<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2000:AA7038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T11:51:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA7038</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/150HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2000:AA7038" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7038</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2000, 415</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2000/126</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7038">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA7038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:08:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA7038 Hoge Raad , 08-09-2000 / R99/150HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2000:AA7038:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2000:AA7038:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>8 september 2000</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Rek.nr. R99/150HR</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De man],</para>
      <para>wonende te [plaats A],</para>
      <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. R.F. Foortse,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De vrouw],</para>
      <para>wonende te [plaats B], Costa Rica,</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. J.H.F. Schultz van Haegen.</para>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Met een op 7 maart 1997 ter griffie van de Rechtbank te Zwolle ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en onder meer verzocht echtscheiding tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken.</para>
      <para>	De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en harerzijds verzocht de man te veroordelen tot betaling aan haar van een alimentatie van ƒ 2.500,-- per maand.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 1997 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft voorts, na verweer van de man met betrekking tot de verzochte alimentatie, bij beschikking van 1 oktober 1998 "met ingang van de dag dat deze beschikking van kracht is" bij voorraad aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man toegekend van ƒ 1.000,-- per maand, met afwijzing van het meer of anders verzochte.</para>
      <para>	Tegen laatstvermelde beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>	Bij beschikking van 29 juni 1999 heeft het Hof zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep de beschikking van de Rechtbank te Zwolle van 1 oktober 1998 vernietigd en opnieuw beschikkende bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1999 ƒ 2.500,-- per maand aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.</para>
      <para>	De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van de middelen</para>
      <para>3.1	Nadat bij de op 3 juni 1999 voor het Hof gehouden mon-delinge be-han-deling, met betrekking tot de behoefte van de vrouw ter sprake was geko-men dat de vrouw sinds februari 1999 werkzaam was in Costa Rica en van plan was zich de-fi-ni-tief aldaar te vestigen en dat voorts de vrouw in Costa Rica la-ge-re inkomsten genoot dan in Nederland, en nadat het Hof aan het eind van die behandeling had mede-ge-deeld dat van de zijde van de vrouw nog een tweetal stukken moest worden overgelegd, en vervolgens die be-han-deling had gesloten en daarbij had aangezegd dat op 29 juni 1999 een be-schik-king zou worden gegeven, heeft de advo-caat van de man bij brief van 18 juni 1999 onder meer nog het volgende aan het Hof doen weten:</para>
      <para>"Het feit, dat de vrouw thans over een lager inko-men beschikt, is het gevolg van haar keuze om een baan op Costa Rica aan te nemen en behoort geen in-vloed te hebben op de alimentatieverplichting van de man. (...)</para>
      <para>Gezien de langdurige werkervaring van de vrouw en het steeds nijpender tekort aan ervaren secreta-res-sen op de Nederlandse arbeidsmarkt, is het zeer aan-ne-melijk dat zij in Nederland ook een passende werkkring had kunnen vinden met een minimaal ge-lijk-waardig salaris aan haar vorige werkkring hier te lande.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Middel I, dat klaagt dat het Hof heeft na-ge-laten op het al-dus voorgedragen verweer te beslissen, faalt reeds omdat dit verweer eerst na de mondelinge be-han-deling per brief aan het Hof is kenbaar gemaakt zon-der dat de vrouw daarop nog kon reageren.</para>
    <para />
    <para>3.2	De middelen II en III falen eveneens. Zulks be-hoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de daar-bij opgeworpen klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing   </para>
      <para>	De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
      <para>	Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P. Neleman, als voorzitter, C.H.M. Jansen en  A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 september 2000.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>