<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:50:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:HR:1999:ZC3059</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3880</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG7686</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6932</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6235</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/080HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3880" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3880</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000/89 met annotatie van P.J.J. van Buuren</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 247</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 87 met annotatie van A.R. Bloembergen</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 5</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 2000-7112, 2 met annotatie van C.P.J. Goorden</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2000/554</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/500 met annotatie van J.A. SMIT</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2000/7.6 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>AB Klassiek 2009/33 met annotatie van P.J.J. van Buuren</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/30 met annotatie van A.E. Schilder, W. den Ouden</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/4 met annotatie van prof. mr. F.A.M. Stroink</rdf:li>
          <rdf:li>AA20000181 met annotatie van Hartlief T. Ton</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3880">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3880 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/080HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3880:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3880:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nr. C98/080HR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>DE GEMEENTE GRONINGEN,</para>
      <para>gevestigd te Groningen,</para>
      <para>EISERES tot cassatie, voorwaardelijk inci-</para>
      <para>denteel verweerster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>advocaat:	voorheen mr J.L. de Wijkerslooth,</para>
      <para>				thans mr G. Snijders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerster],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk in-</para>
      <para>cidenteel eiseres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>advocaat: mr E. Grabandt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Verweerster in cassatie [..] heeft bij exploit van </para>
      <para>8 december 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: </para>
      <para>de Gemeente - gedagvaard voor de Kantonrechter te Gronin-</para>
      <para>gen en gevorderd de Gemeente te veroordelen om aan [ver-</para>
      <para>weerster] te betalen een bedrag van ƒ 2.385,25, vermeer-</para>
      <para>derd met de wettelijke rente vanaf 28 april 1994.</para>
      <para>	De Gemeente heeft de vordering bestreden.</para>
      <para>	De Kantonrechter heeft bij vonnis van 22 november </para>
      <para>1995 de vordering toegewezen.</para>
      <para>	Tegen dit vonnis heeft de Gemeente hoger beroep in-</para>
      <para>gesteld bij de Rechtbank te Groningen.</para>
      <para>	Bij vonnis van 28 november 1998 heeft de Rechtbank </para>
      <para>het hoger beroep verworpen en voormeld vonnis van de Kan-</para>
      <para>tonrechter bekrachtigd.</para>
      <para>	Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest ge-</para>
      <para>hecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Gemeente </para>
      <para>beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft voor-</para>
      <para>waardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De </para>
      <para>cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens </para>
      <para>houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan </para>
      <para>dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>	Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot ver-</para>
      <para>werping van het beroep.</para>
      <para>	De zaak is voor partijen toegelicht door hun advo-</para>
      <para>caten.</para>
      <para>	De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-</para>
      <para>Generaal strekt tot verwerping van het principaal beroep, </para>
      <para>met veroordeling van de Gemeente in de kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.  	Beoordeling van het middel in het principale      </para>
      <para>beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1  	In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <para>(i)  [Verweerster] ontvangt sedert 1987 bijzondere bij-</para>
      <para>stand op grond van de Algemene Bijstandswet in verband </para>
      <para>met de behandeling van haar ernstig gehandicapte zoon </para>
      <para>door een manueel therapeut te Leiden, dr Muradin. De bij-</para>
      <para>stand ziet op de kosten van behandeling en de reiskosten.</para>
      <para>(ii) Bij besluit van burgemeester en wethouders van de </para>
      <para>Gemeente  van 15 april 1993 is [verweerster] wederom zo-</para>
      <para>danige uitkering toegekend, met dien verstande dat daar-</para>
      <para>bij tevens is beslist dat zij na 1 juli 1993 voor voor-</para>
      <para>noemde kosten geen bijstand meer ontvangt, terwijl voorts </para>
      <para>de aanvraag inzake reiskosten Groningen - Leiden is afge-</para>
      <para>wezen omdat [verweerster] van een voorliggende voorzie-</para>
      <para>ning   (Algemene Arbeidsongeschiktheidswet) gebruik kan </para>
      <para>maken. Dit besluit berust mede op een advies van de GG en </para>
      <para>GD van de Gemeente. Aan dat advies is geen onderzoek van </para>
      <para>de zoon van [verweerster] of overleg met dr Muradin voor-</para>
      <para>afgegaan.</para>
      <para>(iii)	[Verweerster] heeft tegen dit besluit een bezwaar-</para>
      <para>schrift ingediend. Het bezwaarschrift is behandeld in een </para>
      <para>vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften   </para>
      <para>Algemene Bijstandswet van 24 januari 1994. [Verweerster] </para>
      <para>heeft zich daarbij doen bijstaan door haar raadsvrouwe  </para>
      <para>mr R. Germs.</para>
      <para>(iv) Bij besluit van 1 februari 1994 hebben burgemeester </para>
      <para>en wethouders het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond </para>
      <para>verklaard en het primaire besluit van 15 april 1993 her-</para>
      <para>zien, met dien  verstande dat aan [verweerster]  geduren-</para>
      <para>de de periode van 1 juli 1993 tot 1 september 1994 bij-</para>
      <para>stand wordt toegekend voor de kosten van manuele therapie </para>
      <para>en aan haar gedurende die periode voor de in verband met </para>
      <para>die therapie gemaakte reiskosten Groningen-Leiden bij-</para>
      <para>stand wordt verleend ten bedrage van ƒ 0,35 per kilome-</para>
      <para>ter. Daarbij hebben burgemeester en wethouders continue-</para>
      <para>ring van de bijstand voor de therapie afhankelijk gesteld </para>
      <para>van het oordeel van een erkend deskundige ten aanzien van </para>
      <para>de vraag of de behandeling kan worden overgenomen door </para>
      <para>een erkende instelling.</para>
      <para>(v)  Mr Germs heeft [verweerster] ter zake van de door </para>
      <para>haar verleende rechtsbijstand een bedrag van ƒ 2.385,25 </para>
      <para>in rekening gebracht. De Gemeente heeft deze kosten niet </para>
      <para>aan [verweerster] vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 	[Verweerster] vordert in dit geding vergoeding van </para>
      <para>voormelde kosten van rechtsbijstand. Aan die vordering </para>
      <para>heeft zij ten grondslag gelegd dat de Gemeente gehouden </para>
      <para>is deze kosten te vergoeden, nu deze het gevolg zijn van </para>
      <para>onrechtmatig handelen van de Gemeente die de hiervóór in </para>
      <para>3.1 onder (ii) vermelde beslissing heeft genomen en na-</para>
      <para>derhand - naar aanleiding van het bezwaarschrift - heeft </para>
      <para>herzien.</para>
      <para>	De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3  	In hoger beroep heeft de Gemeente primair aange-</para>
      <para>voerd dat [verweerster] in haar vordering niet-</para>
      <para>ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij bezwaar </para>
      <para>en beroep had kunnen instellen tegen de weigering van de </para>
      <para>Gemeente de kosten van rechtsbijstand  te vergoeden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft dit beroep op niet-ont-</para>
      <para>vankelijkheid verworpen (rov. 6.1-6.6). Vervolgens heeft </para>
      <para>zij geoordeeld dat het primaire besluit van 15 april 1993 </para>
      <para>is te kwalificeren als een onrechtmatige daad van de Ge-</para>
      <para>meente jegens [verweerster], dat deze onrechtmatige daad </para>
      <para>aan de Gemeente kon worden toegerekend, zodat de Gemeente </para>
      <para>jegens [verweerster] aansprakelijk is voor de door haar </para>
      <para>geleden schade (rov. 7.1). Op grond van art. 6:96 lid 2, </para>
      <para>aanhef en onder b en c, BW behoren, aldus de Rechtbank, </para>
      <para>tot die schade tevens redelijke kosten van rechtsbij-</para>
      <para>stand, indien het inschakelen van rechtsbijstand redelijk </para>
      <para>was (rov. 7.2). De Rechtbank acht geen termen aanwezig </para>
      <para>het Besluit proceskosten bestuursrecht analoog toe te </para>
      <para>passen (rov. 7.3). Na te hebben geoordeeld dat het inroe-</para>
      <para>pen van rechtsbijstand door [verweerster] redelijk was </para>
      <para>(rov. 7.4) en dat ook de hoogte van die kosten redelijk </para>
      <para>was (rov. 7.5), heeft de Rechtbank het vonnis van de Kan-</para>
      <para>tonrechter bekrachtigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4  Onderdeel 1 keert zich tegen de verwerping door de </para>
      <para>Rechtbank in haar rechtsoverwegingen 6.1-6.6 van het be-</para>
      <para>roep van de Gemeente op niet-ontvankelijkheid. De onder-</para>
      <para>delen 2 en 3 keren zich tegen het oordeel van de Recht-</para>
      <para>bank dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand voor </para>
      <para>vergoeding in aanmerking komen, en de voor dat oordeel </para>
      <para>gegeven motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.1	Onderdeel 1 strekt ten betoge dat de taakverdeling </para>
      <para>tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter mee-</para>
      <para>brengt dat de burgerlijke rechter niet treedt in een vor-</para>
      <para>dering tot schadevergoeding, gebaseerd op onrechtmatig-</para>
      <para>heid van een beschikking waartegen een bestuursrechtelij-</para>
      <para>ke rechtsgang openstond, indien het betrokken bestuursor-</para>
      <para>gaan vergoeding van deze schade heeft afgewezen en een </para>
      <para>dergelijke afwijzing een besluit of weigering oplevert </para>
      <para>waartegen in beginsel bezwaar en beroep op de bestuurs-</para>
      <para>rechter openstaat. Nu in het onderhavige geval een andere </para>
      <para>met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft openge-</para>
      <para>staan, te weten bezwaar tegen de fictieve weigering van </para>
      <para>de Gemeente om de door [verweerster] gemaakte kosten van </para>
      <para>rechtsbijstand te vergoeden en, na ongegrondbevinding van </para>
      <para>het bezwaar, beroep op de bestuursrechter, en nu de rede-</para>
      <para>lijke termijn voor het maken van bezwaar tegen die weige-</para>
      <para>ring ongebruikt is verstreken, had de vordering van   </para>
      <para>[verweerster] moeten worden afgewezen omdat het (zuivere) </para>
      <para>schadebesluit van de Gemeente formele rechtskracht heeft </para>
      <para>verkregen, aldus het onderdeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.2	Tegen de achtergrond van de door de bestuursrech-</para>
      <para>ters ontwikkelde rechtspraak inzake de bevoegdheid van de  </para>
      <para>algemene dan wel bijzondere bestuursrechter om kennis te </para>
      <para>nemen van een beroep tegen een zuiver schadebesluit (zie </para>
      <para>onder meer ABRRS 6 mei 1997, AB 1997, 229, CRvB  24 juli </para>
      <para>1994, AB 1995, 40 en 133, CBB 19 februari 1997, AB 1997, </para>
      <para>144, en  CvBSf  23 mei 1996, JB 1996, 177) stelt het on-</para>
      <para>derdeel aldus de vraag aan de orde of voormelde bevoegd-</para>
      <para>heid meebrengt dat een burger die geen gebruik heeft ge-</para>
      <para>maakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een </para>
      <para>voor bezwaar en beroep vatbaar zuiver schadebesluit waar-</para>
      <para>bij is geweigerd vergoeding toe te kennen voor beweerde-</para>
      <para>lijk door een onrechtmatig besluit veroorzaakte schade, </para>
      <para>door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk dient te </para>
      <para>worden verklaard, indien hij diezelfde schadevergoeding </para>
      <para>vervolgens vordert in een civiele procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.3	Te dien aanzien geldt het volgende. Het bepaalde in </para>
      <para>art. 112 Gr.w brengt mee dat de burgerlijke rechter be-</para>
      <para>voegd is kennis te nemen van vorderingen waaraan de ei-</para>
      <para>ser, zoals ook in het onderhavige geval, ten grondslag </para>
      <para>heeft gelegd dat jegens hem een onrechtmatige daad is ge-</para>
      <para>pleegd. Uitgangspunt is evenwel dat ook in een zodanig </para>
      <para>geval de eiser door de burgerlijke rechter niet-</para>
      <para>ontvankelijk dient te worden verklaard, wanneer, kort ge-</para>
      <para>zegd, de bestuursrechter voldoende rechtsbescherming </para>
      <para>biedt (HR 28 februari 1992, nr. 14635, NJ 1992, 687). De </para>
      <para>taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de be-</para>
      <para>stuursrechter brengt tevens mee dat moet worden uitgegaan </para>
      <para>van de geldigheid van een besluit van een bestuursorgaan </para>
      <para>indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede </para>
      <para>rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang hetzij </para>
      <para>niet is gebruikt, hetzij niet tot vernietiging van het </para>
      <para>besluit heeft geleid (kort gezegd: het beginsel van de </para>
      <para>formele rechtskracht): zie onder meer HR 2 juni 1995, nr. </para>
      <para>15720, NJ 1997, 164.</para>
      <para>	Er is evenwel goede grond om een uitzondering op </para>
      <para>het beginsel van formele rechtskracht te aanvaarden voor </para>
      <para>zuivere schadebesluiten als evenbedoeld. Indien de recht-</para>
      <para>bank het beroep tegen een besluit gegrond verklaart, kan </para>
      <para>zij, op verzoek van een partij, de door haar aangewezen </para>
      <para>rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade </para>
      <para>die deze partij lijdt, aldus art. 8:73 Awb. De regeling </para>
      <para>van art. 8:73 heeft niet ten doel een vordering tot scha-</para>
      <para>devergoeding bij de burgerlijke rechter uit te sluiten. </para>
      <para>De niet-exclusiviteit van de regeling van art. 8:73 </para>
      <para>blijkt allereerst uit de inrichting van de regeling zelf. </para>
      <para>De rechter kan, blijkens de bewoordingen van lid 1, uit-</para>
      <para>sluitend op verzoek van een partij de door haar aangewe-</para>
      <para>zen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van schade, </para>
      <para>die die partij lijdt. Daarin ligt besloten dat die partij </para>
      <para>ook een verzoek achterwege kan laten en de voorkeur kan </para>
      <para>geven aan een vordering bij de burgerlijke rechter. Bo-</para>
      <para>vendien is in art. 8:73 de mogelijkheid opengelaten dat </para>
      <para>de bestuursrechter tot de conclusie komt dat niet hij, </para>
      <para>maar de burgerlijke rechter beter over de vordering tot </para>
      <para>schadevergoeding kan oordelen: de bevoegdheid van de be-</para>
      <para>stuursrechter te dezen is geformuleerd als een discretio-</para>
      <para>naire bevoegdheid. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis </para>
      <para>van deze bepaling blijkt ondubbelzinnig dat het niet wen-</para>
      <para>selijk werd geacht de mogelijkheid van een schadevergoe-</para>
      <para>dingsvordering bij de burgerlijke rechter uit te sluiten </para>
      <para>en dat de voorkeur eraan werd gegeven de rechtsontwikke-</para>
      <para>ling af te wachten (Parl. Gesch. Awb, Tweede Tranche, </para>
      <para>blz. 473-480).</para>
      <para>Naast de niet als exclusief bedoelde regeling van </para>
      <para>art. 8:73, die voor een partij de mogelijkheid openlaat </para>
      <para>om zich ter zake van schadevergoeding tot de burgerlijke </para>
      <para>rechter te wenden, bestaat voor een belanghebbende de mo-</para>
      <para>gelijkheid ter zake van de door hem verlangde schadever-</para>
      <para>goeding een voor bezwaar en beroep vatbaar schadebesluit </para>
      <para>uit te lokken, indien aan de vereisten daarvoor is vol-</para>
      <para>daan. Die mogelijkheid staat voor een belanghebbende ook </para>
      <para>open indien een verzoek tot vergoeding van schade op de </para>
      <para>voet van art. 8:73 niet (meer) mogelijk is omdat het ver-</para>
      <para>zoek niet tijdens de beroepsprocedure tegen het schade-</para>
      <para>veroorzakende besluit is gedaan. De rechtspraak van de </para>
      <para>bestuursrechters heeft na inwerkingtreding van de Awb op </para>
      <para>1 januari 1994 bewerkstelligd  dat de reikwijdte van het </para>
      <para>voor bezwaar en beroep vatbare zuivere schadebesluit aan-</para>
      <para>zienlijk is vergroot. </para>
      <para> 	Zoals hiervóór is uiteengezet is het de bedoeling </para>
      <para>van de wetgever geweest, welke bedoeling in art. 8:73 tot </para>
      <para>uitdrukking is gebracht, om bij gegrondbevinding van het </para>
      <para>beroep aan een partij de keuze te laten in een bestuurs-</para>
      <para>rechtelijke procedure schadevergoeding te verzoeken dan </para>
      <para>wel zich te dier zake tot de burgerlijke rechter te wen-</para>
      <para>den. Het zou niet met deze keuzevrijheid stroken om voor </para>
      <para>een partij die zich tot een bestuursorgaan heeft gewend </para>
      <para>teneinde schadevergoeding te verkrijgen en die in reactie </para>
      <para>op dat verzoek een voor bezwaar en beroep vatbaar zuiver </para>
      <para>schadebesluit heeft verkregen - welke mogelijkheid, zoals </para>
      <para>gezegd, na de inwerkingtreding van de Awb aanzienlijk is </para>
      <para>verruimd -, met een beroep op het beginsel van de formele </para>
      <para>rechtskracht de toegang tot de burgerlijke rechter te </para>
      <para>blokkeren. Er is geen grond om hierover anders te oorde-</para>
      <para>len indien het verzoek door het bestuursorgaan terecht </para>
      <para>als een aanvraag aangemerkt is, nu hiervoor niet is ver-</para>
      <para>eist dat het verzoek berust op een welbewuste en uitdruk-</para>
      <para>kelijke keuze voor de bestuursrechtelijke rechtsgang en </para>
      <para>voorts uit het hiervoor overwogene volgt dat de partij de </para>
      <para>keuze tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter </para>
      <para>niet reeds in dat stadium behoeft te maken. Zo de ontwik-</para>
      <para>keling van de rechtspraak op het stuk van het zuivere </para>
      <para>schadebesluit zou nopen tot aanpassing van de regeling </para>
      <para>inzake afbakening van de bevoegdheden van de bestuurs-</para>
      <para>rechter en de burgerlijke rechter, dan ligt daar niet een </para>
      <para>taak voor de rechter - een dergelijke aanpassing gaat im-</para>
      <para>mers zijn rechtsvormende taak te buiten - maar voor de </para>
      <para>wetgever.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.5	Het in 3.5.4 overwogene leidt tot de slotsom dat </para>
      <para>een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht </para>
      <para>voor zuivere schadebesluiten als vorenbedoeld moet worden </para>
      <para>aanvaard in dier voege dat ook indien bij zulk een be-</para>
      <para>sluit afwijzend is beslist op een op onrechtmatig besluit </para>
      <para>gegrond verzoek tot schadevergoeding, de eiser niet op </para>
      <para>grond daarvan door de burgerlijke rechter niet-</para>
      <para>ontvankelijk dient te worden verklaard in een op dezelfde </para>
      <para>grondslag ingestelde vordering tot vergoeding van schade. </para>
      <para>Heeft de bestuursrechter in eerste of enige instantie </para>
      <para>evenwel eenmaal het beroep tegen een schadebesluit als </para>
      <para>hierbedoeld ongegrond verklaard - tot welk geval de Hoge </para>
      <para>Raad zich thans beperkt -, dan zal de eiser door de bur-</para>
      <para>gerlijke rechter niet-ontvankelijk verklaard dienen te </para>
      <para>worden in een vordering tot schadevergoeding die betrek-</para>
      <para>king heeft op hetzelfde onrechtmatige besluit als waarop </para>
      <para>het zuivere schadebesluit betrekking had. Op deze wijze </para>
      <para>wordt een voor de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf </para>
      <para>geboden voor de afbakening van de bevoegdheid van de bur-</para>
      <para>gerlijke rechter en de bestuursrechter terzake die </para>
      <para>strookt met de taakverdeling tussen hen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.6	Het in 3.5.5 overwogene brengt mee dat in het mid-</para>
      <para>den kan blijven of de weigering van de Gemeente om de </para>
      <para>door [verweerster] gemaakte kosten van rechtsbijstand te </para>
      <para>vergoeden, moet worden aangemerkt als een zuiver schade-</para>
      <para>besluit als vorenbedoeld. Immers, indien zulks zou moeten </para>
      <para>worden aangenomen, geldt daarvoor hetgeen hiervóór in </para>
      <para>3.5.4 en 3.5.5 is overwogen. Zou aangenomen moeten worden </para>
      <para>dat van een zodanig besluit geen sprake is, dan geldt, </para>
      <para>gelet op het in 3.5.4 en 3.5.5 overwogene, eens te meer </para>
      <para>dat voor [verweerster] de toegang tot de burgerlijke </para>
      <para>rechter niet geblokkeerd mag worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.5.7  Onderdeel 1 kan derhalve niet tot cassatie leiden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6.1	Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 7.2. Het strekt </para>
      <para>ten betoge dat op het voetspoor van de jurisprudentie van </para>
      <para>de bestuursrechter moet worden aangenomen dat, behoudens </para>
      <para>het geval dat de primaire besluitvorming dermate ernstige </para>
      <para>gebreken vertoonde dat gezegd moet worden dat een be-</para>
      <para>stuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig be-</para>
      <para>sluit heeft genomen dan wel wanneer sprake is van een </para>
      <para>bijzonder geval, de in de bestuurlijke voorprocedure ge-</para>
      <para>maakte kosten van rechtsbijstand niet dienen te worden </para>
      <para>aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van </para>
      <para>schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid </para>
      <para>2 onder b BW dan wel als redelijke kosten ter verkrijging </para>
      <para>van voldoening buiten rechte als bedoeld in art. 6:96 lid </para>
      <para>2 onder c BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6.2	Het onderdeel faalt. De Rechtbank heeft in rov. 7.1 </para>
      <para>- in cassatie onbestreden - geoordeeld dat het primaire </para>
      <para>besluit van 15 april 1993 is te kwalificeren als een on-</para>
      <para>rechtmatige daad van de Gemeente jegens [verweerster] die </para>
      <para>aan de Gemeente kan worden toegerekend. Dit brengt mee </para>
      <para>dat de Gemeente verplicht is de dientengevolge door [ver-</para>
      <para>weerster] geleden schade te vergoeden. Van die schade ma-</para>
      <para>ken deel uit de kosten van de door [verweerster] ingeroe-</para>
      <para>pen rechtsbijstand, nu - naar in cassatie onbestreden is </para>
      <para>- zowel het inroepen van die bijstand als de kosten daar-</para>
      <para>van redelijk zijn. Anders dan onderdeel 2 betoogt, be-</para>
      <para>staat er geen grond om voor de toewijsbaarheid van een </para>
      <para>vordering tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaak-</para>
      <para>te kosten van rechtsbijstand aanvullende eisen te stel-</para>
      <para>len, die niet hun grondslag vinden in de regels die in </para>
      <para>het algemeen gelden voor de toewijsbaarheid van een vor-</para>
      <para>dering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige </para>
      <para>daad.</para>
      <para> 	Anders dan onderdeel 3 kennelijk betoogt, leidt ook </para>
      <para>de omstandigheid dat in de geschiedenis van de totstand-</para>
      <para>koming van art. 8:75 Awb tot uitdrukking is gebracht dat </para>
      <para>de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in </para>
      <para>beginsel voor rekening van de belanghebbende moeten blij-</para>
      <para>ven  en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in </para>
      <para>aanmerking dienen te komen, niet tot een ander oordeel </para>
      <para>van de burgerlijke rechter dan hiervoor is gegeven. Daar-</para>
      <para>bij kan nog worden gewezen op het volgende. Blijkens de </para>
      <para>geschiedenis van de totstandkoming van art. 8:75 heeft de </para>
      <para>wetgever zich vooralsnog bewust onthouden van regelgeving </para>
      <para>met betrekking tot kosten van rechtsbijstand in de be-</para>
      <para>zwaarfase en regelend optreden afhankelijk gesteld van de </para>
      <para>rechtsontwikkeling (zie Parl. Gesch. Awb, Tweede Tranche, </para>
      <para>blz. 489-491). De wetgever heeft zich voorts op het </para>
      <para>standpunt gesteld “dat de regeling die is getroffen voor </para>
      <para>de kosten van bijstand tijdens de procedure voor de </para>
      <para>rechtbank niet in aanmerking komt voor de bezwaarschrift-</para>
      <para>procedure. Wellicht zou dat tot een te vergaande kosten-</para>
      <para>veroordeling leiden. Een uitsluiting van die kosten is </para>
      <para>ook niet goed mogelijk, omdat er in een aantal gevallen </para>
      <para>duidelijke redenen kunnen zijn om die kosten wel te ver-</para>
      <para>goeden. Dit punt moet dus aan de rechter worden overgela-</para>
      <para>ten.” (Parl. Gesch. Awb, t.a.p., blz. 498, rechter ko-</para>
      <para>lom).</para>
      <para>	Op dit een en ander stuit onderdeel 3 af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7  	Nu het middel in het principale beroep faalt, komt </para>
      <para>het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan </para>
      <para>de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. 	Beslissing</para>
      <para>	De Hoge Raad:</para>
      <para>	verwerpt het principale beroep;</para>
      <para>	veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding </para>
      <para>in cassatie, tot op deze uispraak aan de zijde van [ver-</para>
      <para>weerster] begroot op ƒ 3.590,-- in totaal, waarvan ƒ </para>
      <para>3.480,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de </para>
      <para>griffier, en ƒ 110,-- te voldoen aan [verweerster]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president   Mijnssen </para>
      <para>als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Van </para>
      <para>der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgespro-</para>
      <para>ken door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>