<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1996:ZC6350</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:15:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZC6350</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">31.228</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:7&amp;g=1996-07-08">Algemene wet bestuursrecht 6:7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:9&amp;g=1996-07-08">Algemene wet bestuursrecht 6:9</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1996/268</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1996/566</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1996/1097</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1996/2958, 5 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:ZC6350">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:ZC6350</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-01T16:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1996:ZC6350 Hoge Raad , 08-07-1996 / 31.228</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1996:ZC6350:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 6:9, lid 2, Awb, indiening bezwaar- of beroepschrift per post, geheel van handelingen dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van een postdienst de geadresseerde te doen bereiken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1996:ZC6350:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
      <?linebreak?>d e r d e k a m e r<?linebreak?>nr. 31.228 <?linebreak?>8 juli 1996 <?linebreak?>TB<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="bold">ARREST</emphasis>
    </para>
    <para>gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof te Arnhem</emphasis> van 13 april 1995 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.</para>
  </uitspraak.info>
  <para>
    <emphasis role="underline">1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof</emphasis>
  </para>
  <para>Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken [AA-00-AA] een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 16 september 1992 tot en met 31 juli 1993, ten bedrage van ƒ 1.626,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 1.626,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen.</para>
  <para>Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Bij beschikking van 1 juli 1994 heeft de Voorzitter van voormelde Belastingkamer belanghebbende wegens overschrijding van de in  artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Wet) genoemde termijn niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Geding in cassatie</emphasis>
  </para>
  <para>Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Beoordeling van de klacht</emphasis>
  </para>
  <para>3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: </para>
  <para>De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de hiervóór onder 1 genoemde uitspraak van de Inspecteur eindigde op donderdag 26 mei 1994. </para>
  <para>Door belanghebbende is aanvankelijk een beroepschrift verzonden, dat onvoldoende was gefrankeerd, doch, naar belanghebbende blijkens zijn verzetschrift voor het Hof heeft gesteld, wel tijdig ter post was bezorgd. Het poststuk is door het Hof niet geaccepteerd en aan belanghebbende teruggezonden. Van het vervolgens blijkens een aantekening op donderdag 2 juni 1994 ter griffie van het Hof binnengekomen beroepschrift staat vast dat het ná 26 mei 1994 ter post is bezorgd.</para>
  <para>3.2. Van de indiening van een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post als bedoeld in  artikel 6:9 van de Wet is sprake, indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken. </para>
  <para>Eén van de daartoe noodzakelijke handelingen is het zorgdragen voor een voldoende frankering. Nu het onvoldoende gefrankeerde beroepschrift door het Hof niet is geaccepteerd en een voldoende gefrankeerd beroepschrift eerst ter post is bezorgd ná 26 mei 1994, is belanghebbende door het Hof terecht niet-ontvankelijk in zijn beroep verklaard. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Proceskosten</emphasis>
  </para>
  <para>De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
  <para />
  <para>Dit arrest is op 8 juli 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
</uitspraak>
</open-rechtspraak>