<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:07:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3884</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/080HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3884" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3884</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 243</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 122</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 3</rdf:li>
          <rdf:li>EB 2000, 17</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2000, 21 met annotatie van P. Dorhout</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3884">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3884 Hoge Raad , 17-12-1999 / R99/080HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3884:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3884:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Rek.nr. R99/080HR</para>
      <para>AS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de vrouw],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERZOEKSTER tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de man],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr M.H. van der Woude.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Met een op 2 december 1997 ter griffie van de </para>
      <para>Rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft ver-</para>
      <para>weerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich ge-</para>
      <para>wend tot die Rechtbank en verzocht:</para>
      <para>I.</para>
      <para>primair: de door hem aan verzoekster tot cassatie - ver-</para>
      <para>der te noemen: de vrouw - verschuldigde bijdrage in haar </para>
      <para>levensonderhoud met ingang van 1 maart 1995, althans met </para>
      <para>ingang van 1 juni 1996, althans vanaf de datum van indie-</para>
      <para>ning van dit verzoekschrift op nihil te stellen;</para>
      <para>subsidiair: de door hem ten behoeve van de vrouw ver-</para>
      <para>schuldigde bijdrage in het levensonderhoud op een zodanig </para>
      <para>bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanige da-</para>
      <para>tum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te </para>
      <para>behoren;</para>
      <para>II.</para>
      <para>primair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen  </para>
      <para>ƒ 83.917,56, zijnde de door de man sinds 1 maart 1995 on-</para>
      <para>verschuldigd betaalde partneralimentatie, althans het be-</para>
      <para>drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de </para>
      <para>man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de </para>
      <para>wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man </para>
      <para>is voldaan, althans vanaf de dag van indiening van dit </para>
      <para>verzoekschrift;</para>
      <para>subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man de be-</para>
      <para>talen ƒ 44.804,94, zijnde de door de man sinds 1 juni </para>
      <para>1996 onverschuldigde partneralimentatie, althans het be-</para>
      <para>drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de </para>
      <para>man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de </para>
      <para>wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man </para>
      <para>is voldaan, althans vanaf het moment van indiening van </para>
      <para>dit verzoekschrift;</para>
      <para>uiterst subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man </para>
      <para>te betalen de door de man sedert de indiening van het </para>
      <para>verzoekschrift betaalde partneralimentatie, met veroorde-</para>
      <para>ling van de vrouw in de kosten van de procedure, die van </para>
      <para>het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998 </para>
      <para>de verzoeken van de man en het meer of anders verzochte </para>
      <para>afgewezen.</para>
      <para>	Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.</para>
      <para>	Bij beschikking van 9 februari 1999 heeft het Hof </para>
      <para>de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 14 juli </para>
      <para>1998 vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de </para>
      <para>onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, vast-</para>
      <para>gesteld bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 </para>
      <para>maart 1991, met ingang van 1 januari 1998 is geëindigd, </para>
      <para>de vrouw veroordeeld om aan de man terug te betalen de </para>
      <para>door de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 januari </para>
      <para>1998 onverschuldigd betaalde alimentatie, en het meer of </para>
      <para>anders verzochte afgewezen. </para>
      <para>	De beschikking van het Hof is aan deze beschikking </para>
      <para>gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw be-</para>
      <para>roep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan de-</para>
      <para>ze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer </para>
      <para>strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van het middel</para>
      <para>3.1	Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Bij vonnis </para>
      <para>van 28 maart 1991 is echtscheiding tussen hen uitgespro-</para>
      <para>ken. In dat vonnis, dat op 29 april 1991 is ingeschreven </para>
      <para>in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald dat </para>
      <para>de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar </para>
      <para>levensonderhoud zal betalen ƒ 2.210,-- per maand. Die </para>
      <para>bijdrage is inmiddels door de wettelijke indexering ver-</para>
      <para>hoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	De man heeft, kort samengevat en voorzover in cas-</para>
      <para>satie nog van belang, aan de Rechtbank verzocht deze bij-</para>
      <para>drage nader te bepalen op nihil met ingang van 1 maart </para>
      <para>1995, althans 1 juni 1996, althans vanaf de datum van in-</para>
      <para>diening van het verzoekschrift, met veroordeling van de </para>
      <para>vrouw tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde </para>
      <para>alimentatie. De man heeft aan zijn (primaire) verzoeken </para>
      <para>ten grondslag gelegd dat de vrouw met een ander        </para>
      <para>(de andere man) is gaan samenleven als waren zij gehuwd. </para>
      <para>De Rechtbank heeft de verzoeken van de man afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3	In het hoger beroep van de man is het Hof tot een </para>
      <para>ander oordeel gekomen. Het Hof heeft vastgesteld (i) dat  </para>
      <para>de vrouw en [de andere man] vanaf 3 juli 1995 tot het na-</para>
      <para>jaar van 1997 hebben samengewoond, (ii) dat zij een af-</para>
      <para>fectieve relatie hadden waarvan aannemelijk is dat deze </para>
      <para>duurzaam was, (iii) dat zij de kosten van de gezamenlijke </para>
      <para>huishouding deelden en over en weer taken in die huishou-</para>
      <para>ding op zich namen, en (iv) dat sprake is geweest van we-</para>
      <para>der- zijdse verzorging. Anders dan de Rechtbank heeft het </para>
      <para>Hof in de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de </para>
      <para>samenwoning van haar en [de andere man] voortvloeide uit </para>
      <para>het feit dat de oudste zoon van [de andere man], bij wie </para>
      <para>botkanker was geconstateerd, de door hen verleende ver-</para>
      <para>zorging en verpleging nodig had, geen reden gezien te </para>
      <para>oordelen dat deze samenleving niet gelijk te stellen is </para>
      <para>met een samenleving als waren zij gehuwd. Tegen dat oor-</para>
      <para>deel keert zich het middel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het </para>
      <para>Hof weliswaar van de juiste criteria is uitgegaan, doch </para>
      <para>bij de toepassing daarvan onvoldoende aandacht heeft ge-</para>
      <para>schonken aan de bijzondere omstandigheden die zich hier </para>
      <para>hebben voorgedaan, zodat het Hof in strijd heeft gehan-</para>
      <para>deld met de - tot een terughoudende toepassing nopende - </para>
      <para>strekking van artikel 1:160 BW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5	Het onderdeel faalt. Het Hof is uitgegaan van een </para>
      <para>juiste maatstaf. De wijze waarop het Hof die maatstaf in </para>
      <para>het onderhavige geval heeft toegepast geeft geen blijk </para>
      <para>geeft van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verwe-</para>
      <para>ven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet </para>
      <para>verder op zijn juistheid worden getoetst. Het oordeel van </para>
      <para>het Hof is ook niet onbegrijpelijk en het voldoet aan de </para>
      <para>in gevallen als deze te stellen hoge motiveringseisen.</para>
      <para>3.6	Indien na weging van alle daarvoor in aanmerking </para>
      <para>komende omstandigheden aangenomen wordt dat sprake is van </para>
      <para>een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW, is het </para>
      <para>door de wet bedoelde gevolg daarvan dat van rechtswege </para>
      <para>een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de </para>
      <para>gewezen echtgenoot van de onderhoudsgerechtigde. Daarmee </para>
      <para>is niet verenigbaar dat deze bepaling buiten toepassing </para>
      <para>wordt gelaten op grond van ’bijzondere’ omstandigheden </para>
      <para>die dit gevolg voor de onderhoudsgerechtigde onredelijk </para>
      <para>doen zijn. Die omstandigheden kunnen slechts een rol spe-</para>
      <para>len bij de beoordeling van de vraag of van een samenle-</para>
      <para>ving als hier bedoeld sprake is, waarbij aan de motive-</para>
      <para>ring van een bevestigende beantwoording van die vraag </para>
      <para>juist in verband met de ernstige gevolgen voor de onder-</para>
      <para>houdsgerechtigde hoge eisen moeten worden gesteld. Het </para>
      <para>tweede onderdeel van het middel, dat een andere opvatting </para>
      <para>voorstaat, treft daarom geen doel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7	Aan het derde onderdeel van het middel ligt de ver-</para>
      <para>onderstelling ten grondslag dat het Hof ervan is uitge-</para>
      <para>gaan dat de vrouw en [de andere man] ook al in de periode </para>
      <para>voorafgaand aan 3 juli 1995 hebben samengeleefd als waren </para>
      <para>zij gehuwd. Die veronderstelling is echter onjuist, zodat </para>
      <para>het middel feitelijke grondslag mist en om die reden niet </para>
      <para>tot cassatie kan leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing</para>
      <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president </para>
      <para>Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann,      </para>
      <para>Jansen, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitge-</para>
      <para>sproken door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>