<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:07:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3878</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG7687</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/183 HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3878" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3878</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=49&amp;g=1999-12-17">Wet op de rechterlijke organisatie 49</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=59&amp;g=1999-12-17">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 59</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 251</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 171</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 8</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2000, 33 met annotatie van I.J. Pieters</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3878">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3878 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/183 HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3878:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3878:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nrs. C98/183HR, C98/238HR en C98/239HR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaken C98/183HR, C98/238HR en C98/239HR van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>STICHTING THUISZORG MIDDEN-LIMBURG,</para>
      <para>gevestigd te Roermond,</para>
      <para>EISERES tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr E. Grabandt,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerster],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr P.S. Kamminga.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Verweerster in cassatie [..] heeft bij exploit van </para>
      <para>6 februari 1996 eiseres tot cassatie û verder te noemen: </para>
      <para>Thuiszorg - gedagvaard voor de Kantonrechter te Roermond </para>
      <para>en gevorderd:</para>
      <para>1.	voor recht te verklaren dat het door Thuiszorg aan </para>
      <para>[verweerster] met ingang van 5 mei 1996 verleende </para>
      <para>ontslag kennelijk onredelijk is;</para>
      <para>2.	Thuiszorg te veroordelen om aan [verweerster] te </para>
      <para>betalen een vergoeding ten bedrage van â 100.000,-- </para>
      <para>bruto, althans een door de Kantonrechter in goede </para>
      <para>justitie vast te stellen vergoedingsbedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Thuiszorg heeft de vorderingen bestreden.</para>
      <para>	De Kantonrechter heeft bij vonnis van 11 februari </para>
      <para>1997 de vorderingen afgewezen.</para>
      <para>	Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij de Rechtbank te Roermond.</para>
      <para>	Bij vonnis van 26 februari 1998 heeft de Rechtbank </para>
      <para>voormeld vonnis van de Kantonrechter vernietigd, het op  </para>
      <para>5 mei 1996 door Thuiszorg aan [verweerster] verleende </para>
      <para>ontslag kennelijk onredelijk verklaard, Thuiszorg veroor-</para>
      <para>deeld om aan [verweerster] te betalen, terzake suppletie </para>
      <para>op [verweerster]s uitkering en ter compensatie van de ge-</para>
      <para>leden pensioenbreuk, een bedrag van â 54.000,--, en het </para>
      <para>meer of anders gevorderde afgewezen.</para>
      <para>	Bij fax d.d. 20 april 1998 heeft de procureur van </para>
      <para>[verweerster] gevraagd of het bedrag van â 54.000,-- een </para>
      <para>netto- of een brutobedrag is.</para>
      <para>	Naar aanleiding daarvan heeft de Rechtbank bij her-</para>
      <para>stelvonnis van 7 mei 1998 verklaard dat de veroordeling </para>
      <para>van Thuiszorg tot betaling aan [verweerster] het bruto </para>
      <para>equivalent van â 54.000,-- betreft en bepaald dat deze </para>
      <para>verbetering onder vermelding van de datum van de uit-</para>
      <para>spraak van dit vonnis wordt vermeld op de minuut van vo-</para>
      <para>renbedoeld vonnis van 26 februari 1998.</para>
      <para>	Tegen dit herstelvonnis heeft Thuiszorg bij brief </para>
      <para>van 10 juni 1998 bezwaar gemaakt en verzocht het bedrag </para>
      <para>van â 54.000,-- als een brutobedrag aan te merken.</para>
      <para>	Bij vonnis van 9 juli 1998 heeft de Rechtbank haar </para>
      <para>beslissing van 7 mei 1998 gehandhaafd en nogmaals ver-</para>
      <para>klaard dat de veroordeling van Thuiszorg tot betaling aan </para>
      <para>[verweerster] het bruto equivalent van â 54.000,-- be-</para>
      <para>treft.</para>
      <para>	De vonnissen van 26 februari 1998, 7 mei 1998 en   </para>
      <para>9 juli 1998 van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen het vonnis van 26 februari 1998 en de twee </para>
      <para>herstelvonnissen van 7 mei 1998 en 9 juli 1998 van de </para>
      <para>Rechtbank heeft Thuiszorg afzonderlijk beroep in cassatie </para>
      <para>ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest </para>
      <para>gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>	[Verweerster] heeft telkens geconcludeerd tot ver-</para>
      <para>werping van het beroep.</para>
      <para>	De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun ad-</para>
      <para>vocaten.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt </para>
      <para>in de zaken C98/183HR en C98/238HR tot vernietiging van </para>
      <para>het bestreden vonnis en in de zaak C98/239HR tot verwer-</para>
      <para>ping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van de middelen</para>
      <para>3.1	In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <para>(i) Op 1 november 1970 is [verweerster] bij de rechts-</para>
      <para>voorganger van Thuiszorg in dienst getreden in de functie </para>
      <para>van gezinsverzorgster, laatstelijk tegen een salaris van       </para>
      <para>â 1.346,09 bruto per periode van vier weken, met een </para>
      <para>werkweek van 16 uren.</para>
      <para>(ii) Bij brief van 11 oktober 1995 van Thuiszorg is </para>
      <para>[verweerster] met onmiddellijke ingang geschorst. Bij </para>
      <para>brief van 18 oktober 1995 is zij door Thuiszorg op staan-</para>
      <para>de voet ontslagen. Dat ontslag heeft Thuiszorg later weer </para>
      <para>ingetrokken.</para>
      <para>(iii) Op verzoek van Thuiszorg heeft de Regionaal       </para>
      <para>Directeur voor de Arbeidsvoorziening op 7 december 1995 </para>
      <para>toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [ver-</para>
      <para>weerster] te beÙindigen. Daarop is door Thuiszorg het </para>
      <para>dienstverband met [verweerster] opgezegd tegen 5 mei </para>
      <para>1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 	In dit geding vraagt [verweerster] een verklaring </para>
      <para>voor recht dat het voormelde ontslag kennelijk onredelijk </para>
      <para>is en vordert zij veroordeling van Thuiszorg om aan haar </para>
      <para>te betalen een bedrag van â 100.000,-- bruto, althans een </para>
      <para>in goede justitie te bepalen bedrag. Zij betwist de ont-</para>
      <para>slaggronden en voert aan dat het ontslag haar onevenredig </para>
      <para>zwaar treft, mede omdat Thuiszorg haar geen enkele finan-</para>
      <para>ciÙle vergoeding heeft toegekend. De Kantonrechter heeft </para>
      <para>de vorderingen van [verweerster] afgewezen. In hoger be-</para>
      <para>roep heeft de Rechtbank bij vonnis van 26 februari 1998 </para>
      <para>Thuiszorg veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een </para>
      <para>bedrag van â 54.000,--, waarvan â 14.000,-- als suppletie </para>
      <para>op haar uitkering en â 40.000,-- ter zake van pensioen-</para>
      <para>schade. De procureur van [verweerster] heeft bij fax van </para>
      <para>20 april 1998 aan de Rechtbank verzocht hem mee te delen </para>
      <para>of het bedrag van â 54.000,-- een netto- of een brutobe-</para>
      <para>drag is. De (enkelvoudige kamer van de) Rechtbank heeft </para>
      <para>daarop op 7 mei 1998 een ôherstelvonnisö gewezen waarin </para>
      <para>zij overweegt dat zij aan [verweerster] een netto vergoe-</para>
      <para>ding had willen toekennen en dat er door het achterwege </para>
      <para>laten hiervan sprake is van een kennelijke û ook voor </para>
      <para>partijen kenbare û en voor eenvoudig herstel vatbare ver-</para>
      <para>gissing. De Rechtbank verbetert haar eerdere vonnis met </para>
      <para>het volgende dictum: "verklaart dat de veroordeling van </para>
      <para>Thuiszorg tot betaling aan [verweerster] het bruto equi-</para>
      <para>valent van â 54.000,-- (à) betreft". Op 9 juli 1998 wijst </para>
      <para>de (enkelvoudige kamer van de) Rechtbank opnieuw een her-</para>
      <para>stelvonnis in deze zaak, waarin zij overweegt dat zij </para>
      <para>ôper abuisö de procureur van Thuiszorg niet in de gele-</para>
      <para>genheid heeft gesteld te reageren op voormelde fax van 20 </para>
      <para>april 1998, alsmede dat zij na die gelegenheid alsnog te </para>
      <para>hebben gegeven in diens reactie geen aanleiding ziet haar </para>
      <para>beslissing te dezer zake te wijzigen. De Rechtbank merkt </para>
      <para>daarbij op dat zij in haar vonnis van 26 februari 1998 </para>
      <para>heeft gesproken over een suppletie op de uitkering, juist </para>
      <para>om aan te geven dat het een netto vergoeding betrof. </para>
      <para>Thuiszorg heeft van de drie hierv¾¾r vermelde vonnissen </para>
      <para>telkens afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. De Ho-</para>
      <para>ge Raad zal deze beroepen gezamenlijk behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3	Onderdeel 1 van het middel dat zich keert tegen het </para>
      <para>vonnis van 26 februari 1998, treft doel. De Rechtbank is </para>
      <para>in haar overwegingen dat het op de weg van de werkgever </para>
      <para>ligt omstandigheden aan te voeren, welke (i) aantonen dat </para>
      <para>het belang van de werkgever bij beÙindiging van het </para>
      <para>dienstverband in verhouding tot het belang van de werkne-</para>
      <para>mer bij continuering van bijzonder gewicht is, en (ii) </para>
      <para>het ontbreken van een financiÙle regeling rechtvaardigen, </para>
      <para>uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij </para>
      <para>daarbij heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast ten </para>
      <para>aanzien van het bestaan van de kennelijke onredelijkheid </para>
      <para>van een ontslag op de werknemer rusten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	De Rechtbank heeft in dat vonnis voorts overwogen </para>
      <para>dat het ervoor moet worden gehouden dat [verweerster] als </para>
      <para>gevolg van het onderhavige ontslag in een slechte finan-</para>
      <para>ciÙle positie is komen te verkeren, welke positie, gelet </para>
      <para>op haar leeftijd en de daaruit voortvloeiende niet al te </para>
      <para>rooskleurige positie op de arbeidsmarkt, niet op korte </para>
      <para>termijn zal verbeteren. Onderdeel 3 onder a van het mid-</para>
      <para>del voert terecht aan dat deze overweging zonder nadere </para>
      <para>motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat de </para>
      <para>Rechtbank niet is ingegaan op het, ter zake dienend, ver-</para>
      <para>weer van Thuiszorg dat [verweerster] zeer wel in staat is </para>
      <para>om in gezinnen als huishoudelijke hulp te gaan werken, </para>
      <para>terwijl voorts in haar eigen functie meer dan voldoende </para>
      <para>werk is te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5 	Onderdeel 5 van het middel klaagt er terecht over </para>
      <para>dat uit het vonnis van de Rechtbank niet blijkt of het </para>
      <para>bedrag van â 54.000,-- bruto of netto is bedoeld, waar-</para>
      <para>door het vonnis ontoelaatbaar onduidelijk is. De latere </para>
      <para>verbetering van het vonnis û welke verbetering zoals </para>
      <para>hierna zal blijken niet toelaatbaar is û brengt daarin </para>
      <para>geen verandering, nu zonder motivering onbegrijpelijk </para>
      <para>blijft waarom de Rechtbank, na te hebben overwogen dat </para>
      <para>het gevorderde bedrag van â 100.000,-- bruto niet passend </para>
      <para>is, wÞl een bedrag van â 54.000,-- netto toewijsbaar </para>
      <para>acht. De door de Rechtbank in haar tweede herstelvonnis </para>
      <para>gegeven motivering (zoals hiervoor in 3.2 vermeld) is on-</para>
      <para>toereikend, omdat een suppletie ook in de vorm van een </para>
      <para>bruto-bedrag kan worden toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6 	Het vonnis van 26 februari 1998 kan derhalve niet </para>
      <para>in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7	De beide herstelvonnissen zullen reeds op grond van </para>
      <para>het vorenstaande het lot van het vonnis van 26 februari </para>
      <para>1998 moeten delen. De Rechtbank is bovendien buiten het </para>
      <para>toepassingsgebied getreden van de in de rechtspraak ont-</para>
      <para>wikkelde regel van procesrecht die verbetering van een </para>
      <para>uitspraak toelaat als daarin een kennelijke, ook voor </para>
      <para>partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare ver-</para>
      <para>schrijving voorkomt, nu in dit geval geenszins sprake was </para>
      <para>van een zodanige verschrijving. De Rechtbank heeft voorts </para>
      <para>het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden door </para>
      <para>Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een </para>
      <para>eventuele verbetering uit te laten v¾¾rdat zij haar von-</para>
      <para>nis verbeterde. Op deze gronden treffen de klachten tegen </para>
      <para>de beide vonnissen doel. De Hoge Raad merkt hierbij nog </para>
      <para>op dat deze vonnissen in strijd met het bepaalde in arti-</para>
      <para>kel 49 lid 3 RO zijn gewezen door de enkelvoudige kamer. </para>
      <para>Ook afgezien van dat voorschrift levert de verbetering </para>
      <para>van een vonnis van de meervoudige kamer door de enkelvou-</para>
      <para>dige kamer een essentieel verzuim op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.8	De overige klachten kunnen onbesproken blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing</para>
      <para>	De Hoge Raad:</para>
      <para>	vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te     </para>
      <para>Roermond van 26 februari 1998, 7 mei 1998 en 9 juli 1998;</para>
      <para>	verwijst het geding naar het Gerechtshof te       </para>
      <para>'s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;</para>
      <para>	veroordeelt [verweerster] in de kosten van de ge-</para>
      <para>dingen in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde </para>
      <para>van Thuiszorg begroot op â 694,80 (C98/183HR), â 684,60 </para>
      <para>(C98/238HR) en â 688,-- (C98/239HR) aan verschotten en op          </para>
      <para>â 3.500,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president    </para>
      <para>Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Van </para>
      <para>der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman en Hammerstein, en </para>
      <para>in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk  </para>
      <para>op 17 december 1999</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>