<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3876</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:22:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3876</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG3685</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/139HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3876" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3876</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 250</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 140</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 7</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2000/69</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3876">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3876</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3876 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/139HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3876:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3876:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>Eerste Kamer</para>
      <para>Nr. C98/139HR</para>
      <para>AT</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiser],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>EISER tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr J.E. Molenaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>MAKELAARDIJ [verweerster] B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het geding in feitelijke instanties</para>
      <para>	Nadat verweerster in cassatie [..] bij herstelex-</para>
      <para>ploit van 13 september 1995 een correctie had aangebracht </para>
      <para>in haar naam, heeft zij bij met het exploit van dagvaar-</para>
      <para>ding van 28 augustus 1995 overeenstemmende conclusie van </para>
      <para>eis gevorderd eiser tot cassatie [..] te veroordelen om </para>
      <para>aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 5.372,72, </para>
      <para>te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 6.055,02 </para>
      <para>vanaf 13 juli 1995 tot en met 4 augustus 1995 en de wet-</para>
      <para>telijke rente over ƒ 5.372,72 vanaf 4 augustus 1995, en </para>
      <para>voorts te vermeerderen met een bedrag van ƒ 605,-- aan </para>
      <para>buitengerechtelijke incassokosten.</para>
      <para>	[Eiser] heeft de vordering bestreden.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 november </para>
      <para>1996 [eiser] tot bewijslevering toegelaten.</para>
      <para>	Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep </para>
      <para>ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. [Verweerster] </para>
      <para>heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>	Bij arrest van 22 januari 1998 heeft het Hof het </para>
      <para>bestreden tussenvonnis bekrachtigd en de zaak naar de </para>
      <para>Rechtbank te Alkmaar verwezen ter verdere behandeling en </para>
      <para>beslissing.</para>
      <para>	Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep </para>
      <para>in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit </para>
      <para>arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek </para>
      <para>verleend.</para>
      <para>	[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn ad-</para>
      <para>vocaat.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp </para>
      <para>strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot </para>
      <para>verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te         </para>
      <para>'s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Beoordeling van het middel</para>
      <para>3.1   In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <para>(i)  	Op 20 april 1995 is een bemiddelingsovereenkomst </para>
      <para>tot stand gekomen tussen [verweerster] en [eiser] met be-</para>
      <para>trekking tot de verkoop van de aan [eiser] toebehorende </para>
      <para>woning aan de  Westerboekelweg  20A te Hoogwoud.</para>
      <para>(ii) 	De aan [eiser] op diezelfde dag toegezonden op-</para>
      <para>drachtbevestiging is door hem niet ondertekend en gere-</para>
      <para>tourneerd. In deze opdrachtbevestiging worden de Voor-</para>
      <para>waarden en Tarieven 1985, zoals vastgesteld door de Ne-</para>
      <para>derlandse Vereniging van Makelaars in onroerende goederen </para>
      <para>NVM (hierna: NVM voorwaarden), op de overeenkomst tussen </para>
      <para>[eiser] en [verweerster] van toepassing verklaard.</para>
      <para>(iii) [Eiser] heeft de bemiddelingsovereenkomst medio juni </para>
      <para>1995 opgezegd.</para>
      <para>(iv) 	[Eiser] heeft op 4 augustus 1995 de advertentiekos-</para>
      <para>ten en de kadastrale recherchekosten ten bedrage van f </para>
      <para>682,30 betaald.</para>
      <para>(v)  	De woning is op of omstreeks 6 juli 1995 door [ei-</para>
      <para>ser] aan [koper] verkocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2  	[Verweerster] vordert in dit geding courtage. Aan </para>
      <para>haar vordering heeft zij primair ten grondslag gelegd dat </para>
      <para>op de met [eiser] gesloten bemiddelingsovereenkomst de </para>
      <para>NVM voorwaarden van toepassing zijn en dat ingevolge art. </para>
      <para>II 16 van die voorwaarden [eiser] aan [verweerster] make-</para>
      <para>laarscourtage en advertentiekosten verschuldigd is gewor-</para>
      <para>den, nu [eiser] binnen drie maanden na beëindiging van de </para>
      <para>bemiddelingsovereenkomst het pand aan [koper] heeft ver-</para>
      <para>kocht. Subsidiair heeft zij betoogd dat, indien de NVM </para>
      <para>voorwaarden niet van toepassing zijn, [eiser] in ieder </para>
      <para>geval toch courtage is verschuldigd, omdat hij door de </para>
      <para>verkoopopdracht te beëindigen met als uitsluitend doel om </para>
      <para>een rechtstreekse verkoop aan [koper] tot stand te bren-</para>
      <para>gen en aldus aan zijn courtageverplichting te ontkomen, </para>
      <para>te kwader trouw en onrechtmatig jegens haar heeft gehan-</para>
      <para>deld.</para>
      <para>	[Eiser] heeft onder meer met een beroep op art.     </para>
      <para>6:233, aanhef en onder b, in verbinding met art. 6:234 </para>
      <para>BW, ontkend dat de NVM voorwaarden van toepassing zijn. </para>
      <para>Tevens is hij van oordeel dat hij op geen enkele wijze </para>
      <para>onrechtmatig tegenover [verweerster] heeft gehandeld.</para>
      <para>	De Rechtbank heeft geoordeeld dat partijen geen </para>
      <para>overeenstemming hebben bereikt over de toepasselijkheid </para>
      <para>van de NVM voorwaarden, zodat zij geen deel uitmaken van </para>
      <para>de tussen partijen gesloten overeenkomst. Vervolgens </para>
      <para>heeft de Rechtbank [eiser] toegelaten tot het door hem </para>
      <para>uitdrukkelijk aangeboden bewijs van zijn stelling dat - </para>
      <para>kort gezegd - de bemiddelingsovereenkomst slechts voor </para>
      <para>twee maanden was aangegaan en dat [eiser], indien binnen </para>
      <para>die termijn geen resultaat zou zijn bereikt, de opdracht </para>
      <para>zou intrekken en tegenover [verweerster] geen andere ver-</para>
      <para>plichting dan betaling van advertentiekosten zou hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3  In hoger beroep heeft [eiser] betoogd dat voor een </para>
      <para>bewijsopdracht aan hem geen aanleiding meer bestond, nu </para>
      <para>immers is beslist dat de NVM voorwaarden niet van toepas-</para>
      <para>sing zijn, terwijl [verweerster] heeft betoogd dat de NVM </para>
      <para>voorwaarden wel van toepassing zijn, zodat de Rechtbank </para>
      <para>haar vordering onmiddellijk had moeten toewijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.4  Het Hof heeft in zijn rov. 4.5 geoordeeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Algemene voorwaarden zijn van toepassing indien </para>
      <para>zij deel uitmaken van de overeenkomst. Aan de in-</para>
      <para>houd van de opdrachtbevestiging die [verweerster] </para>
      <para>terstond na het sluiten van de overeenkomst aan </para>
      <para>[eiser] heeft toegezonden en die [eiser] aanvanke-</para>
      <para>lijk zonder protest heeft behouden, valt het ver-</para>
      <para>moeden te ontlenen dat de NVM voorwaarden deel uit-</para>
      <para>maken van de onderhavige bemiddelingsovereenkomst. </para>
      <para>Anders dan [eiser] betoogt, is daartoe niet vereist </para>
      <para>dat hij die opdrachtbevestiging heeft ondertekend </para>
      <para>en aan [verweerster] heeft geretourneerd. De om-</para>
      <para>standigheid dat de voorwaarden niet aan [eiser] </para>
      <para>zijn toegezonden en dat de orderbevestiging niet </para>
      <para>aangeeft op welke wijze [eiser] van de inhoud van </para>
      <para>de voorwaarden kennis kan nemen, is eveneens irre-</para>
      <para>levant, nu [eiser] geen vernietiging van enig be-</para>
      <para>ding in de voorwaarden vordert.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Vervolgens heeft het Hof in rov. 4.6 geoordeeld dat </para>
      <para>wel ter zake is de stelling van [eiser] dat de NVM voor-</para>
      <para>waarden toepassing missen, aangezien [verweerster] en hij </para>
      <para>een bijzondere van de NVM voorwaarden afwijkende overeen-</para>
      <para>komst zijn aangegaan. In rov. 4.8 is het Hof tot de slot-</para>
      <para>som gekomen dat de Rechtbank terecht [eiser] heeft toege-</para>
      <para>laten tot het bewijs van zijn stelling met betrekking tot </para>
      <para>de bijzondere overeenkomst. Het Hof heeft vervolgens het </para>
      <para>bestreden vonnis bekrachtigd met verbetering van gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5  	Het middel keert zich tegen de laatste zin van  </para>
      <para>rov. 4.5. </para>
      <para>	Voor zover het Hof aldaar zou hebben geoordeeld dat </para>
      <para>[eiser] zich niet op de vernietigingsgrond van art. 6:233 </para>
      <para>onder b in verbinding met art. 6:234 BW heeft beroepen, </para>
      <para>is dat oordeel in het licht van de in onderdeel 2 vermel-</para>
      <para>de passages uit de gedingstukken onbegrijpelijk.</para>
      <para>	Voor zover het Hof ervan mocht zijn uitgegaan dat </para>
      <para>voor zulk een beroep een (reconventionele) vordering is </para>
      <para>vereist, heeft het Hof miskend dat ingevolge het bepaalde </para>
      <para>in art. 3:51 lid 3 BW een beroep in rechte op een vernie-</para>
      <para>tigingsgrond te allen tijde kan worden gedaan ter afwe-</para>
      <para>ring van een op een rechtshandeling steunende vordering </para>
      <para>en dat aanvaarding van dat beroep vernietiging van de </para>
      <para>rechtshandeling meebrengt.</para>
      <para>	Mocht het Hof hebben geoordeeld dat een beroep op </para>
      <para>voormelde vernietigingsgrond uitsluitend één of meer spe-</para>
      <para>cifieke bedingen in algemene voorwaarden kan betreffen en </para>
      <para>niet het gehele samenstel van die voorwaarden, geeft ook </para>
      <para>dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. </para>
      <para>Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1583 - 1585). </para>
      <para>Heeft de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke </para>
      <para>mogelijkheid geboden om van de toepasselijke algemene </para>
      <para>voorwaarden kennis te nemen, dan staat het de wederpartij </para>
      <para>vrij zich te beroepen op de vernietigbaarheid van die </para>
      <para>voorwaarden in hun geheel.</para>
      <para>	De op het voorgaande gerichte klachten van het mid-</para>
      <para>del treffen derhalve doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.  	Beslissing</para>
      <para>	De Hoge Raad:</para>
      <para>	vernietigt het arrest van het Gerechtshof te      </para>
      <para>Amsterdam van 22 januari 1998;</para>
      <para>	verwijst het geding ter verdere behandeling en be-</para>
      <para>slissing naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage;</para>
      <para>	veroordeelt [verweerster] in de kosten van het ge-</para>
      <para>ding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van </para>
      <para>[eiser] begroot op ƒ 714,02 aan verschotten en ƒ 3.500,-- </para>
      <para>voor salaris. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president    </para>
      <para>Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann en Van </para>
      <para>der Putt-Lauwers, en in het openbaar uitgesproken door de </para>
      <para>raadsheer Heemskerk op 17 december 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Mr. Hartkamp</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>				Conclusie inzake</para>
      <para>nr. C 98/139</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>				[Eiser]</para>
      <para>Zitting 1 oktober 1999</para>
      <para>				Tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>				Makelaardij [verweerster] B.V.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de in cassatie relevante feiten verwijs ik naar </para>
      <para>r.o. 4.1 van 's hofs (tijdig) in cassatie bestreden </para>
      <para>arrest van 22 januari 1998. Het procesverloop wordt </para>
      <para>aldaar kort beschreven in de r.o. 4.2 en 4.3.</para>
      <para>In r.o. 4.5, laatste zin, heeft het hof overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"De omstandigheid dat de voorwaarden niet aan </para>
      <para>[eiser] zijn toegezonden en dat de orderbevesti-</para>
      <para>ging niet aangeeft op welke wijze [eiser] van de </para>
      <para>inhoud van de voorwaarden kennis kan nemen, is </para>
      <para>eveneens irrelevant, nu [eiser] geen vernieti-</para>
      <para>ging van enig beding in de voorwaarden vordert."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uit drie klachten bestaande, schriftelijk toegelichte1 </para>
      <para>cassatiemiddel wordt m.i. terecht voorgesteld. </para>
      <para>Zou het hof hebben bedoeld dat [eiser] zich niet op </para>
      <para>de vernietigingsgrond van art. 6:233 onder b in verbin-</para>
      <para>ding met art. 6:234 heeft beroepen, dan zou zulks in het </para>
      <para>licht van de in de tweede klacht aangegeven passages in </para>
      <para>de gedingstukken (zie ook memorie van antwoord in inci-</para>
      <para>denteel appèl onder 8 en 9) onbegrijpelijk zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zou het hof hebben gemeend dat voor een dergelijk </para>
      <para>beroep een (reconventionele) vordering nodig is, dan zou </para>
      <para>dat, zoals de eerste klacht terecht aanvoert, blijk geven </para>
      <para>van een onjuiste rechtsopvatting; vgl. art. 3:51 lid 3 BW </para>
      <para>en Asser-Hartkamp 4-II (1997), nr. 472. Zoals uit die be-</para>
      <para>paling blijkt, kan een beroep in rechte op een vernieti-</para>
      <para>gingsgrond te allen tijde worden gedaan ter afwering van </para>
      <para>een op de rechtshandeling steunende vordering; wanneer de </para>
      <para>rechter dat beroep aanvaardt, wordt daardoor de rechts-</para>
      <para>handeling (in dit geval: de algemene voorwaarden) vernie-</para>
      <para>tigd. Vgl. ook HR 5 febr. 1999, RvdW 1999, 27 (r.o. 3.4).</para>
      <para>Zou het hof hebben gemeend dat een beroep op de voormelde vernietigingsgrond alleen één of meer specifieke bedingen </para>
      <para>in algemene voorwaarden kan betreffen, en niet het gehele </para>
      <para>stel algemene voorwaarden, dan zou ook dat B zoals de </para>
      <para>derde klacht terecht aanvoert - blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting; zie Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1583 en 1584/5, Jongeneel, in Praktijkhandleiding algemene voorwaarden </para>
      <para>(1995), p. 25 e.v., Mon. NBW B-55 (Hijma), nr. 44 (p. 62), </para>
      <para>Asser-Hartkamp 4-II (1997), nr. 353a.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    <para />
    <para />
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para />
    <para>(Advocaat-Generaal)</para>
    <para />
    <para>1Tegen de verweerster in cassatie is verstek verleend.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>