<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:ZD1563</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD1563</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">111.273</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:ZD1563" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:ZD1563</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 216</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1999, 833</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:ZD1563">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:ZD1563</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-11T14:28:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:ZD1563 Hoge Raad , 19-10-1999 / 111.273</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:ZD1563:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hernieuwde overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, nadat het hof op dezelfde grond tot strafvermindering was gekomen. HR: geen niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie maar strafvermindering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:ZD1563:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>19 oktober 1999 </para>
  <para>Strafkamer </para>
  <para>nr. 111.273 </para>
  <para>SM</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 november 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, wonende te <emphasis role="underline">[plaats]</emphasis>.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden einduitspraak</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 16 september 1996, heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 april 1994 - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 3. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "handelen in strijd met een artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1. en 3. tot één jaar gevangenisstraf en ten aanzien van feit 2. tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair vijfendertig dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.2. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Geding in cassatie</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr D. Moszkowicz, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen nog ingekomen brief van de raadsman van de verdachte, gedateerd 8 september 1999.</para>
    <para>De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, met vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad geraden voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel en de eerste klacht van het tweede middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De middelen en de klacht kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen en de klacht niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Beoordeling van de tweede klacht van het tweede middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1. Het middel bevat als tweede de klacht dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, omdat - gelet op de periode die tussen de bestreden uitspraak en de behandeling in cassatie is verstreken - de redelijke termijn hernieuwd is overschreden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.2. De verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 21 november 1997 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 oktober 1998 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 20 april 1999 voor de eerste maal behandeld. In aanmerking genomen: </para>
  </parablock>
  <para>(i) dat tussen het tijdstip waarop het cassatie beroep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim 10 maanden zijn verstreken, hetgeen ertoe heeft geleid dat de zaak eerst ter terechtzitting van de Hoge Raad heeft gediend nadat 17 maanden na het instellen van het beroep waren verstreken en </para>
  <parablock>
    <para>(ii) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van ruim 10 maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.3. Het middel is dus terecht voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat het tot dan toe bekende tijdsverloop van dien aard was dat in strijd met art. 6 EVRM de berechting niet had plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Op grond daarvan heeft het Hof lagere straffen opgelegd - respectievelijk drie maanden voor wat betreft de gevangenisstraf en vijfhonderd gulden voor wat betreft de boete - dan het Hof zonder die overschrijding als passend beschouwde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.5. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding in deze procesfase van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn hernieuwd is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. De gegrondheid van het middel leidt daarom tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van hernieuwde overschrijding van die termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hierna onder 6 vermeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nu geen van de middelen, afgezien van hetgeen onder 4 is overwogen, tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para>Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf ;</para>
    <para>Vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze na vermindering 11 maanden en 1 week beloopt;</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op <emphasis role="underline">19 oktober 1999.</emphasis></para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>