<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:27:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3879</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/130HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3879" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3879</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1999-12-17">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 248</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 88 met annotatie van A.R. Bloembergen</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 6</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/499 met annotatie van J.A. SMIT</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3879">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3879</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3879 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/130HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3879:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3879:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nr. C98/130HR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>DE GEMEENTE CASTRICUM,</para>
      <para>gevestigd te Castricum,</para>
      <para>EISERES tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: voorheen mr J.L. de Wijkerslooth,</para>
      <para>thans mr G. Snijders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerder],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr J.K. Franx.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Verweerder in cassatie [..] heeft bij exploit van </para>
      <para>30 januari 1995 eiseres tot cassatie - verder te noemen: </para>
      <para>de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en </para>
      <para>gevorderd:</para>
      <para>1. voor recht te verklaren dat de Gemeente jegens [ver-</para>
      <para>weerder] ter zake van de in de dagvaarding omschreven </para>
      <para>feiten en grondslagen aansprakelijk is voor de door </para>
      <para>hem geleden schade wegens onrechtmatig handelen van de </para>
      <para>Gemeente en</para>
      <para>2. de Gemeente te veroordelen tot betaling van een bedrag </para>
      <para>van ƒ 83.708,13 alsmede een bedrag aan schadevergoeding </para>
      <para>nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de </para>
      <para>wet, alles te vermeerderen met de wettelijke rente</para>
      <para>vanaf 20 mei 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Gemeente heeft de vorderingen bestreden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij vonnis van 6 augustus 1996:</para>
      <para>1. voor recht verklaard dat de Gemeente jegens [verweerder]</para>
      <para> onrechtmatig heeft gehandeld en deswege voor de </para>
      <para>als gevolg daarvan door [verweerder] geleden schade </para>
      <para>aansprakelijk is, door bij besluit van het college van </para>
      <para>burgemeester en wethouders van 11 september 1992 een </para>
      <para>beslissing op [verweerder]’ vergunningaanvraag aan te </para>
      <para>houden;</para>
      <para>2.	de Gemeente veroordeeld tot vergoeding van de door   </para>
      <para>[verweerder] in de administratieve beroepsprocedure </para>
      <para>tegen het besluit van het college van burgemeester en </para>
      <para>wethouders van 11 september 1992 gemaakte redelijke </para>
      <para>kosten van juridische bijstand en adviseurskosten, </para>
      <para>voor zover [verweerder] in die procedure opkwam tegen </para>
      <para>de onder 1 bedoelde aanhouding, nader op te maken bij </para>
      <para>staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De Gemeente </para>
      <para>heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>	Bij tussenarrest van 15 januari 1998 heeft het Hof </para>
      <para>de zaak naar de rol verwezen om [verweerder] in de gele-</para>
      <para>genheid te stellen zijn stellingen nader te verduidelij-</para>
      <para>ken en iedere verdere beslissing aangehouden.</para>
      <para>	Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest ge-</para>
      <para>hecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen het tussenarrest van het Hof heeft de Gemeen-</para>
      <para>te beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding </para>
      <para>is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van </para>
      <para>het beroep.</para>
      <para>	De zaak is voor partijen toegelicht door hun advo-</para>
      <para>caten.</para>
      <para>	De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-</para>
      <para>Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met ver-</para>
      <para>oordeling van de Gemeente in de kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van het middel</para>
      <para>(i) 	[Verweerder] is van 1988 tot 18 juni 1993 eigenaar </para>
      <para>geweest van een in de gemeente Castricum gelegen perceel </para>
      <para>grond.</para>
      <para>(ii) 	Op dit perceel zijn in mei 1992 ten behoeve van   </para>
      <para>[verweerder] werkzaamheden verricht tot omzetting van </para>
      <para>grond.</para>
      <para>(iii) Bij brieven van 27 mei en 16 juli 1992 heeft de    </para>
      <para>Gemeente [verweerder] gelast deze werkzaamheden te beëin-</para>
      <para>digen, op de grond dat hij geen aanlegvergunning had, als </para>
      <para>vereist volgens het voorbereidingsbesluit van 29 november </para>
      <para>1990.</para>
      <para>(iv) 	Bij brief van 21 juli 1992 hebben Gedeputeerde Sta-</para>
      <para>ten van Noord-Holland [verweerder] eveneens gelast de </para>
      <para>werkzaamheden te beëindigen, op de grond dat hij niet be-</para>
      <para>schikte over de ingevolge de Ontgrondingenwet vereiste </para>
      <para>vergunning.</para>
      <para>(v) 	Vervolgens heeft [verweerder] in de maand juli 1992 </para>
      <para>aan de Gemeente verzocht hem een aanlegvergunning te ver-</para>
      <para>lenen, en aan het provinciaal bestuur een ontgrondings-</para>
      <para>vergunning verzocht.</para>
      <para>(vi) 	Het College van burgemeester en wethouders heeft de </para>
      <para>beslissing op het verzoek van [verweerder] bij besluit </para>
      <para>van 11 september 1992 aangehouden. Dit besluit houdt on-</para>
      <para>der meer het volgende in:</para>
      <para>“Ingevolge artikel 46, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke</para>
      <para>Ordening hebben wij besloten de beslissing op uw aanvrage </para>
      <para>aan te houden. De aanhouding duurt totdat omtrent de </para>
      <para>goedkeuring van het bestemmingplan is beslist.(…)</para>
      <para>Geen toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde </para>
      <para>in het achtste lid van artikel 46 omdat naar onze </para>
      <para>mening de grondomzetting niet in overeenstemming </para>
      <para>zou zijn met de doelstellingen van het bestemmingsplan </para>
      <para>Buitengebied, met name wat betreft het conserverende </para>
      <para>karakter van het plan en het streven tot behoud en </para>
      <para>waar mogelijk versterking van de landschappelijke- en natuurwetenschappelijke waarden.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(vii) Tegen dit besluit heeft [verweerder] bij de gemeen-</para>
      <para>teraad een voorziening gevraagd. Naar aanleiding hiervan </para>
      <para>heeft de Gemeente advies ingewonnen bij de Directeur </para>
      <para>Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie van het Ministerie </para>
      <para>van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze heeft bij </para>
      <para>brief van 30 november 1992 laten weten geen overwegende </para>
      <para>bezwaren te hebben tegen het verlenen van de aanlegver-</para>
      <para>gunning.</para>
      <para>(viii)Een schrijven van 5 januari 1993 van het College </para>
      <para>van burgemeester en wethouders aan de Commissie voor </para>
      <para>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting van de Gemeente  </para>
      <para>houdt onder meer in:</para>
      <para>“In het bezwaarschrift wordt terzake van de aanhouding </para>
      <para>door de heer [verweerder] verwezen naar een </para>
      <para>uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad </para>
      <para>van State waarin, in afwijking van vroegere uitspraken, </para>
      <para>de conclusie wordt getrokken dat de aan-</para>
      <para>houdingsplicht niet geldt in een situatie zoals die </para>
      <para>hier aan de orde is, te weten een aanlegvergunning </para>
      <para>gebaseerd op een voorbereidingsbesluit.</para>
      <para>In deze situatie dient de vergunning geweigerd of </para>
      <para>verleend te worden, terwijl ook Gedeputeerde Staten </para>
      <para>geen verklaring van geen bezwaren meer hoeven af te </para>
      <para>geven. Dit onderdeel van het bezwaar achten wij ge-</para>
      <para>grond. Bij de door de gemeenteraad te nemen beslis-</para>
      <para>sing kan hierin worden voorzien.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(ix) 	Op 28 januari 1993 heeft de gemeenteraad de bezwa-</para>
      <para>ren van [verweerder] gegrond verklaard en hem alsnog een </para>
      <para>aanlegvergunning verleend. Op 23 maart 1993 heeft hij een </para>
      <para>ontgrondingsvergunning verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	In deze procedure stelt [verweerder] zich op het </para>
      <para>standpunt dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem heeft </para>
      <para>gehandeld door bij besluit van 11 september 1992 het ver-</para>
      <para>zoek om de aanlegvergunning aan te houden in plaats van </para>
      <para>daarop (in positieve zin) te beslissen, ten gevolge waar-</para>
      <para>van hij schade heeft geleden in de vorm van inkomstender-</para>
      <para>ving en van kosten van juridische bijstand en adviseurs-</para>
      <para>kosten. Hij vordert 1) voor recht te verklaren dat de Ge-</para>
      <para>meente voor die door hem geleden schade aansprakelijk is, </para>
      <para>en 2) de Gemeente te veroordelen tot betaling van een </para>
      <para>schadevergoeding ten bedrage van ƒ 83.708,13 ter zake van </para>
      <para>inkomstenderving en adviseurskosten en tot betaling van </para>
      <para>een nader bij staat op te maken schadevergoeding ter zake </para>
      <para>van de kosten van juridische bijstand.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft de vordering ter zake van de in-</para>
      <para>komensschade niet toewijsbaar geoordeeld, voor recht ver-</para>
      <para>klaard dat de Gemeente aansprakelijk is voor de (overige) </para>
      <para>schade die [verweerder] heeft geleden door de aanhouding </para>
      <para>van de beslissing op [verweerder]’ vergunningaanvraag, en </para>
      <para>de Gemeente veroordeeld tot vergoeding van de door [ver-</para>
      <para>weerder] in de administratieve beroepsprocedure gemaakte </para>
      <para>kosten van juridische bijstand en adviseurskosten, nader </para>
      <para>op te maken bij staat.</para>
      <para>	In hoger beroep heeft het Hof de zaak naar de rol </para>
      <para>verwezen teneinde [verweerder] in de gelegenheid te stel-</para>
      <para>len zijn stellingen met betrekking tot de door hem gele-</para>
      <para>den schade, waaronder de adviseurskosten  en kosten van </para>
      <para>juridische bijstand, te verduidelijken en te onderbouwen </para>
      <para>als in rov. 5.12 aangegeven. Voorafgaand aan die beslis-</para>
      <para>sing heeft het Hof onder meer overwogen (rov. 5.5):</para>
      <para>“Het primaire besluit van de gemeente tot aanhouding van </para>
      <para>de vergunningaanvraag was in strijd met de wettelijke </para>
      <para>regelingen, zoals deze in de jurisprudentie van de Raad </para>
      <para>van State zijn uitgelegd. Het nemen van een besluit in </para>
      <para>strijd met de wet is onrechtmatig en deze onrechtmatigheid </para>
      <para>moet aan de gemeente op grond van verkeersopvattingen worden </para>
      <para>toegerekend, ook als haar geen enkel verwijt zou treffen.”</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>3.3	Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen deze </para>
      <para>overweging met het, door het Hof verworpen, betoog dat  </para>
      <para>het nemen van een primair besluit dat in de bezwaarfase </para>
      <para>wordt herzien niet zonder meer een onrechtmatige daad van </para>
      <para>de Gemeente oplevert welke op grond van de verkeersopvat-</para>
      <para>tingen aan haar kan worden toegerekend. Het Hof had moe-</para>
      <para>ten bezien op grond van welke feiten en omstandigheden de </para>
      <para>onrechtmatige gedraging aan de Gemeente kon worden toege-</para>
      <para>rekend. Behoudens het geval, aldus voorts het onderdeel, </para>
      <para>dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken </para>
      <para>vertoonde, dat gezegd moet worden dat een bestuursorgaan </para>
      <para>tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft geno-</para>
      <para>men, dan wel wanneer sprake is van een bijzonder geval, </para>
      <para>dient de in de bestuurlijke voorprocedure geleden schade </para>
      <para>voor rekening van [verweerder] te blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	Het onderdeel faalt. In cassatie is niet bestreden </para>
      <para>dat het primaire besluit - het besluit tot aanhouding van </para>
      <para>de beslissing op het verzoek om een aanlegvergunning -  </para>
      <para>berust op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve on-</para>
      <para>rechtmatig is. Een zodanig onrechtmatig handelen moet </para>
      <para>steeds aan het betrokken overheidslichaam worden toegere-</para>
      <para>kend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke </para>
      <para>- in de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 BW -  krachtens </para>
      <para>de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van </para>
      <para>dat lichaam komt (HR 20 februari 1998, nr. 16474, NJ </para>
      <para>1998,526).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5	Onderdeel 2 keert zich tegen het in rov. 5.12 van </para>
      <para>het Hof besloten liggende oordeel dat de door [verweer-</para>
      <para>der] gevorderde kosten van juridische bijstand gemaakt in </para>
      <para>de bezwaarfase in beginsel - voorzover [verweerder] erin </para>
      <para>slaagt deze aannemelijk te maken - in aanmerking komen </para>
      <para>voor vergoeding door de Gemeente. Het strekt ten betoge </para>
      <para>dat op het voetspoor van de jurisprudentie van de be-</para>
      <para>stuursrechter moet worden aangenomen dat, behoudens de </para>
      <para>onder 3.2 genoemde uitzonderingsgevallen, de in de be-</para>
      <para>stuurlijke voorprocedure gemaakte kosten van rechtsbij-</para>
      <para>stand niet dienen te worden aangemerkt als redelijke kos-</para>
      <para>ten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als </para>
      <para>bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW dan wel als re-</para>
      <para>delijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten </para>
      <para>rechte als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder c BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6	Ook dit onderdeel faalt. Naar vaste rechtspraak van </para>
      <para>de Hoge Raad kunnen kosten van juridische bijstand in een </para>
      <para>geval als het onderhavige, ook voorzover die kosten ge-</para>
      <para>maakt zijn in de bezwaarfase, op grond van art. 6:96 lid </para>
      <para>2 BW voor vergoeding in aanmerking komen indien zowel het </para>
      <para>inroepen van die bijstand als de kosten daarvan redelijk </para>
      <para>zijn. Anders dan het onderdeel betoogt, bestaat er geen </para>
      <para>grond om voor de toewijsbaarheid van een vordering tot </para>
      <para>vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van </para>
      <para>rechtsbijstand aanvullende eisen te stellen, die niet hun </para>
      <para>grondslag vinden in de regels  die in het algemeen gelden </para>
      <para>voor de toewijsbaarheid van een vordering tot schadever-</para>
      <para>goeding op grond van onrechtmatige daad. Ook de omstan-</para>
      <para>digheid, dat in de geschiedenis van de totstandkoming van </para>
      <para>art. 8:75 Awb tot uitdrukking is gebracht dat de in een </para>
      <para>bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel </para>
      <para>voor rekening van de belanghebbende moeten blijven en </para>
      <para>slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmer-</para>
      <para>king dienen te komen, leidt, anders dan het onderdeel </para>
      <para>kennelijk nog betoogt, niet tot een ander oordeel van de </para>
      <para>burgerlijke rechter dan hiervoor is gegeven. Daarbij kan </para>
      <para>nog worden gewezen op het volgende. Blijkens de geschie-</para>
      <para>denis van de totstandkoming van art. 8:75  heeft de wet-</para>
      <para>gever zich vooralsnog bewust onthouden van regelgeving </para>
      <para>met betrekking tot kosten van rechtsbijstand in de be-</para>
      <para>zwaarfase en regelend optreden afhankelijk gesteld van de </para>
      <para>rechtsontwikkeling (zie Parl. Gesch. Awb, Tweede Tranche, </para>
      <para>blz. 489-491). De wetgever heeft zich voorts op het </para>
      <para>standpunt gesteld “dat de regeling die is getroffen voor </para>
      <para>de kosten van bijstand tijdens de procedure voor de </para>
      <para>rechtbank niet in aanmerking komt voor de bezwaarschrift-</para>
      <para>procedure. Wellicht zou dat tot een te vergaande kosten-</para>
      <para>veroordeling leiden. Een uitsluiting van die kosten is </para>
      <para>ook niet goed mogelijk, omdat er in een aantal gevallen </para>
      <para>duidelijk redenen kunnen zijn om die kosten wel te ver-</para>
      <para>goeden. Dit punt moet dus aan de rechter worden overgela-</para>
      <para>ten.” (Parl. Gesch. Awb, t.a.p. blz 498, rechter kolom).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing</para>
      <para>      	De Hoge Raad:</para>
      <para>	verwerpt het beroep;</para>
      <para>	veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding </para>
      <para>in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van     </para>
      <para>[verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en          </para>
      <para>ƒ 3.000,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president    </para>
      <para>Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman,      </para>
      <para>Herrmann, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het open-</para>
      <para>baar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op        </para>
      <para>17 december 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>