrag, voortvloeiende </para>
      <para>verplichting tot uitlevering in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5. Het oordeel van de Rechtbank dat bijzondere omstandigheden die</para>
      <para>aannemelijk maken dat de uitlevering een aanzienlijk risico zou opleveren voor een</para>
      <para>flagrante schending van het recht op een “fair trial” noch zijn gesteld, noch zijn </para>
      <para>gebleken en ook uit het rapport van Gane niet blijken, draagt de verwerping van </para>
      <para>het verweer zelfstandig. Dat oordeel moet aldus worden verstaan dat hetgeen door </para>
      <para>de opgeëiste persoon is aangevoerd en overigens is gebleken niet meebrengt dat </para>
      <para>geen sprake meer kan zijn van een eerlijke berechting, terwijl ook niet blijkt van </para>
      <para>een zodanig risico van een flagrante inbreuk op de rechten die art. 6 EVRM aan </para>
      <para>de verdachte toekent, dat dit aan de uitleveringsverplichting in de weg staat. Het </para>
      <para>vorenoverwogene in aanmerking genomen geeft dat oordeel geen blijk van een </para>
      <para>verkeerde rechtsopvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6. In het licht van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van </para>
      <para>de Rechtbank is dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen </para>
      <para>- dat de invloed van indringende negatieve perspublicaties op het vermogen van </para>
      <para>nog niet geselecteerde jury-leden om een onpartijdig oordeel te vellen afhankelijk </para>
      <para>is van een aantal onbekende factoren, en het, naar de Rechtbank klaarblijkelijk </para>
      <para>heeft geoordeeld, op voorhand niet vaststaat dat die - geruime tijd vóór een </para>
      <para>berechting plaatsgevonden hebbende - publicaties tot het in het middel bedoelde </para>
      <para>nadeel voor de verdachte leiden en dus een zodanig risico opleveren als hiervoor </para>
      <para>bedoeld;</para>
      <para>- dat het Schotse rechtssysteem, naar uit de bestreden uitspraak </para>
      <para>volgt, maatregelen van uiteenlopende aard kent </para>
      <para>om een dreigende schending van art. 6 EVRM </para>
      <para>tegen te gaan;</para>
      <para>- dat, naar de Rechtbank met haar verwijzing naar de toepassing van de</para>
      <para>“Contempt of Law (de Hoge Raad leest: “Contempt of Court”) act 1981” tot </para>
      <para>uitdrukking heeft gebracht, de Schotse autoriteiten voornemens zijn verdere </para>
      <para>publiciteit als waarvan sprake is geweest tegen te gaan, en dat de namens de </para>
      <para>opgeëiste persoon geuite kritiek op de terughoudendheid waarmee die wet </para>
      <para>voorheen zou zijn toegepast, niet de conclusie toelaat dat zij in de toekomst bij </para>
      <para>een mogelijke dreiging van inbreuk op het recht op berechting door een “impartial </para>
      <para>tribunal” niet passende maatregelen op grond van die wet zullen treffen om dat </para>
      <para>gevaar af te wenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7 Voorzover het middel, in navolging van het verweer, ook nog doelt op</para>
      <para>schending van art. 6, tweede lid, EVRM, kan het evenmin tot cassatie leiden. Nog </para>
      <para>daargelaten dat op dit punt alleen van belang zijn uitlatingen of gedragingen van </para>
      <para>publieke autoriteiten waaromtrent niets specifieks is aangevoerd, zou een uitlating </para>
      <para>van bijvoorbeeld een lid van het openbaar ministerie of een politieautoriteit welke </para>
      <para>een schending van art. 6, tweede lid, EVRM oplevert, op zichzelf niet in de weg </para>
      <para>staan aan een berechting die aan art. 6 EVRM voldoet. Beslissend is immers of </para>
      <para>het gerecht onpartijdig en onbevooroordeeld is en de regel van art. 6, tweede lid, </para>
      <para>EVRM eerbiedigt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.8 Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.</para>
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het eerste middel </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de afwijzing </para>
      <para>door de Rechtbank van het verzoek ter zitting van de verdediging om aanhouding </para>
      <para>van de zaak teneinde 1) op een nadere zitting Prof. C. Gane te Aberdeen als </para>
      <para>deskundige te horen en 2) die deskundige in de gelegenheid </para>
      <para>te stellen een definitief rapport te laten uitbrengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 28 maart 2000 houdt</para>
      <para>dienaangaande het volgende in: </para>
      <para>“De raadsvrouw vraagt om aanhouding van de zaak </para>
      <para>- waartoe zij haar pleitnotities aan de </para>
      <para>rechtbank overlegt, welke als bijlage 1 aan dit </para>
      <para>proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de </para>
      <para>inhoud als hier ingevoegd geldt - omdat zij </para>
      <para>Christopher Gane, professor of Scottosh Law aan </para>
      <para>de Universiteit van Aberdeen als deskundige ter </para>
      <para>zitting wil horen.</para>
      <para>Zulks om haar stelling te onderbouwen dat </para>
      <para>uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan </para>
      <para>Schotland een ernstig risico zou opleveren voor </para>
      <para>een glagrante schending van het recht op een </para>
      <para>“fair trial” (artikel 6 EVRM).</para>
      <para>Die stelling houdt in dat in Schotland een </para>
      <para>overmaat aan, voor [de opgeëiste persoon] zeer </para>
      <para>negatieve krantenartikelen is verschenen en dat </para>
      <para>als gevolg daarvan geen onpartijdige jury meer </para>
      <para>is samen te stellen.</para>
      <para>Naar haar oordeel geeft het Schotse recht, en</para>
      <para>de praktische toepassing daarvan, onvoldoende </para>
      <para>waarborgen dat een aan te stellen jury </para>
      <para>onpartijdig zal zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzet zich ten </para>
      <para>inwilliging van het verzoek van de raadsvrouw </para>
      <para>om aanhouding van de behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na beraad deelt de voorzitter als beslissing </para>
      <para>van de rechtbank mede dat het verzoek van de </para>
      <para>raadsvrouw om aanhouding van de behandeling </para>
      <para>worden afgewezen. In het uitleveringsrecht is </para>
      <para>geen plaats voor een dergelijke algemene </para>
      <para>toetsing van het rechtsstelsel van een </para>
      <para>verzoekende staat, die immers verdragspartner </para>
      <para>is, terwijl bovendien een dergelijk onderzoek, </para>
      <para>waarbij niet zou kunnen worden volstaan met </para>
      <para>één, door de verdediging ingeschakelde </para>
      <para>deskundige, zo veel omvattend zou zijn dat het </para>
      <para>daardoor alleen al niet in een </para>
      <para>uitleveringsprocedure past.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit zou slechts anders kunnen zijn indien in </para>
      <para>het concrete geval aanwijzingen bestaan dat een </para>
      <para>“fair trial” bij voorbaat als uitgesloten moet </para>
      <para>worden geacht. Die aanwijzingen heeft de </para>
      <para>rechtbank in het aangevoerde niet aangetroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak </para>
      <para>van het verzochte is gebleken. De beslissing van de Rechtbank, die van de </para>
      <para>pleitnotities van de raadsvrouwe heeft kennisgenomen, moet aldus worden </para>
      <para>verstaan dat die noodzaak niet aanwezig is op grond van haar oordeel, zoals dat </para>
      <para>door de Hoge Raad hiervoor onder 3.5 is verstaan. Aldus heeft de Rechtbank de </para>
      <para>juiste maatstaf toegepast en geen blijk gegeven van miskenning van die maatstaf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.4. Het middel faalt dus.</para>
    <para />
    <para>5. Slotsom </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, </para>
      <para>terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig </para>
      <para>oordeelt waarop de bestreden uitspraak, </para>
      <para>voorzover aan zijn oordeel onderworpen, </para>
      <para>ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, </para>
      <para>moet het beroep worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Beslissing </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep. </para>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president </para>
      <para>C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de</para>
      <para>raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in</para>
      <para>bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en</para>
      <para>uitgesproken op 26 september 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>