<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1999:AA3875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T12:58:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3875</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG6220</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C98/078HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1999:AA3875" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3875</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002415&amp;artikel=1&amp;g=1999-12-17">Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002415&amp;artikel=2&amp;g=1999-12-17">Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=54&amp;g=1999-12-17">Wet op de rechterlijke organisatie 54</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=157a&amp;g=1999-12-17">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 246</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 427 met annotatie van H.J. Snijders</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2000, 4</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2000, 56</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3875">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA3875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA3875 Hoge Raad , 17-12-1999 / C98/078HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1999:AA3875:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1999:AA3875:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>17 december 1999</para>
      <para>HRrste Kamer</para>
      <para>nr. C98/078HR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>Arrest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. MEGA STAALBOUW B.V.,</para>
      <para>                	gevestigd te Terborg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Mr L. HARTOGS, in zijn hoedanigheid van </para>
      <para>curator in het faillissement van MEGA </para>
      <para>STAALBOUW B.V.,</para>
      <para>                	kantoorhoudende te Doetinchem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De stichting WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,</para>
      <para>                	gevestigd te Rijswijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>EISERS tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr G. Snijders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>KLAVERBLAD VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,</para>
      <para>gevestigd te Zoetermeer,</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr E. Grabandt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.Het geding in feitelijke instanties [Slachtoffer], </para>
      <para>wonende te [woonplaats], [..], heeft bij exploit van </para>
      <para>21 augustus 1992 eiseres tot cassatie sub 1 - verder </para>
      <para>te noemen: Mega Staalbouw - gedagvaard voor de </para>
      <para>Kantonrechter te Terborg en gevorderd:</para>
      <para>1. te verklaren voor recht dat Mega Staalbouw aanspra-</para>
      <para>kelijk is voor de door [slachtoffer] geleden en nog </para>
      <para>te lijden schade ten gevolge van het arbeidsongeval </para>
      <para>d.d. 6 november 1991;</para>
      <para>2. Mega Staalbouw te veroordelen om aan [slachtoffer] </para>
      <para>te betalen een schadevergoeding in verband met </para>
      <para>schade ten gevolge van een bedrijfsongeval aan hem </para>
      <para>overkomen op 6 november 1991, een en ander op te </para>
      <para>maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;</para>
      <para>3. Mega Staalbouw te veroordelen om aan [slachtoffer] </para>
      <para>te betalen een bedrag van ƒ 15.000,--, althans een </para>
      <para>zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede justi-</para>
      <para>tie oordelend juist zal achten, als voorschot op de </para>
      <para>nog bij staat op te maken geleden en nog te lijden </para>
      <para>schade, te vermeerderen met de wettelijke rente </para>
      <para>vanaf de dag van de dagvaarding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Mega Staalbouw heeft een incidentele conclusie tot </para>
      <para>oproeping in vrijwaring van verweerster in cassatie - </para>
      <para>verder te noemen: Klaverblad - genomen.</para>
      <para>	Nadat [slachtoffer] in het incident voor antwoord </para>
      <para>had geconcludeerd tot referte, heeft de Kantonrechter bij </para>
      <para>vonnis van 14 januari 1993 in het incident Mega Staalbouw </para>
      <para>toegestaan Klaverblad in vrijwaring op te roepen.</para>
      <para>	Mega Staalbouw heeft in de hoofdzaak en Klaverblad </para>
      <para>heeft in de vrijwaringszaak de vorderingen bestreden.</para>
      <para>	Na een ingevolge een tussenvonnis van 12 augustus </para>
      <para>1993 op 7 oktober 1993 gehouden comparitie van partijen </para>
      <para>heeft de Kantonrechter bij vonnis van 9 december 1993 in </para>
      <para>de hoofdzaak (1) voor recht verklaard dat Mega Staalbouw </para>
      <para>aansprakelijk is voor de door [slachtoffer] geleden en </para>
      <para>nog te lijden schade ten gevolge van het arbeidsongeval </para>
      <para>d.d.    6 november 1991, (2) Mega Staalbouw veroordeeld </para>
      <para>om aan   [slachtoffer] te betalen ƒ 8.000,-- als voor-</para>
      <para>schot wegens immateriële schade, (3) [slachtoffer] in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld zich uit te laten in voege als in </para>
      <para>rov. 5.5 is overwogen, en (4) iedere verdere beslissing </para>
      <para>aangehouden. In de vrijwaringszaak heeft de Kantonrechter </para>
      <para>(1) voor recht verklaard dat de schade die [slachtoffer] </para>
      <para>ten gevolge van het arbeidsongeval d.d. 6 november 1991 </para>
      <para>heeft geleden en nog zal lijden wordt gedekt door de tus-</para>
      <para>sen Mega Staalbouw en Klaverblad gesloten Aansprakelijk-</para>
      <para>heidsverzekering voor Bedrijven, (2) Klaverblad veroor-</para>
      <para>deeld om aan Mega Staalbouw ten behoeve van de door </para>
      <para>[slachtoffer] geleden schade bij wijze van voorschot te </para>
      <para>betalen (a) ƒ 8.000,-- wegens immateriële schade en (b) </para>
      <para>ƒ 2.000,-- wegens materiële schade, (3) Klaverblad in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld zich uit te laten in voege als in </para>
      <para>rov. 5.5 is overwogen, en (4) iedere verdere beslissing </para>
      <para>aangehouden.</para>
      <para>	Tegen het in de vrijwaringszaak gewezen vonnis van </para>
      <para>9 december 1993 heeft Klaverblad hoger beroep ingesteld </para>
      <para>bij de Rechtbank te Zutphen. </para>
      <para>	In verband met het faillissement van Mega Staalbouw </para>
      <para>B.V. ingevolge het vonnis van 29 november 1993 is eiser </para>
      <para>tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de curator - in </para>
      <para>deze procedure betrokken en in appel eveneens gedagvaard.</para>
      <para>	Verweerster in cassatie sub 3 - verder te noemen: </para>
      <para>het Waarborgfonds - heeft een incidentele conclusie geno-</para>
      <para>men om als gevoegde partij te worden toegelaten.</para>
      <para>	Nadat Klaverblad voor antwoord in het incident had </para>
      <para>geconcludeerd tot referte, heeft de Rechtbank bij inci-</para>
      <para>denteel vonnis van 24 oktober 1996 het Waarborgfonds toe-</para>
      <para>gestaan zich in dit geding te voegen.</para>
      <para>	Bij vonnis van 20 november 1997 heeft de Rechtbank </para>
      <para>het in de vrijwaringszaak tussen Mega Staalbouw en     </para>
      <para>Klaverblad gewezen vonnis vernietigd en in zoverre op-</para>
      <para>nieuw rechtdoende de vorderingen van Mega Staalbouw je-</para>
      <para>gens Klaverblad afgewezen.</para>
      <para>	Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest ge-</para>
      <para>hecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het geding in cassatie</para>
      <para>	Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben Mega </para>
      <para>Staalbouw, de curator en het Waarborgfonds beroep in cas-</para>
      <para>satie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest </para>
      <para>gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>	Klaverblad heeft geconcludeerd tot verwerping van </para>
      <para>het beroep.</para>
      <para>	De zaak is voor partijen toegelicht door hun advo-</para>
      <para>caten.</para>
      <para>	De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries </para>
      <para>Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. 	Beoordeling van het middel</para>
      <para>3.1 	In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.</para>
      <para>(i) [Slachtoffer], op 6 november 1991 als tweede chef </para>
      <para>werkplaats in dienst bij Mega Staalbouw, diende een zes-</para>
      <para>tal stalen balken van 14 meter lang en 10 centimeter </para>
      <para>breed te vervoeren uit een productieloods van Mega Staal-</para>
      <para>bouw naar het daarbuiten gelegen bedrijfsterrein van Mega </para>
      <para>Staalbouw.</para>
      <para>(ii)	[Slachtoffer] maakte ten behoeve van dit transport </para>
      <para>ge-bruik van een handkar/aanhangwagen (verder te noemen: </para>
      <para>de kar) met een lengte van circa 5 meter, uitschuifbaar </para>
      <para>tot 8 meter; het laadvlak van deze kar was circa 20 tot </para>
      <para>30 centimeter breder dan de spoorbreedte van de kar. In-</para>
      <para>dien met de kar een draaiing of bocht werd gemaakt, be-</para>
      <para>stond de kans dat de wagen omsloeg/kantelde. </para>
      <para>(iii)	[Slachtoffer] heeft de balken op de kar geladen en </para>
      <para>deze vervolgens gekoppeld aan een vorkheftruck teneinde </para>
      <para>de balken naar de plaats van bestemming te brengen.</para>
      <para>(iv)	Om de loods te verlaten diende tijdens het </para>
      <para>transport in de loods een bocht te worden gemaakt; wegens </para>
      <para>ruimtegebrek moest deze manoeuvre in verschillende etap-</para>
      <para>pes worden uitgevoerd. Tijdens het uitvoeren van de hier-</para>
      <para>voor bedoelde manoeuvre werd [slachtoffer] geassisteerd </para>
      <para>door [een collega], een andere medewerker van Mega Staal-</para>
      <para>bouw.</para>
      <para>(v)	Omdat het maken van de bocht met de combinatie </para>
      <para>vorkheftruck en kar slechts met moeite kon worden uitge-</para>
      <para>voerd, is de vorkheftruck losgekoppeld en buiten op het </para>
      <para>bedrijfsterrein gestald, nadat [een collega] de balken op </para>
      <para>de kar met behulp van de vorkheftruck had verlegd. </para>
      <para>[Slachtoffer] en [een collega] hebben daarop de kar met </para>
      <para>de stalen balken met handkracht verder geduwd; daarbij </para>
      <para>zijn de balken verschoven. [Een collega] heeft vervolgens </para>
      <para>getracht de balken te herschikken, bij gelegenheid waar-</para>
      <para>van de kar omviel en [slachtoffer] werd getroffen door </para>
      <para>een of meer vallende balken. [Slachtoffer] heeft daarbij </para>
      <para>ernstig blijvend letsel opgelopen aan zijn hiel, enkel en </para>
      <para>voet, met als gevolg (gedeeltelijke) arbeidsongeschikt-</para>
      <para>heid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 	Bij inmiddels onherroepelijk vonnis van de kanton-</para>
      <para>rechter te Terborg van 9 december 1993, gewezen in de </para>
      <para>hoofdzaak tussen [slachtoffer] en Mega Staalbouw, is voor </para>
      <para>recht verklaard dat Mega Staalbouw op grond van art. </para>
      <para>7A:1638x (oud) BW aansprakelijk is voor de door [slacht-</para>
      <para>offer] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lij-</para>
      <para>den schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 	In voormeld, door [slachtoffer] bij de Kantonrech-</para>
      <para>ter aangespannen geding heeft Mega Staalbouw haar verze-</para>
      <para>keraar Klaverblad in vrijwaring opgeroepen. De curator in </para>
      <para>het inmiddels uitgesproken faillissement van Mega Staal-</para>
      <para>bouw is in hoger beroep door Klaverblad in rechte betrok-</para>
      <para>ken. Het Waarborgfonds heeft zich in hoger beroep aan de </para>
      <para>zijde van Mega Staalbouw en de curator gevoegd nadat </para>
      <para>[slachtoffer] het Waarborgfonds had aangesproken omdat </para>
      <para>voor de onderhavige vorkheftruck geen verzekering als be-</para>
      <para>doeld in de WAM was afgesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	De Kantonrechter heeft voor recht verklaard - voor-</para>
      <para>zover in cassatie nog van belang - “dat de schade      </para>
      <para>die [slachtoffer] ten gevolge van het arbeidsongeval d.d.     </para>
      <para>6 november 1991 heeft geleden en nog zal lijden wordt ge-</para>
      <para>dekt door de tussen Mega Staalbouw en Klaverblad afgeslo-</para>
      <para>ten Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5 	De Rechtbank heeft in haar rov. 5.6 echter alsnog </para>
      <para>geoordeeld “dat Klaverblad zich terecht beroept op de in </para>
      <para>de AVB geformuleerde uitsluiting van aansprakelijkheid </para>
      <para>voor de schade, veroorzaakt door de vallende lading van </para>
      <para>de kar”. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank het vonnis </para>
      <para>van de Kantonrechter vernietigd en de vorderingen van   </para>
      <para>Mega Staalbouw jegens Klaverblad afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6 	In het onderhavige vrijwaringsgeding is derhalve de </para>
      <para>vraag aan de orde of de aansprakelijkheid van Mega Staal-</para>
      <para>bouw voor het aan [slachtoffer] overkomen ongeval valt </para>
      <para>onder de dekking van de door Mega Staalbouw met        </para>
      <para>Klaverblad gesloten AVB. Deze AVB sluit in artikel 3 van </para>
      <para>de daarbij behorende Algemene Voorwaarden de aansprake-</para>
      <para>lijkheid voor motorrijtuigen zoals geregeld in de WAM </para>
      <para>uit. Meer specifiek gaat het derhalve om de vraag of de </para>
      <para>aan [slachtoffer] toegebrachte schade in de zin van de </para>
      <para>WAM is veroorzaakt door een motorrijtuig in het verkeer. </para>
      <para>De ten tijde van het aan [slachtoffer] overkomen </para>
      <para>ongeval geldende tekst van art. 3 van de Algemene Voor-</para>
      <para>waarden luidt - voorzover van belang - als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Uitgesloten is de aansprakelijkheid:</para>
      <para>(…)</para>
      <para>2.	voor schade veroorzaakt met of door </para>
      <para>(lucht)vaartuigen, motorrijtuigen en hun lading; </para>
      <para>deze uitsluiting geldt echter niet ten aanzien van </para>
      <para>de aansprakelijkheid (mits niet elders gedekt):</para>
      <para>(…)</para>
      <para>a.	van de verzekerde voor schade door goederen </para>
      <para>die worden geladen in resp. gelost uit een </para>
      <para>(lucht)vaartuig of motorrijtuig;</para>
      <para>3.	voor schade veroorzaakt met of door aanhangwa-</para>
      <para>gens e.d., die gekoppeld zijn aan een motorrijtuig </para>
      <para>of na daarvan te zijn losgemaakt of -geraakt nog </para>
      <para>niet buiten het verkeer tot stilstand zijn gekomen;</para>
      <para>(…)”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7	De Rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - </para>
      <para>overwogen (a) dat de uitsluitingsclausule van Klaverblad </para>
      <para>in de zin van de WAM dient te worden verstaan (rov. 5.6), </para>
      <para>(b) dat - kort gezegd - het ongeval niet plaats vond tij-</para>
      <para>dens het laden of lossen van de stalen balken (rov. 5.2) </para>
      <para>en (c) dat de onderhavige vorkheftruck als motorrijtuig </para>
      <para>moet worden aangemerkt en dat met die truck en de daaraan </para>
      <para>gekoppelde kar op het bedrijfsterrein van Mega Staalbouw </para>
      <para>aan het verkeer werd deelgenomen in de zin van art. 2 lid </para>
      <para>1 WAM (rov. 5.3).</para>
      <para>De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de kar, </para>
      <para>die als aanhangwagen in gebruik is geweest bij het trans-</para>
      <para>port van stalen balken, ook nadat zij van de vorkheftruck </para>
      <para>was ontkoppeld, nog als aanhangwagen moet worden aange-</para>
      <para>merkt nu zij niet veilig buiten het verkeer tot stilstand </para>
      <para>was gekomen. Vervolgens heeft de Rechtbank overwogen dat </para>
      <para>tijdens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling </para>
      <para>van de vorkheftruck voortgezette vervoer van de kar met </para>
      <para>de balken, deze balken zijn gaan schuiven, waarna de kar </para>
      <para>met de balken is omgevallen en een of meer vallende bal-</para>
      <para>ken [slachtoffer] hebben geraakt en verwond. Tenslotte </para>
      <para>heeft de Rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat de </para>
      <para>vorkheftruck na ontkoppeling is gebruikt als werktuig om </para>
      <para>de verschoven lading stalen balken op de kar te herschik-</para>
      <para>ken en die vorkheftruck vervolgens op het bedrijfsterrein </para>
      <para>is gestald, niet afdoet aan de staat van de kar als niet </para>
      <para>buiten het verkeer tot stilstand gebrachte aanhangwagen </para>
      <para>in de zin van de WAM (rov. 5.5).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8.1	Het eerste middel, verdeeld in vier onderdelen, is </para>
      <para>gericht tegen de rov. 5.4 en 5.5 van de Rechtbank. De on-</para>
      <para>derdelen 1a, 1b en 2 richten een aantal rechts- en moti-</para>
      <para>veringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank dat de </para>
      <para>kar ook na de ontkoppeling van de vorkheftruck als aan-</para>
      <para>hangwagen in de zin van art. 1 WAM dient te worden be-</para>
      <para>schouwd.</para>
      <para>	Voorzover de onderdelen strekken ten betoge dat de </para>
      <para>Rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk </para>
      <para>gegeven met haar oordeel dat de kar niet veilig buiten </para>
      <para>het verkeer tot stilstand is gekomen, falen zij. De </para>
      <para>Rechtbank heeft het rijden met de vorkheftruck en de </para>
      <para>daaraan gekoppelde kar terecht als deelname aan het ver-</para>
      <para>keer gekwalificeerd. Het oordeel van de Rechtbank dat de </para>
      <para>kar, nadat zij van de vorkheftruck was losgekoppeld, niet </para>
      <para>veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht, </para>
      <para>geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk. Dit </para>
      <para>oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van </para>
      <para>feitelijke aard, niet verder op juistheid worden ge-</para>
      <para>toetst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8.2	Voorzover onderdeel 1a nog aanvoert dat de Recht-</para>
      <para>bank ten onrechte belang heeft toegekend aan de omstan-</para>
      <para>digheid dat de plaats waar de kar werd afgekoppeld niet </para>
      <para>berustte op een “bewuste keuze”, miskent het onderdeel </para>
      <para>dat de Rechtbank tot uitdrukking heeft gebracht dat de </para>
      <para>afkoppeling niet heeft plaatsgevonden met het oogmerk de </para>
      <para>kar buiten het verkeer tot stilstand te brengen. Anders </para>
      <para>dan het onderdeel nog wil, is niet van belang of ter </para>
      <para>plekke verkeer aanwezig is of voorkomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8.3	Onderdeel 2 strekt in de eerste plaats ten betoge </para>
      <para>dat de Rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of voldoen-</para>
      <para>de verband aanwezig was tussen het ongeval en de deelname </para>
      <para>van het motorrijtuig aan het verkeer. De Rechtbank heeft </para>
      <para>dit, naar blijkt uit haar rov. 5.4 en 5.5 wel onderzocht. </para>
      <para>Deze klacht mist derhalve feitelijke grondslag en kan </para>
      <para>daarom niet tot cassatie leiden.</para>
      <para>	Voorzover het onderdeel nog klaagt dat de Rechtbank </para>
      <para>heeft miskend dat het in het onderhavige geval gaat om </para>
      <para>een vorkheftruck, een motorvoertuig dat niet als “normaal </para>
      <para>motorrijtuig” kan worden aangemerkt, en voorts dat het </para>
      <para>gaat om een ongeval in een produktieloods of een be-</para>
      <para>drijfsterrein en het een verkeerde behandeling van de la-</para>
      <para>ding betreft, faalt het omdat deze omstandigheden de </para>
      <para>Rechtbank niet behoefden te weerhouden van haar oordeel </para>
      <para>dat sprake was van een ongeval in het kader van het met </para>
      <para>behulp van de vorkheftruck uitgevoerde vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.9 Voorzover onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel </para>
      <para>van de Rechtbank in haar rov. 5.5 dat niet gezegd kan </para>
      <para>worden dat ongevallen als het onderhavige niet karakte-</para>
      <para>ristiek zijn voor deelneming aan het verkeer, faalt het </para>
      <para>omdat dit oordeel niet van een onjuiste rechtopvatting </para>
      <para>blijk geeft en niet onbegrijpelijk is.</para>
      <para>	Voor het overige bouwt onderdeel 3, evenals onder-</para>
      <para>deel 4, voort op de eraan voorafgaande onderdelen en moe-</para>
      <para>ten zij het lot daarvan delen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.10	Het tweede middel klaagt dat, in aanmerking genomen </para>
      <para>dat vrijwaring niet de regels van absolute competentie </para>
      <para>doorbreekt en gegeven de inhoud van de door Mega     </para>
      <para>Staalbouw in het vrijwaringsgeding ingestelde vordering, </para>
      <para>de Kantonrechter onmiskenbaar noch uit hoofde van het on-</para>
      <para>derwerp van het geschil noch uit hoofde van het beloop </para>
      <para>van de vordering bevoegd was om van de zaak kennis te ne-</para>
      <para>men, zodat de Rechtbank dit een en ander ambtshalve had </para>
      <para>moeten constateren en de zaak in de stand waarin zij zich </para>
      <para>bevond, had behoren te verwijzen naar de wel bevoegde </para>
      <para>rechter, zijnde het Hof te Arnhem. Dit tweede middel is </para>
      <para>in de schriftelijke toelichting alsnog subsidiair voorge-</para>
      <para>steld ten opzichte van het eerste middel voor het geval </para>
      <para>dat middel zou falen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.11	Nu het eerste middel faalt, komt het tweede middel </para>
      <para>aan de orde. Het middel betoogt terecht dat de Kanton-</para>
      <para>rechter onbevoegd was om van de vordering in vrijwaring </para>
      <para>kennis te nemen en dat de Rechtbank, waaraan de zaak in </para>
      <para>hoger beroep was voorgelegd, deze op de voet van art. </para>
      <para>157a lid 1 Rv in de stand van hoger beroep had behoren te </para>
      <para>verwijzen naar het hof. Nu evenwel de Rechtbank dit niet </para>
      <para>heeft gedaan en in plaats daarvan de zaak in hoger beroep </para>
      <para>ten principale heeft behandeld en beslist, is er in dit </para>
      <para>stadium geen plaats meer voor een verwijzing van de zaak </para>
      <para>in de stand van hoger beroep naar het hof. Het middel kan </para>
      <para>daarom niet tot cassatie leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. 	Beslissing</para>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>verwerpt het beroep;</para>
      <para>veroordeelt Mega Staalbouw, de curator en het    </para>
      <para>Waarborgfonds in de kosten van het geding in cassatie, </para>
      <para>tot op deze uitspraak aan de zijde van Klaverblad begroot </para>
      <para>op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Dit arrest is gewezen door de vice-president    </para>
      <para>Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk,    </para>
      <para>Herrmann, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken </para>
      <para>door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>