<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1998:ZD1015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T18:48:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD1015</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">106.857</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=41&amp;g=1998-04-14">Wetboek van Strafrecht 41</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=138&amp;g=1998-04-14">Wetboek van Strafrecht 138</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1998, 662 met annotatie van A.C. 't Hart</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZD1015">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZD1015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-19T12:48:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1998:ZD1015 Hoge Raad , 14-04-1998 / 106.857</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1998:ZD1015:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huisvredebreuk zonder vernieling of beschadiging geen aanranding ex art. 41 Sr; `goed' in die zin is een voor menselijke beheersing voelbaar stoffelijk object, aldus HR. Sr 138; BW art. 3:2. Beroep verworpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1998:ZD1015:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14 april 1998</para>
  <para>Strafkamer</para>
  <para>nr. 106.857</para>
  <para>SM</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Arrest</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 februari 1997 in de strafzaak tegen:</para>
    <para>
      [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929, wonende te [woonplaats].</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">1. De bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 20 september 1996 - de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">2. Het cassatieberoep</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte.</para>
    <para>Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">3. De conclusie van het Openbaar Ministerie</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">4. Beoordeling van het middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1. Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op noodweer althans noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:</para>
    <para>Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair een beroep op noodweer althans noodweer—exces gedaan.</para>
    <para>Daartoe is het volgende aangevoerd.</para>
    <para>Verdachte zou hebben gehandeld, daartoe genoodzaakt door een noodzakelijke verdediging van zijn huisvrede, zijn gehandicapte echtgenote en hemzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene], althans door die aanranding(en) in een hevige gemoedsbeweging zijn geraakt tengevolge waarvan hij de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Verdachte stelt dat hij, terwijl hij zich buiten zijn huis bevond, zag dat omen zijn woning was binnengedrongen en met boven het hoofd geheven stoel zijn echtgenote bedreigde. Verdachte zou toen, met een door hem op dat moment gebruikt stuk gereedschap in de hand naar binnen zijn gerend om zijn echtgenote te ontzetten en [betrokkene] zijn huis uit te jagen. Binnengekomen zou hij [betrokkene] hebben gesommeerd het buis te verlaten, waarop [betrokkene] op hem af zou zijn gekomen. Verdachte, ouder en kleiner van postuur dan [betrokkene], zou zich toen bedreigd hebben gevoeld. Zo hij in die omstandigheden met het gereedschap dat hij in zijn hand had [betrokkene] zou hebben gestoken, dan zou dat gerechtvaardigd zijn, aldus de verdediging.</para>
    <para>Mocht het zo zijn, dat op dat moment de bedreiging van zijn echtgenote al geëindigd was en [betrokkene] al door zijn dochter het huis uit werd getrokken, dan meent de verdediging dat de hevige gemoedsbeweging, die het binnendringen in zijn woning en de bedreiging van zijn echtgenote hij verdachte teweegbrachten en hem tot het steken hebben gebracht, disculperend is.</para>
    <para>Allereerst stelt het hof vast, dat uit onderzoek ter zitting niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene] het huis van verdachte door vernieling of beschadiging van de deur is binnengegaan. Van een aanranding van enig goed is dan geen sprake, zodat, ook al is de huisvredebreuk wel aannemelijk geworden, verdachte in zoverre geen beroep op noodweer toekomt.</para>
    <para>Dat verdachtes echtgenote door [betrokkene] met een stoel of een dergelijk voorwerp zou zijn bedreigd Is evenmin aannemelijk geworden: noch de getuige [getuige 1], noch de getuige [getuige 2] zegt iets van dien aard te hebben waargenomen. terwijl de verdachte daarover eerst rept bij zijn verhoor bij de rechter—commissaris, hetgeen het hof ongeloofwaardig voorkomt.</para>
    <para>Dat verdachte werd of dreigde te worden aangerand acht het hof evenmin aannemelijk geworden, nu zoals al eerder is opgemerkt [betrokkene] niet voorzien was van een wapen en al door zijn dochter het huis uit werd getrokken zoals uit haar verklaring en de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt.</para>
    <para>Nu niet aannemelijk is geworden dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of van een dreigend gevaar daarvoor ten opzichte van zijn verdachte en/of van zijn vrouw en/of enig goed sprake is geweest, kan er evenmin sprake zijn van een geboden noodzakelijke verdediging door verdachte, hetwelk een mogelijke overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging door verdachte uitsluit en het beroep op noodweerexces doet falen.</para>
    <para>Het hof verwerpt derhalve voormeld beroep op noodweer en noodweerexces.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.2. In aanmerking genomen dat met de term "goed" in art. 41 sr voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW) worden bedoeld, heeft het Hof het onder 4.1 vermelde verweer verworpen zonder blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De overwegingen van het Hof zijn niet onbegrijpelijk en kunnen in cassatie niet verder worden getoetst.</para>
    <para>4.3. Het middel faalt dus.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">5. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">6. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsberen Davids, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 14 april 1998.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>