<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:45:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7234</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01226/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7234" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7234</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7234">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:08:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7234 Hoge Raad , 26-09-2000 / 01226/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7234:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7234:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>26 september 2000</para>
      <para>Strafkamer</para>
      <para>nr. 01226/99</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden </para>
      <para>Arrest </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van</para>
      <para>het Gerechtshof te Arnhem van 1 februari 1999</para>
      <para>in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op</para>
      <para>[geboortedatum] 1957, zonder bekende woon- of</para>
      <para>verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de</para>
      <para>bestreden uitspraak uit anderen hoofde</para>
      <para>verblijvende in de Penitentiaire Inrichting</para>
      <para>“Lelystad” te Lelystad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.   De bestreden uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met</para>
      <para>vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis</para>
      <para>van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van </para>
      <para>15 april 1997 - de verdachte vrijgesproken van </para>
      <para>het hem bij inleidende dagvaarding onder  3 </para>
      <para>primair, 4 primair en 4 subsidiair </para>
      <para>tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. </para>
      <para>“diefstal, waarbij de schuldige het weg te </para>
      <para>nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht </para>
      <para>door middel van verbreking en valse sleutels”, </para>
      <para>2. “opzettelijk handelen in strijd met een in </para>
      <para>artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet </para>
      <para>gegeven verbod”, 3. “poging tot: zware </para>
      <para>mishandeling” en 4. “handelen in strijd met </para>
      <para>artikel 2.4.16 juncto artikel 6.1 van de </para>
      <para>Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 1992” </para>
      <para>veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, </para>
      <para>met verbeurdverklaring en onttrekking aan het </para>
      <para>verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts </para>
      <para>heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde </para>
      <para>partijen toegewezen in voege als in het arrest </para>
      <para>vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Het bestreden arrest is aan dit arrest</para>
      <para>gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.  Geding in cassatie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep - dat kennelijk niet is gericht </para>
      <para>tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld </para>
      <para>door de verdachte. </para>
      <para>Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, </para>
      <para>advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen </para>
      <para>van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan </para>
      <para>dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd</para>
      <para>dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal </para>
      <para>vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van </para>
      <para>de bewezenverklaring en de kwalificatie van het </para>
      <para>aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, </para>
      <para>de kwalificatie van het ten laste van de </para>
      <para>verdachte onder 3 (de Hoge Raad leest: 2) </para>
      <para>bewezenverklaarde feit, de strafoplegging en de </para>
      <para>aanhaling van de bepalingen waarop die berust, </para>
      <para>dat de Hoge Raad zal bepalen dat het onder 3 </para>
      <para>(de Hoge Raad leest: 2) bewezenverklaarde feit </para>
      <para>oplevert het misdrijf: “opzettelijk handelen in </para>
      <para>strijd met artikel 3, lid 1 onder C, Opiumwet”, </para>
      <para>dat de zaak zal worden verwezen naar een </para>
      <para>aangrenzend Gerechtshof teneinde met betrekking </para>
      <para>tot het onder 1 tenlastegelegde feit en ten </para>
      <para>aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden </para>
      <para>berecht en afgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.   Beoordeling van het eerste middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof</para>
      <para>het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk</para>
      <para>aanwezig hebben van hennepplanten ten onrechte</para>
      <para>heeft gekwalificeerd als een overtreding van</para>
      <para>een in art. 3, eerste lid onder B, van de</para>
      <para>Opiumwet gegeven verbod.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Het middel is gegrond. Het</para>
      <para>bewezenverklaarde levert op opzettelijk</para>
      <para>handelen in strijd met een in art. 3, eerste</para>
      <para>lid aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod.</para>
      <para>De Hoge Raad zal het bestreden arrest in</para>
      <para>zoverre vernietigen en alsnog doen hetgeen het</para>
      <para>Hof had behoren te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.   Beoordeling van het tweede middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof </para>
      <para>onder 4 een overtreding heeft bewezenverklaard, </para>
      <para>doch heeft verzuimd om art. 62 Sr aan te halen. </para>
      <para>In de toelichting wordt aangegeven dat er bij </para>
      <para>de strafoplegging met art. 62 Sr als bijzondere </para>
      <para>samenloopbepaling rekening had moeten worden </para>
      <para>gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Het Hof heeft voor de bewezenverklaarde </para>
      <para>strafbare feiten één straf opgelegd, te weten </para>
      <para>acht maanden gevangenisstraf. Het onder 4 </para>
      <para>bewezenverklaarde feit levert echter een </para>
      <para>overtreding op, zodat op grond van het bepaalde </para>
      <para>in art. 62 Sr het Hof daarvoor afzonderlijk een </para>
      <para>straf had moeten bepalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Het middel is derhalve terecht </para>
      <para>voorgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.   Beoordeling van het derde en vierde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. </para>
      <para>Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere </para>
      <para>motivering nu de middelen niet nopen tot </para>
      <para>beantwoording van rechtsvragen in het belang </para>
      <para>van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.   Beoordeling van het vijfde middel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten</para>
      <para>aanzien van wie - kort gezegd - onder 1 is </para>
      <para>bewezenverklaard dat hij met het oogmerk van </para>
      <para>wederrechtelijke toeëigening elektriciteit </para>
      <para>heeft weggenomen, waarbij de verdachte het weg </para>
      <para>te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht </para>
      <para>door middel van verbreking en een valse </para>
      <para>sleutel. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen </para>
      <para>heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de </para>
      <para>verzegeling van de hoofdstoppenkast heeft </para>
      <para>verbroken en vervolgens op die kast kabels </para>
      <para>heeft aangesloten, zodat buiten enige meter om </para>
      <para>stroom kon worden afgetapt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.2. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring</para>
      <para>niet toereikend is gemotiveerd voorzover het</para>
      <para>betreft het gebruik van een valse sleutel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.3. Het middel is gegrond. Uit de gebezigde </para>
      <para>bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de </para>
      <para>verdachte het weg te nemen goed onder zijn </para>
      <para>bereik heeft gebracht door middel van </para>
      <para>verbreking, namelijk door de hoofdstoppenkast </para>
      <para>met verbreking van de verzegeling te openen, </para>
      <para>maar niet dat de verdachte (tevens) gebruik </para>
      <para>heeft gemaakt van een valse sleutel. Voorzover </para>
      <para>het Hof heeft geoordeeld dat het (vervolgens) </para>
      <para>aansluiten van de kabels het gebruik van een </para>
      <para>valse sleutel oplevert, getuigt zulks van een </para>
      <para>verkeerde rechtsopvatting, omdat dat aansluiten </para>
      <para>niet kan worden beschouwd als het gebruik maken </para>
      <para>van een valse sleutel ten- einde het weg te </para>
      <para>nemen goed onder het bereik van de dader te </para>
      <para>brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7.   Slotsom</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak,</para>
      <para>voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, ambtshalve zou</para>
      <para>behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als</para>
      <para>volgt moet worden beslist.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8.   Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover</para>
      <para>aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend </para>
      <para>voor wat betreft de beslissingen ten aanzien </para>
      <para>van het onder 1 tenlastegelegde, de </para>
      <para>kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 2 </para>
      <para>en de strafoplegging;</para>
      <para>Kwalificeert het bewezenverklaarde onder 2 als</para>
      <para>“opzettelijk handelen in strijd met een in art.</para>
      <para>3, eerste lid aanhef en onder C, Opiumwet</para>
      <para>gegeven verbod”;</para>
      <para>Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te</para>
      <para>Leeuwarden opdat deze voor wat betreft het</para>
      <para>onder 1 tenlastegelegde en voor wat betreft de</para>
      <para>strafoplegging opnieuw wordt berecht en</para>
      <para>afgedaan;	</para>
      <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president </para>
      <para>C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de</para>
      <para>raadsheren H.A.M. Aaftink en J.P. Balkema, in</para>
      <para>bijzijn van de waarnemend-griffier E.H.</para>
      <para>Schulten, en uitgesproken op 26 september 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>