<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:13:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3883</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/134HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3883" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3883</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 249</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 184</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3883">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3883 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/134HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3883:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3883:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nr. C98/134HR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiseres] TRANSPORT EFFICIENCY B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [woonplaats],</para>
      <para>EISERES tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr E.D. Vermeulen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerster] B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr C.J.J.C. van Nispen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>Verweerster in cassatie en [de directeur], wonende </para>
      <para>te [woonplaats], - verder respectievelijk te noemen: </para>
      <para>[verweerders]- hebben bij exploit van    18 februari 1991 </para>
      <para>eiseres tot cassatie [..] gedagvaard voor de Rechtbank te </para>
      <para>Dordrecht. Na wijziging van eis hebben [verweerders] ge-</para>
      <para>vorderd:</para>
      <para>1. [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] ter </para>
      <para>zake van compensatie ingevolge de overeenkomst tot </para>
      <para>effectuering van de optieregeling als omschreven in </para>
      <para>de dagvaarding te betalen ƒ 1.480.000,--, te ver-</para>
      <para>meerderen met de wettelijke rente;</para>
      <para>2. subsidiair, in het geval het sub 1 gevorderde niet </para>
      <para>wordt toegewezen, de genoemde overeenkomst te ont-</para>
      <para>binden en [eiseres] te veroordelen om aan [verweer-</para>
      <para>ster] te betalen een schadevergoeding ten bedrage </para>
      <para>van ƒ 1.480.000,--, te vermeerderen met de wet-</para>
      <para>telijke rente;</para>
      <para>3. meer subsidiair, in het geval geen van de onder    </para>
      <para>1 en 2 genoemde vorderingen wordt toegewezen,    </para>
      <para>[eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] ter </para>
      <para>zake van schadevergoeding voor beëindiging van de </para>
      <para>beheerovereenkomst tussen [verweerster] en [eise-</para>
      <para>res] niet te goeder trouw, althans niet in rede-</para>
      <para>lijkheid en billijkheid, te betalen ƒ 1.480.000,--, </para>
      <para>te vermeerderen met de wettelijke rente;</para>
      <para>4. in het geval geen van de hiervoor genoemde vorde-</para>
      <para>ringen wordt toegewezen, [eiseres] te veroordelen </para>
      <para>om aan [de directeur] ter zake van schadeloosstel-</para>
      <para>ling ingevolge kennelijk onredelijk ontslag te be-</para>
      <para>talen         ƒ 1.480.000,-- te vermeerderen met de </para>
      <para>wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	[eiseres] heeft de vorderingen bestreden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij vonnis van 22 januari 1992 </para>
      <para>de vorderingen afgewezen.</para>
      <para>	Tegen dit vonnis hebben [verweerders] hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij akte </para>
      <para>ter zitting van 30 juli 1992 heeft [de directeur] zijn </para>
      <para>hoger beroep ingetrokken. Bij memorie van grieven heeft </para>
      <para>[verweerster] haar eis gewijzigd en gevorderd:</para>
      <para>1. primair: [eiseres] te veroordelen om aan [verweer-</para>
      <para>ster] ter zake van compensatie verschuldigd uit </para>
      <para>hoofde van de overeenkomst tot effectuering van de </para>
      <para>optieregeling zoals tussen partijen gesloten, te </para>
      <para>betalen         ƒ 1.480.000,--, te vermeerderen met </para>
      <para>de wettelijke rente;</para>
      <para>2. subsidiair, ingeval de vordering sub 1 niet wordt </para>
      <para>toegewezen, de genoemde overeenkomst te ontbinden </para>
      <para>en [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] </para>
      <para>ter zake van schadevergoeding te betalen ƒ </para>
      <para>1.480.000,--, te vermeerderen met de wettelijke </para>
      <para>rente;</para>
      <para>3. subsidiair, ingeval de vorderingen sub 1 en 2 niet </para>
      <para>worden toegewezen omdat het Hof tot het oordeel zou </para>
      <para>komen dat geen sprake is van een overeenkomst tus-</para>
      <para>sen partijen waarvan nakoming kan worden verzocht, </para>
      <para>[eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] ter </para>
      <para>zake van schadevergoeding te betalen ƒ 1.480.000,-- </para>
      <para>te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks op </para>
      <para>grond van het feit dat [eiseres] zich jegens [ver-</para>
      <para>weerster] schuldig heeft gemaakt aan schending van </para>
      <para>de precontractuele goede trouw c.q. zich jegens </para>
      <para>[verweerster] heeft schuldig gemaakt aan een on-</para>
      <para>rechtmatige daad, door de onderhandelingen tussen </para>
      <para>partijen niet voort te zetten en aan [verweerster] </para>
      <para>niet de eenmalige vergoeding toe te kennen die </para>
      <para>[verweerster] toekwam en waarover tussen partijen </para>
      <para>al in vergaande mate overeenstemming bestond en die </para>
      <para>zou worden betaald als beloning voor reeds door </para>
      <para>[verweerster] verrichte diensten;</para>
      <para>4. meer subsidiair: ingeval het Hof noch het sub 1 </para>
      <para>noch het sub 2 gevorderde toewijst, [eiseres] te </para>
      <para>veroordelen om aan [verweerster] te betalen ter za-</para>
      <para>ke van schadevergoeding voor beëindiging van de be-</para>
      <para>heersovereenkomst tussen [verweerster] en [eiseres] </para>
      <para>niet te goeder trouw, althans niet in redelijkheid </para>
      <para>en billijkheid, ƒ 1.480.000,--, te vermeerderen met </para>
      <para>de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bij tussenarrest van 27 april 1994 heeft het Hof </para>
      <para>[de directeur] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger </para>
      <para>beroep en de zaak tussen [verweerster] en [eiseres] naar </para>
      <para>de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [verweer-</para>
      <para>ster].</para>
      <para>	Vervolgens heeft [verweerster] haar eis, zowel pri-</para>
      <para>mair als subsidiair en meer subsidiair, vermeerderd tot </para>
      <para>een bedrag van ƒ 2.403.846,--. </para>
      <para>Bij tussenarrest van 12 april 1995 heeft het Hof [ver-</para>
      <para>weerster] toegelaten door getuigen te bewijzen feiten en </para>
      <para>omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [eiseres] </para>
      <para>akkoord is gegaan met de inhoud van de medio november </para>
      <para>1990 door [verweerster] aan [eiseres] gezonden concept-</para>
      <para>overeenkomst. Na gehouden getuigenverhoor heeft het Hof </para>
      <para>bij tussenarrest van 31 december 1997 de zaak naar de rol </para>
      <para>verwezen, opdat partijen zich bij akte konden uitlaten </para>
      <para>omtrent de namen van de te benoemen deskundigen, alsmede </para>
      <para>omtrent de formulering van de te stellen vragen.</para>
      <para>	De tussenarresten van het Hof van 27 april 1994 en </para>
      <para>31 december 1997 zijn aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen de twee laatstvermelde tussenarresten van het </para>
      <para>Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cas-</para>
      <para>satiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daar-</para>
      <para>van deel uit.</para>
      <para>	[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping </para>
      <para>van het beroep.</para>
      <para>	De zaak is voor [eiseres] namens haar advocaat </para>
      <para>schriftelijk toegelicht door Mrs W.D.H. Asser en      </para>
      <para>I.M. Blatt, advocaten te Amsterdam, en voor [verweerster] </para>
      <para>door haar advocaat.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp </para>
      <para>strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van het middel</para>
      <para>3.1	Het gaat in cassatie om het volgende.</para>
      <para>Bij “beheersovereenkomst” van 29 december 1989/12 </para>
      <para>januari 1990 zijn [eiseres] en [verweerster] overeengeko-</para>
      <para>men dat [verweerster] met ingang van 1 januari 1990 voor </para>
      <para>onbepaalde tijd is benoemd tot directeur van [eiseres] </para>
      <para>tegen een vergoeding van ƒ 350.000,-- per jaar. </para>
      <para>Een brief van [eiseres] aan [verweerster], geda-</para>
      <para>teerd 6 februari 1990, houdt het volgende in:</para>
      <para>“De vennootschap zal naar alle redelijkheid en bil-</para>
      <para>lijkheid voor 30-06-1990 overgaan tot het effectue-</para>
      <para>ren van een stock-optieregeling ten behoeve van de </para>
      <para>beheersvennootschap, op basis van de waarde van de </para>
      <para>aandelen van de vennootschap per 01-01-1990, op na-</para>
      <para>der door partijen overeen te komen wijze, voor een </para>
      <para>belang groot 5% van het totaal gestorte en ge-</para>
      <para>plaatste aandelenkapitaal van de vennootschap. </para>
      <para>Mocht de algemeen direkteur van de vennootschap om </para>
      <para>formele redenen dit niet kunnen effektueren, dan </para>
      <para>zullen partijen een andere vorm van compensatie </para>
      <para>voor de beheersvennootschap dienen te regelen.”</para>
    </parablock>
    <para>    </para>
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 21 juni 1990 en 28 september 1990 </para>
      <para>heeft [eiseres] aan [verweerster] verlenging van de in de </para>
      <para>brief van 6 februari 1990 gestelde termijn tot 30 septem-</para>
      <para>ber 1990, respectievelijk tot 30 november 1990 gevraagd, </para>
      <para>in welke verlengingen [verweerster] heeft bewilligd. </para>
      <para>[Verweerster] heeft medio november 1990 een concept-</para>
      <para>overeenkomst aan [eiseres] gezonden, waarin naar de brief </para>
      <para>van 6 februari 1990 werd verwezen.</para>
      <para>Bij brief van 29 november 1990 heeft [verweerster] </para>
      <para>[eiseres] verzocht vóór 30 november 1990 alsnog “medewer-</para>
      <para>king tot effectuering van deze optie” te verlenen; voor </para>
      <para>zover dat niet meer mogelijk mocht blijken, stelde zij        </para>
      <para>[eiseres] in gebreke. Nadat [verweerster] desgevraagd had    </para>
      <para>geweigerd deze brief in te trekken, heeft [eiseres] op   </para>
      <para>18 december 1990 de beheersovereenkomst met [verweerster] </para>
      <para>opgezegd. Vervolgens heeft [verweerster] de onderhavige </para>
      <para>procedure aangespannen en gevorderd hetgeen hiervoor on-</para>
      <para>der 1 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	[Verweerster] neemt het standpunt in dat in de </para>
      <para>brief van 6 februari 1990 een stockoptierecht aan haar is </para>
      <para>verleend. [Eiseres] heeft dat standpunt bestreden en ha-</para>
      <para>rerzijds gesteld dat in die brief slechts de intentie is </para>
      <para>vastgelegd om tot een nadere regeling van een stockoptie </para>
      <para>te komen.</para>
      <para>De Rechtbank heeft deze door [eiseres] verdedigde </para>
      <para>uitleg van de brief aanvaard en de vorderingen van      </para>
      <para>[verweerster] afgewezen.    </para>
      <para>Het Hof daarentegen heeft in zijn eerste tussenar-</para>
      <para>rest voorshands geoordeeld dat in de briefwisseling tus-</para>
      <para>sen partijen een wederkerige overeenkomst is vastgelegd, </para>
      <para>welke een voorovereenkomst behelsde, ertoe strekkende dat </para>
      <para>partijen vóór - uiteindelijk - 30 november 1990 een over-</para>
      <para>eenkomst tot stand zouden brengen.</para>
      <para>In zijn derde tussenarrest heeft het Hof overwogen </para>
      <para>(rov. 8) geen aanleiding te zien van dat voorlopig oor-</para>
      <para>deel terug te komen, en voorts geoordeeld (rov. 11) dat </para>
      <para>thans ten processe ervan moet worden uitgegaan dat par-</para>
      <para>tijen in 1990 een voorovereenkomst hebben gesloten “welke </para>
      <para>ertoe strekte dat zij vóór 30 november 1990 een overeen-</para>
      <para>komst tot stand zouden brengen, waarbij [eiseres] aan </para>
      <para>[verweerster] een optie zou verlenen, uit te oefenen rond      </para>
      <para>1 juli 1991, op 5% van haar geplaatst en gestort aande-</para>
      <para>lenkapitaal tegen de koers per 1 januari 1990”. Voor het </para>
      <para>geval dat de inhoud van de nog te sluiten overeenkomst </para>
      <para>aldus onvoldoende is bepaald, aldus het Hof (rov. 12), </para>
      <para>zullen de ontbrekende elementen overeenkomstig de eisen </para>
      <para>van redelijkheid en billijkheid moeten worden aangevuld. </para>
      <para>In rov. 13 heeft het Hof, constaterende dat [eiseres] </para>
      <para>heeft geweigerd de gesloten voorovereenkomst na te komen, </para>
      <para>geoordeeld dat [verweerster] jegens [eiseres] aanspraak </para>
      <para>heeft op vergoeding van de door haar als gevolg van deze </para>
      <para>wanprestatie geleden schade, en dat deze schade gelijk is </para>
      <para>aan de eventuele financiële voordelen welke [verweerster] </para>
      <para>heeft gemist doordat de ingevolge de voorovereenkomst te </para>
      <para>sluiten overeenkomst niet tot stand is gekomen. Betref-</para>
      <para>fende de vraag of, en zo ja in welke omvang, [verweer-</para>
      <para>ster] schade als hier bedoeld heeft geleden, achtte het </para>
      <para>Hof een onderzoek door deskundigen gewenst (rov. 14).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3	Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat geen </para>
      <para>klacht - komt op tegen het in ’s Hofs eerste tussenarrest </para>
      <para>gegeven oordeel dat de brief van 6 februari 1990 een we-</para>
      <para>derkerige overeenkomst behelst. Het onderdeel verwijst </para>
      <para>daarbij (onder 2.3) naar het door [eiseres] in de feite-</para>
      <para>lijke instanties gevoerde verweer dat [verweerster] in </para>
      <para>haar vordering tot ontbinding niet kan slagen aangezien </para>
      <para>een eenzijdige overeenkomst niet kan worden ontbonden. </para>
      <para>Aan dit essentiële verweer, aldus het onderdeel (onder </para>
      <para>2.3.1), had het Hof niet mogen voorbijgaan.</para>
      <para>Het onderdeel kan wegens gebrek aan belang niet tot </para>
      <para>cassatie leiden. Het antwoord op de vraag of hier sprake </para>
      <para>is van een wederkerige overeenkomst in de zin van art. </para>
      <para>6:261 e.v. BW, is immers slechts van belang voor zover </para>
      <para>door [verweerster] ontbinding van de voorovereenkomst </para>
      <para>wordt gevorderd en haar vordering tot schadevergoeding </para>
      <para>daarvan afhankelijk is gesteld. Het Hof heeft echter ken-</para>
      <para>nelijk, en in het licht van de gedingstukken niet onbe-</para>
      <para>grijpelijk, de stellingen van [verweerster] aldus begre-</para>
      <para>pen dat zij haar vordering tot schadevergoeding ook los </para>
      <para>van een eventuele ontbinding beoordeeld wenst te zien, en </para>
      <para>heeft - zoals uit rov. 13 van ’s Hofs derde tussenarrest </para>
      <para>blijkt - zijn beslissing omtrent een verdergaand onder-</para>
      <para>zoek naar de door [verweerster] geleden schade blijkbaar </para>
      <para>daarop gebaseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	De overige onderdelen van het middel falen op de </para>
      <para>gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal </para>
      <para>Hartkamp onder 6 tot en met 9.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing</para>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verwerpt het beroep;</para>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding </para>
      <para>in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van    </para>
      <para>[verweerster] begroot op ƒ 8.857,20 aan verschotten en         </para>
      <para>ƒ 3.000,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president </para>
      <para>Roelvink als voorzitter en de raadsheren Jansen,        </para>
      <para>De Savornin Lohman, Hammerstein en Kop, en in het </para>
      <para>openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op     </para>
      <para>17 december 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>