<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:22:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3877</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/021HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3877" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3877</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 241</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 121</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 2</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3877 Hoge Raad , 17-12-1999 / R99/021HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Rek.nr. R99/021HR</para>
      <para>CS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Beschikking</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De man],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr D. Koningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND VAN </para>
      <para>DE GEMEENTE APELDOORN,</para>
      <para>                 zetelend te Apeldoorn,</para>
    </parablock>
    <para>    </para>
    <para>                 VERWEERSTER in cassatie,</para>
    <para>  </para>
    <para>                 niet verschenen,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. [de vrouw],</para>
      <para>   wonende te [woonplaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3. [de nieuwe man],</para>
      <para>                 wonende te [woonplaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VERWEERDERS in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr T.A. Kruit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Met een op 21 november 1997 ter griffie van de </para>
      <para>Rechtbank te Zutphen ingekomen verzoekschrift heeft ver-</para>
      <para>zoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich ge-</para>
      <para>wend tot die Rechtbank en verzocht, voor zover mogelijk </para>
      <para>bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat </para>
      <para>[de dochter], geboren op [geboortejaar] 1992, door hem </para>
      <para>wordt erkend, dan wel hij het recht heeft om haar te er-</para>
      <para>kennen, en dat verweerster in cassatie sub 1 - verder te </para>
      <para>noemen: de Gemeente - alsmede iedere andere gemeente waar </para>
      <para>[de dochter] te eniger tijd is ingeschreven in het bevol-</para>
      <para>kingsregister, verplicht is om mee te werken aan het op-</para>
      <para>maken van een akte van erkenning van haar door de man. De </para>
      <para>man heeft bij brief van 18 maart 1998 beroep ingesteld </para>
      <para>tegen de erkenning op 11 september 1997 van voornoemde </para>
      <para>minderjarige door verweerder in cassatie sub 3, hierna: </para>
      <para>[de nieuwe man].</para>
      <para>	De Gemeente en verweerster in cassatie sub 2 - ver-</para>
      <para>der te noemen: de vrouw - hebben het verzoek bestreden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 1998 </para>
      <para>de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen </para>
      <para>de erkenning en de overige verzoeken afgewezen.</para>
      <para>	Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft </para>
      <para>hij het Hof verzocht die beschikking te vernietigen en, </para>
      <para>nader rechtdoende bij beschikking en voor zover mogelijk </para>
      <para>uitvoerbaar bij voorraad, zijn verzoek tot vernietiging </para>
      <para>van de erkenning van voornoemde minderjarige door [de </para>
      <para>nieuwe man] alsnog in te willigen en voorts om hem alsnog </para>
      <para>ontvankelijk te verklaren in zijn beroep tegen de weige-</para>
      <para>ring door de Gemeente en om vervolgens dat beroep gegrond </para>
      <para>te verklaren.</para>
      <para>	Bij beschikking van 8 december 1998 heeft het Hof </para>
      <para>de beschikking van de Rechtbank te Zutphen van 10 juni </para>
      <para>1998 bekrachtigd. </para>
      <para>	De beschikking van het Hof is aan deze beschikking </para>
      <para>gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen de beschikking van het Hof heeft de man be-</para>
      <para>roep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan de-</para>
      <para>ze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	De vrouw en [de nieuwe man] hebben verzocht het be-</para>
      <para>roep te verwerpen.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitenge-</para>
      <para>wone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het be-</para>
      <para>roep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van het middel</para>
      <para>3.1	In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <para>(i)	Uit de relatie van de moeder en de man is op [ge-</para>
      <para>boortejaar] 1992 [de dochter] (hierna: het kind) geboren. </para>
      <para>De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk ge-</para>
      <para>zag over het kind.</para>
      <para>(ii)	Nadat de relatie na de geboorte van het kind enige </para>
      <para>tijd verbroken is geweest, is het gezinsverband tussen de </para>
      <para>man, de moeder en het kind in 1993 hersteld. De moeder </para>
      <para>heeft in mei 1995 de woning verlaten. De man is in de wo-</para>
      <para>ning achtergebleven en heeft, met uitzondering van een </para>
      <para>periode in november 1995 waarin de moeder met het kind in </para>
      <para>een Blijf van mijn Lijf huis verbleef, tot december 1996 </para>
      <para>voor het kind gezorgd. </para>
      <para>(iii) Op enig tijdstip rond december 1995, januari 1996, </para>
      <para>heeft de moeder erin toegestemd dat de man het kind zou </para>
      <para>erkennen, maar deze toestemming heeft zij later weer in-</para>
      <para>getrokken.</para>
      <para>(iv)	Sinds 12 december 1996 verblijft het kind bij de </para>
      <para>moeder. Bij beschikking van die datum heeft de rechtbank </para>
      <para>een verzoek van de man tot ontzetting van de moeder uit </para>
      <para>het ouderlijk gezag afgewezen. Bij beschikking van het </para>
      <para>Hof van 27 mei 1997 is die beschikking bekrachtigd.</para>
      <para>(v)	Op 11 september 1997 is het kind erkend door [de </para>
      <para>nieuwe man]. Op 12 maart 1998 is de moeder met [de nieuwe </para>
      <para>man] gehuwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	Bij brief van 7 oktober 1997 heeft de man de     </para>
      <para>Gemeente laten weten dat hij het kind wilde erkennen. De </para>
      <para>ambtenaar van de burgerlijke stand deelde hem daarop mee </para>
      <para>dat hij niet tot erkenning werd toegelaten. Als reden </para>
      <para>werd opgegeven dat wettelijke beletselen erkenning door </para>
      <para>de man in de weg stonden, en dat bovendien de uitdrukke-</para>
      <para>lijke toestemming van de moeder van de minderjarige ont-</para>
      <para>brak. </para>
      <para>De man heeft hierop de Rechtbank verzocht te bepa-</para>
      <para>len dat de ambtenaar van de burgerlijke stand verplicht </para>
      <para>is mee te werken aan het opmaken van een akte van erken-</para>
      <para>ning, omdat hij de biologische vader van het kind is, hij </para>
      <para>gedurende enige perioden voor het kind heeft gezorgd, en </para>
      <para>de moeder in december 1995 met erkenning had ingestemd. </para>
      <para>Nadat de Gemeente had meegedeeld dat het kind op 11   </para>
      <para>september 1997 was erkend door [de nieuwe man] en nadat </para>
      <para>gebleken was dat de moeder en [de nieuwe man] op 12 maart </para>
      <para>1998 met elkaar waren gehuwd, heeft de man zijn verzoek </para>
      <para>aangevuld in die zin dat hij als derde-belanghebbende be-</para>
      <para>roep instelt tegen de erkenning door [de nieuwe man]. De </para>
      <para>Rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in </para>
      <para>zijn  beroep tegen de erkenning en de overige verzoeken </para>
      <para>afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat het </para>
      <para>verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning door </para>
      <para>[de nieuwe man] niet kan worden ingewilligd en dat de </para>
      <para>ambtenaar op juiste gronden heeft geweigerd de man tot </para>
      <para>erkenning van het kind toe te laten (rov. 4.5). Het Hof </para>
      <para>heeft daartoe in rov. 4.4 als volgt overwogen: </para>
      <para>“Artikel 1:225 BW(oud) biedt de man inderdaad geen </para>
      <para>bevoegdheid tot vernietiging van de erkenning van </para>
      <para>[de dochter]. Toch levert dat gegeven - anders dan </para>
      <para>de man betoogt - in dit geval geen strijd op met </para>
      <para>artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de </para>
      <para>Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden </para>
      <para>(verder: EVRM), noch met artikel 26 van het      </para>
      <para>Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en   </para>
      <para>Politieke Rechten noch met het Verdrag inzake de </para>
      <para>Rechten van het Kind. Dit zou mogelijk anders zijn, </para>
      <para>indien de moeder de man toestemming tot erkenning </para>
      <para>zou hebben onthouden doch aan [de nieuwe man] wel </para>
      <para>toestemming tot erkenning zou hebben gegeven, vóór-</para>
      <para>dat de man vervangende toestemming had kunnen vra-</para>
      <para>gen aan de rechter (zie Nota naar aanleiding van </para>
      <para>het    Verslag, Tweede Kamer 1996/1997 24 649, num-</para>
      <para>mer 6 pagina 40). Daarvan is in dit geval echter </para>
      <para>geen sprake, zoals blijkt uit de feiten. De man </para>
      <para>heeft naar het oordeel van het hof ruimschoots de </para>
      <para>gelegenheid tot het vragen van vervangende toestem-</para>
      <para>ming gehad. Indien de verwekker van zijn mogelijk-</para>
      <para>heid om het kind te erkennen geen gebruik heeft ge-</para>
      <para>maakt    - zoals hier het geval -, is er geen reden </para>
      <para>om hem achteraf de mogelijkheid te bieden de erken-</para>
      <para>ning door een andere man te laten vernietigen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	Onderdeel I van het middel betoogt dat het oordeel </para>
      <para>van het Hof, dat in het onderhavige geval het ontbreken </para>
      <para>voor de man van de bevoegdheid tot vernietiging van de </para>
      <para>erkenning door een ander niet in strijd is met de in zijn </para>
      <para>uitspraak genoemde verdragen, van een onjuiste rechtsop-</para>
      <para>vatting uitgaat, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. </para>
      <para>Het voert daarbij aan dat het oordeel dat de man te lang </para>
      <para>zou hebben gewacht met het vragen van vervangende toe-</para>
      <para>stemming geen reden kan zijn het beroep van de man op de </para>
      <para>nietigheid van de erkenning van de hand te wijzen, nu de </para>
      <para>man niet tot erkenning is overgegaan omdat (a) in de pe-</para>
      <para>riode 1993 tot na januari 1996 bij de man en de moeder de </para>
      <para>gedachte leefde dat de moeder door een erkenning van het </para>
      <para>kind haar recht op een bijstandsuitkering zou verliezen, </para>
      <para>(b) er gedurende lange tijd kennelijk geen directe aan-</para>
      <para>leiding voor de man was om vervangende toestemming te </para>
      <para>vragen, en (c) men niet gemakkelijk kennis kan nemen van </para>
      <para>de mogelijkheid vervangende toestemming te verkrijgen, nu </para>
      <para>het hier jurisprudentierecht betreft. Voorts voert het </para>
      <para>onderdeel aan dat het Hof ten onrechte de afwijzing van </para>
      <para>het beroep op art. 8 EVRM niet heeft gebaseerd op een be-</para>
      <para>langenafweging. </para>
      <para>Onderdeel II komt met een motiveringsklacht op te-</para>
      <para>gen het oordeel van het Hof dat er geen sprake van is ge-</para>
      <para>weest dat de moeder de man toestemming tot erkenning </para>
      <para>heeft onthouden en aan [de nieuwe man] wel toestemming </para>
      <para>heeft gegeven, vóórdat de man vervangende toestemming had </para>
      <para>kunnen vragen, omdat de man ruimschoots de gelegenheid </para>
      <para>heeft gehad tot het vragen van vervangende toestemming. </para>
      <para>Onderdeel III bestrijdt ’s Hofs oordeel dat indien </para>
      <para>de verwekker van zijn mogelijkheid om het kind te erken-</para>
      <para>nen geen gebruik heeft gemaakt, er geen reden is hem ach-</para>
      <para>teraf de mogelijkheid te bieden de erkenning door een an-</para>
      <para>dere man te laten vernietigen.	</para>
      <para>De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behande-</para>
      <para>ling. </para>
      <para>3.5	In de onderhavige zaak is het vóór 1 april 1998 </para>
      <para>geldende afstammingsrecht van toepassing. Onder dat recht </para>
      <para>zijn in de rechtspraak de volgende regels aanvaard. </para>
      <para>Redelijke, met art. 8 EVRM rekening houdende uitleg </para>
      <para>van art. 1:224 (oud) BW brengt mee dat wanneer de weige-</para>
      <para>ring van de moeder om aan de biologische vader toestem-</para>
      <para>ming te geven tot erkenning, slechts kan worden opgevat </para>
      <para>als misbruik van de in dat artikel besloten liggende be-</para>
      <para>voegdheid, erkenning alsnog tot stand kan komen langs de </para>
      <para>weg van een de ontbrekende toestemming vervangende rech-</para>
      <para>terlijke uitspraak (HR 8 april 1988, nr. 7272, NJ 1989, </para>
      <para>170).</para>
      <para>In de gebruikelijke situatie, waarin de moeder het </para>
      <para>ouderlijk gezag over de minderjarige heeft en daarmee in </para>
      <para>gezinsverband samenleeft en deze verzorgt en opvoedt, zal </para>
      <para>niet licht kunnen worden aangenomen dat een weigering van </para>
      <para>de moeder om aan de biologische vader toestemming te ge-</para>
      <para>ven tot erkenning is aan te merken als misbruik van be-</para>
      <para>voegdheid; het gaat er daarbij niet om of de door de moe-</para>
      <para>der naar voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de </para>
      <para>belangen van de vader, maar of de moeder in feite geen </para>
      <para>enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft   </para>
      <para>(HR 18 mei 1990, nr. 7546, NJ 1991, 374). </para>
      <para>Zou moeten worden aangenomen dat, beoordeeld naar </para>
      <para>voormelde maatstaf, de moeder haar bevoegdheid tot weige-</para>
      <para>ren van toestemming tot erkenning heeft misbruikt, en </para>
      <para>vervolgens toestemming heeft verleend tot erkenning door </para>
      <para>een andere man met geen ander doel dan aan de vader ver-</para>
      <para>wezenlijking van diens uit art. 8 lid 1 EVRM voortvloei-</para>
      <para>ende aanspraak op erkenning te onthouden, dan staat ge-</para>
      <para>noemde bepaling eraan in de weg die toestemming als </para>
      <para>rechtsgeldig aan te merken, hetgeen meebrengt dat de met </para>
      <para>zodanige toestemming gedane erkenning ingevolge het be-</para>
      <para>paalde in art. 1:224 lid 1, aanhef en onder d, (oud) BW, </para>
      <para>nietig is (HR 22 februari 1991, nr. 7815, NJ 1991, 376).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6	In de onderhavige zaak, waarin de man vernietiging </para>
      <para>heeft verzocht van de door [de nieuwe man] gedane erken-</para>
      <para>ning, gaat het derhalve om de vraag of de moeder misbruik </para>
      <para>van de uit art. 1:224 lid 1, aanhef en onder d, voor haar </para>
      <para>voortvloeiende bevoegdheid heeft gemaakt door aan de man </para>
      <para>de toestemming tot erkenning te onthouden, maar die wel </para>
      <para>te verlenen aan [de nieuwe man]. </para>
      <para>In ’s Hofs bestreden overwegingen ligt besloten het </para>
      <para>oordeel dat de moeder een te respecteren belang heeft bij </para>
      <para>haar weigering toestemming te geven tot erkenning van het </para>
      <para>kind door de man, zodat zij van haar bevoegdheid om die </para>
      <para>toestemming te onthouden geen misbruik heeft gemaakt. In </para>
      <para>het licht van de hiervoor in 3.5 vermelde rechtspraak en </para>
      <para>gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, </para>
      <para>waarin de moeder het ouderlijk gezag heeft, het kind in </para>
      <para>het gezin van de moeder verblijft, de man gedurende ge-</para>
      <para>ruime tijd geen stappen tot erkenning heeft genomen en de </para>
      <para>moeder inmiddels met de erkenner is gehuwd, geven ’s Hofs </para>
      <para>oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij </para>
      <para>zijn zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard </para>
      <para>dat zij voor het overige in cassatie niet op hun juist-</para>
      <para>heid kunnen worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrij-</para>
      <para>pelijk. </para>
      <para>Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Beslissing</para>
      <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Jansen en Van der Putt-Lauwers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>