<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1996:AB9820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB9820</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">101910</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1996:AB9820" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:AB9820</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1996, 687 met annotatie van T.M.C.J. Schalken</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:AB9820">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:AB9820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-08T15:25:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1996:AB9820 Hoge Raad , 07-05-1996 / 101910</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1996:AB9820:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dev Sol.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1996:AB9820:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>7 mei 1996</para>
  <para>Strafkamer </para>
  <para>nr. 101.910 </para>
  <para>SM</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 februari 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te <emphasis role="underline">[plaats]</emphasis>, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Koepel" te Haarlem. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden einduitspraak</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 17 juni 1994 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair en 2 telastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", 3. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" en 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan door op de openbare weg een schietwapen in de vorm van een pistool met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden te hebben" veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het cassatieberoep</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr E. Prakken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. De conclusie van het Openbaar Ministerie</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Bewezenverklaring en bewijsvoering</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, bewezenverklaard dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>I. Subsidiair</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>hij op 29 oktober 1993 te [plaats] . tezamen en in vereniging anderen., [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd  met enig misdrijf tegen het leven gericht. immers zijn verdachte en. zijn mededader(s) een eethuis aan de [a-straat] binnengegaan (gewapend met vuurwapen(s). en hebben verdachte en, {een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend vuurwapen(s), die [slachtoffer 1] en, die [slachtoffer 2] gericht en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd: "Waarom betaal jij niet aan [A] " en. "dit is mijn oplossing, ik maak jullie dood" en "Jullie verzetten je tegen ons" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>hij op 9 september 1993 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen persoonlijke bescheiden, toebehorende aan [slachtoffer 3] en.</para>
    <para>
      [slachtoffer 4] , welke diefstal van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en, die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), heeft gehandeld als hierna -zakelijk- is weergegeven:</para>
  </parablock>
  <para>- hij, verdachte, en, zijn mededader(s) hebben die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] gezegd dat zij hun handen omhoog moesten doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en.</para>
  <para>- hij, verdachte, en zijn mededader(s) ;hebben die [slachtoffer 3] en, die [slachtoffer 4] met (een) vuurwapen in de rug (voort) geduwd en.</para>
  <para>- hij, verdachte, en, zijn mededader(s) hebben die [slachtoffer 3] en, die [slachtoffer 4] tegen (de traptreden van) een portiek geduwd en </para>
  <para>- hij, verdachte, en, zijn mededader(s) hebben tegen die [slachtoffer 3] en. die [slachtoffer 4] gezegd: "wij zijn van [A] " en, "als je naar de politie gaat, schieten we je dood" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Feit 1</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 29 oktober 1993 ben ik samen met een aantal anderen naar het café [B] aan de [a-straat] te [plaats] gegaan. Wij wilden daar praten met gebroeders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het feit dat zij zich negatief hadden uitgelaten over de Turkse mensenrechten-organisatie [A] . Ik ben een symphathisant van die organisatie. In het café heb ik toen met [slachtoffer 1] gesproken. Hierdoor ontstond een gespannen sfeer. Voorheen zamelde ik geld in voor [A] . Als uit mijn agenda, die bij de huiszoeking is aangetroffen, blijkt dat ik in totaal ongeveer f 52.000,- heb ingezameld zou dat best kunnen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2 Het proces-verbaal d.d. 27 januari 1994 van de rechter- commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>als de op 27 januari tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op de dag van de inval was ik in [B] . Ineens zag ik vijf mannen aankomen. Zij kwamen binnen. Één van hen had een bril op en was kaal. Hij trok gelijk een vuurwapen. De kale man hield het vuurwapen in mijn richting. Hij vroeg hoe ik zo stom kon zijn om mij tegen hen te verzetten. Ik zag dat alle mannen een wapen hadden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3 Het proces-verbaal d.d. 20 december 1993 van de rechter- commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>als de op 20 december 1993 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 29 oktober 1993 was ik in het restaurant [B] . Vijf mannen kwamen binnen. Ik heb later bij de politie foto's bekeken en ik herkende toen één van de mannen op een foto. De politie zei dat op de foto [verdachte] stond afgebeeld. [slachtoffer 1] ging tegenover [verdachte] aan een tafeltje zitten. [verdachte] heeft een vuurwapen op [slachtoffer 1] gericht. Ik zei dat wij wel samen een oplossing konden zoeken. [verdachte] zei toen: "Dit is mijn oplossing, ik maak jullie dood".</para>
    <para>Ik heb bij alle mannen een pistool in de broeksband gezien. Een van de andere mannen trok ook zijn pistool.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4 Het proces-verbaal d.d. 19 januari 1994 van de rechter- commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>als de op 19 januari 1994 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik was op 29 oktober 1993 in restaurant [B] . Ik zag dat een aantal mannen in het restaurant stonden. Ik schrok van het feit dat al die mannen vuurwapens hadden. Ik hoorde de mannen zeggen: "Jullie verzetten je tegen ons. "</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5 Het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage , nummer 16.661/1993, d.d. 9 december 1993, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van gemeentepolitie, en andere bevoegde opsporingsambtenaren, als bijlage gevoegd bij het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage , nummer 16.718/1993 d.d. 9 december 1993, inhoudende -zakelijk weergegeven -: </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.1 als de op 29 oktober 1993 tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] (doorgenummerd blz. 51 e.v. ):</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vanmiddag, 29 oktober 1993, bevond ik mij in Eethuis [B] . Plotseling stonden er vijf Turkse mannen in de zaak. Een man ging aan een tafeltje zitten. Ik hoorde dat deze man zei: "Waarom betaal jij niet aan [A] ?", althans woorden van gelijke strekking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.2 als de op 4 november 1993 tegenover verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] (doorgenummerd blz. 56 e.v. ):</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op vrijdag 29 oktober 1993 bevond ik mij in restaurant [B] . Ik zag toen dat er vijf mannen het restaurant binnenkwamen. Vervolgens zag ik dat een van de mannen een pistool richtte in mijn richting.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6 Het ambtsedige proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage nummer 16. 718-2/1993, d.d. 20 januari 1994 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , brigadier- rechercheur van gemeentepolitie, en andere bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>als de op 19 januari 1994 tegenover de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] (doorgenummerd blz. 341):</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>(Noot verbalisanten: Wij tonen [slachtoffer 1] een groot aantal politiefoto's uit het toonboek [A] . ) </para>
    <para>De man op foto […] trok in het restaurant een pistool en richtte het wapen op mij. Hij vroeg aan mij waarom ik niet betaalde aan [A] .</para>
    <para>(Noot verbalisanten: Met foto […] wordt bedoeld: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954. )</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Feit 3</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>7 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende -zakelijk weergegeven -: </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het kan zijn dat ik ten tijde van mijn aanhouding een visitekaartje van [betrokkene 2] van [C] BV in mijn bezit had.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>8 Het proces-verbaal d.d. 15 februari 1994 van de rechter- commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage , inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>als de op 15 februari 1994 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 9 september 1993 was ik samen met [slachtoffer 3] in [plaats] . Wij kwamen [betrokkene 3] tegen. [betrokkene 3] liep weg. Ik was nog samen met [slachtoffer 3] op straat toen er mannen naar ons toe kwamen. Zij zeiden dat wij onze handen omhoog moesten doen. Ik heb toen mijn handen omhoog gedaan. Wij liepen naar een portiek. Er werd toen een mapje met mijn rijbewijs en andere papieren van mij afgepakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>9 Het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage , nummer 13.309/93, d.d. 6 december 1993 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , hoofdagent van gemeentepolitie 's-Gravenhage , en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder 4 genoemde proces- verbaal nr 16.718/1993 d.d. 9 december 1993, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>9.1 als de op 16 september 1993 tegenover [verbalisant 6] afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] (doorgenummerd blz. 76 e.v. ) :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 9 september 1993 werd ik telefonisch benaderd door een kennis van mij genaamd [betrokkene 3] (Noot verbalisant: bedoeld wordt [betrokkene 3] ) . [betrokkene 3] vroeg aan mij of ik naar café [D] aan de [b-straat] wilde komen omdat hij daar een afspraak had met personen. Dit als een soort bescherming. Ik ben daar toen naartoe gegaan en ik bleef buiten wachten. Ik was samen met [slachtoffer 4] . Ik zag dat [betrokkene 3] wegreed. Nabij de hoek [b-straat] / [c-straat] werd ik door drie van in totaal zes personen in de richting van een portiek in [c-straat] geduwd. Toen de zes personen op ons kwamen toelopen zag ik dat allen een pistool trokken. Het waren naar mijn mening echte vuurwapens. Ik voelde dat de drie personen die mij wegduwden in de richting van een portiek, hun pistool krachtig tegen mijn rug duwden. Ik zag dat [slachtoffer 4] ook door drie personen met pistolen werd bedreigd. Ik zag dat hij ook de lopen van pistolen die die mannen vasthielden in de rug kreeg. Wij werden onder bedreiging van de vuurwapens geleid naar het portiek. Ik werd onder andere bedreigd door een man met een bril. Ik hoorde dat de man met de bril zei: "wij zijn van [A] ". Ik werd tegen de traptreden van het portiek geduwd. Ik zag dat de man met de bril bij mij wegnam een rijbewijs, een post-identiteitsbewijs, een HTM-maandabonnement, alle op mijn naam, en een aantal papiertjes met adressen. Ik zag dat [slachtoffer 4] ook tegen de traptreden van het portiek werd geduwd en dat hij gefouilleerd werd door het andere drietal. Later hoorde ik dat bij [slachtoffer 4] een rijbewijs was weggenomen. De man met de bril zei tegen mij: "Als je naar de politie gaat, schieten wij je dood". Ik heb aan niemand het recht of toestemming gegeven mijn rijbewijs, HTM-kaart, postidentiteitskaart, welke goederen mij geheel in eigendom toebehoren, weg te nemen en zich toe te eigenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>9.2 als de op 17 september 1993 tegenover [verbalisant 6] , afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] (doorgenummerd blz. 82 e. v. ) :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik zag een zestal personen uit café [D] komen. Alle personen hadden een pistool in hun hand. Zij kwamen op [slachtoffer 3] en mij toelopen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>10 Het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage nummer 16. 718/1993, d.d. 9 december 1993, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , brigadier- rechercheur van gemeentepolitie, en andere bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende -zakelijk weergegeven -:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>10.1 als relaas van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerd blz. 32):</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 7 december 1993 confronteerden wij, verbalisanten voornoemd, aangever [slachtoffer 3] middels een confrontatiespiegel met onder andere de [verdachte] . Bij het zien van [verdachte] verklaarde [slachtoffer 3] : "Dit is de man met de bril die op 9 september 1993 mij met een pistool heeft bedreigd. Ik ben hier zeker van".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>10.2 als relaas van de [verbalisant 5] (doorgenummerd blz. 19) :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit de fouillering van de [verdachte] , heb ik, [verbalisant 5] , de volgende goederen in beslag genomen:</para>
    <para>( . . . ) </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4. Een visitekaartje van [betrokkene 2] van [C] B. V., gevestigd [d-straat 1] , [plaats] . Dit is de compagnon van de aangever [betrokkene 3] .</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beoordeling van het eerste middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.1. In cassatie moet worden uitgegaan van de volgende feiten. Bij het opsporingsonderzoek naar de</para>
    <para>onderhavige feiten, ten aanzien waarvan de verdenking bestond dat zij waren begaan door personen behorende tot " [A] ", heeft de politie naar aanleiding van gedane aangiften bepaalde aangevers een of meer eerder door de politie samengestelde fotoboeken getoond, waarin de foto's voorkwamen van personen ten aanzien van wie de politie over aanwijzingen beschikte dat zij betrokken waren bij " [A] ". Van een en ander is proces-verbaal opgemaakt, waarbij kopieën zijn gevoegd van de in dat boek voorkomende foto's van de verdachte die tot herkenning hebben geleid.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 maart 1994 heeft de raadsvrouw, mede namens de raadslieden van de mede-verdachten, aldaar het verzoek gedaan om alle fotoboeken/fotoseries die in het kader van de opsporing zijn gebruikt in het dossier te voegen opdat zowel de raadslieden als de verdachten daarvan kennis kunnen nemen .</para>
    <para>Zij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd - kort samengevat - dat de opsporing, aanhouding en het onderzoek geheel of in zeer belangrijke mate gebaseerd is geweest op herkenningen door getuigen/ aangevers uit deze fotoboeken. Nu de fotoboeken in het onderzoek ter beschikking hebben gestaan aan de opsporende en vervolgende instanties, en bij dat onderzoek een uiterst belangrijke rol hebben gespeeld, moeten deze - aldus nog steeds de raadsvrouw - zonder meer als processtukken worden beschouwd waarvan de kennisneming op grond van art. 33 Sv aan de verdachte niet mag worden onthouden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.3. Blijkens het genoemde proces-verbaal heeft de Rechtbank het verzoek tot voeging van de fotoboeken in het dossier afgewezen, waartoe zij heeft overwogen :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"Het algemeen opsporingsbelang verzet zich daartegen, terwijl het recht van de verdediging om het gebruik van de fotoboeken te controleren voldoende gewaarborgd is door inzage door de raadslieden, tot welke inzage zij de raadslieden uitnodigt. Bovendien zal [verbalisant 5] een toelichting kunnen geven op de samenstelling en het gebruik van de fotoboeken".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.4. De raadsvrouw heeft daarop zowel in eerste aanleg als in hoger beroep het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De daartoe aangevoerde gronden zijn door de Rechtbank in haar vonnis onder 3a - onder het hoofd "Beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" - als volgt samengevat :</para>
    <para>"Essentiële processtukken als de verschillende fotoboeken zijn niet ruim voor de zitting aan de verdediging en verdachten ter inzage verstrekt. Tijdens de terechtzitting is wel aan de raadslieden, maar niet aan de verdachte inzage aangeboden in twee van de gebruikte fotoboeken. Geschonden is dan ook het in art. 6 "EVRM neergelegde fair trial-beginsel".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.5. De Rechtbank heeft het hiervoor onder 5.4 bedoelde verweer verworpen op grond van haar oordeel:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft het verzoek om de fotoboeken in het dossier te voegen ter terechtzitting van 17 maart 1994 afgewezen.</para>
    <para>Verdachte en de raadslieden hebben belang bij inzage in de fotoboeken, teneinde te kunnen vaststellen of deze boeken evenwichtig zijn samengesteld op een wijze die een betrouwbare herkenning waarborgt.</para>
    <para>Het Openbaar Ministerie heeft belang bij geheimhouding van de identiteit van de overige personen, wier foto's zich in de  fotoboeken bevinden, en van wie blijkens de mededelingen van de officier van justitie aanwijzingen bestaan dat zij betrokken zijn bij [A] , zulks onder meer met het oog op toekomstige onderzoeken naar afpersingsactiviteiten van deze organisatie.</para>
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van verdachte in casu niet op tegen het algemene opsporingsbelang van het Openbaar Ministerie. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat de privacy van de overige op de foto's afgebeelde personen zoveel mogelijk gerespecteerd dient te worden.</para>
    <para>De rechtbank heeft zich ter terechtzitting vergewist van de inhoud van de fotoboeken en zij heeft ook de raadsvrouw daartoe tijdens de terechtzitting van 17 maart 1994 in de gelegenheid gesteld. De raadsvrouw heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
    <para>Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank verdachte niet in zijn verdediging geschaad en is zij van oordeel dat het onthouden van inzage aan de verdachte niet kan leiden tot niet- ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.6. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak als volgt overwogen en beslist:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter terechtzitting is door de verdediging, op dezelfde gronden als in eerste aanleg aangevoerd, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid behoort te worden verklaard. Aan die stelling zijn geen nieuwe gronden ten grondslag gelegd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof verenigt zich met de verwerping door de rechtbank van dat betoog en met de daartoe door haar gebezigde motiveringen, zij het met een enkele hieronder nader te bespreken uitzondering, amendering en toevoeging op die motiveringen. Het hof verwijst in zoverre naar de overwegingen van de rechtbank in haar vonnis onder het hoofdstuk "Beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>( ... )</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>ad r.o. 3a</para>
    <para>Aan deze overweging laat het hof het oordeel voorafgaan dat de litigieuze fotoboeken, anders dan de raadsvrouwe stelt, geen processtukken zijn in de zin van de wet. Die boeken dienen te worden aangemerkt als opsporingsmiddel op basis waarvan processtukken -zoals in een proces-verbaal neergelegde verklaringen van getuigen en afschriften van foto's van de verdachte die tot de herkenning hebben geleid- tot stand komen. Derhalve kan de verdediging geen recht doen gelden op afschriften van dat fotomateriaal. Het hof merkt daarbij nog op dat de raadsvrouwe ter terechtzitting -met het hof- de gelegenheid heeft gehad de samenstelling van de fotoboeken te controleren, doch zulks geweigerd heeft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.7. In 's Hofs overwegingen en beslissing, als hiervoor onder 5.6 weergegeven, ligt besloten dat het de beslissing van de Rechtbank tot afwijzing van het verzoek tot voeging van de fotoboeken in het dossier en de gronden waarop die beslissing berust, heeft overgenomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.8. Onderdeel a van het middel bestrijdt de afwijzing van het verzoek om de fotoboeken in het dossier te voegen. Het voert daartoe aan dat die fotoboeken als processtukken zijn aan te merken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.9. Het begrip processtukken is in de wet niet gedefinieerd, noch is daarin geregeld welke functionaris beslist omtrent de samenstelling van het dossier.</para>
    <para>Voor zover het gaat om stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs, moet worden aangenomen dat - behoudens de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen en het bepaalde in art. 414 Sv - de officier van justitie de stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier toevoegt. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld heeft de rechter-commissaris een soortgelijke taak ten aanzien van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek. In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Het voorgaande neemt niet weg dat de rechter hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken kan gelasten. Kennisneming van de processtukken mag, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen voor beperkte duur, aan de verdachte en zijn raadsman niet worden onthouden. Van de processtukken worden ook afschriften verstrekt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.10. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen omtrent de aard van de fotoboeken en hun functie in het opsporingsonderzoek, geeft 's Hofs oordeel dat deze fotoboeken - naast hetgeen in het desbetreffende tot de processtukken behorende proces-verbaal ten aanzien van de resultaten van het gebruik daarvan is gerelateerd en door toevoeging aan dat proces- verbaal van de desbetreffende foto's van de verdachte is verantwoord - op zichzelf niet als processtukken moeten worden beschouwd welke aan het dossier dienen te worden toegevoegd, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.11. Het geval kan zich voordoen dat de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht. Een zodanig verweer dient te worden onderzocht. Beginselen van een behoorlijke procesorde brengen mee dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden. Dat betekent niet dat zowel de raadsman als de verdachte zonder meer aanspraak hebben op een afschrift of kennisneming van een hulpmiddel als te dezen door de politie is gebruikt of van andere documentatie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.12. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval bij afweging van de belangen van de opsporingsautoriteiten bij toekomstige onderzoeken naar afpersingspraktijken van [A] en de gerechtvaardigde belangen van de in bedoelde fotoboeken afgebeelde personen enerzijds en de belangen van de verdediging bij kennisneming van die boeken anderzijds, eerstbedoelde belangen in zoverre zwaarder wegen dat, aan de verdachte de kennisneming van die boeken niet kan worden toegestaan, doch dat de raadsvrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om van de inhoud van die boeken kennis te nemen, van welke mogelijkheid de raadsvrouw echter geweigerd heeft gebruik te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, met name niet omtrent de in het middel vermelde verdragsbepalingen en is niet onbegrijpelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.13. Het vorenoverwogene brengt mee dat het Hof de in het middel bedoelde bewijsmiddelen tot het bewijs heeft mogen bezigen en dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie op toereikende gronden heeft verworpen. De onderdelen a, b, c en e van het middel falen dus.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.14. Hetzelfde geldt voor onderdeel d van het middel. Zulks behoeft, gelet op art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de in dat onderdeel vervatte klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Beoordeling van onderdeel c van het tweede middel</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>6.1. Uit het hiervoor onder 4 weergegevene volgt dat de directe betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde sub 3 slechts blijkt uit de in het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te 's-Gravenhage vervatte verklaring van getuige [slachtoffer 3] , zoals hiervoor onder 4.2 sub 10 is weergegeven. Nu de gedingstukken niets inhouden waaruit kan volgen dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad deze verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen en die verklaring onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, is het gebruik van die verklaring in strijd met het bepaalde in art. 6 EVRM.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6.2. Mitsdien treft de in het tweede middel onder c vervatte klacht doel. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">7. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het hiervoor onder 6 overwogene volgt - nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, - dat de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, voor wat betreft de ten aanzien van het onder 3 telastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging niet in stand kan blijven, het tweede middel voor het overige alsmede het derde en het vierde middel geen bespreking behoeven en verwijzing moet volgen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">8. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de ten aanzien van het onder 3 telastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging;</para>
    <para>Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan; </para>
    <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Davids, Bleichrodt, Schipper, en Corstens in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op <emphasis role="underline">7 mei 1996</emphasis>.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>