<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1991:ZC8661</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-05T09:44:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZC8661</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1991-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">89.483</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1991:52" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:52</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=56&amp;g=1991-06-18">Wet op de rechterlijke organisatie 56</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=404&amp;g=1991-06-18">Wetboek van Strafvordering 404</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1991, 838 met annotatie van Th.W. van Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1991:ZC8661">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1991:ZC8661</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T15:29:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1991:ZC8661 Hoge Raad , 18-06-1991 / 89.483</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1991:ZC8661:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ontvankelijkheid hoger beroep, conversie.</para>
        <para>Verdachte is door Rb voor overtredingen en misdrijf veroordeeld, waarbij Rb vanwege overtredingen onttrekking aan verkeer van inbeslaggenomen goederen gelast. Tegen veroordeling voor overtredingen stond beroep in cassatie open en tegen veroordeling voor misdrijf stond hoger beroep open. In h.b. wordt bezwaar gemaakt tegen onttrekking aan verkeer van inbeslaggenomen goederen. Raadsman heeft onbeperkt h.b. ingesteld, maar was binnen termijn waarin rechtsmiddel van cassatie openstond door strafgriffie op hoogte gesteld dat onttrekking aan verkeer betrekking had op overtredingen. Deze omstandigheden zijn kennelijk voor hof aanleiding geweest om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in h.b. tegen dat deel van vonnis waarbij verdachte is veroordeeld voor overtredingen, hoewel hof ervan moest uitgaan dat verdachte dat rechtsmiddel had willen instellen dat volgens de wet voor hem openstond. Oordeel hof is niet in strijd met enige rechtsregel en niet onbegrijpelijk.</para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1991:ZC8661:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>18 juni 1991 </para>
  <para>Strafkamer </para>
  <para>nr. 89.483 </para>
  <para>SM</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juni 1990 in de strafzaak tegen:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te <emphasis role="underline">[woonplaats]</emphasis>,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para>Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen dat deel van na te noemen vonnis, waarbij hij ter zake van de hem onder 1 telastegelegde overtredingen is veroordeeld, en voorts in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 13 juni 1989, voor zover nog aan 's Hofs oordeel onderworpen, de verdachte ter zake van 2. "opzettelijk' handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 3. "heling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het cassatieberoep</emphasis>
  </para>
  <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. Ing. J. Regoort, advocaat te Almelo, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Middel 1:</para>
    <para>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.</para>
    <para>In het bijzonder zijn de artt. 358,359, 415 WSv geschonden doordien het Hof het door/namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat alsdat requirant ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard ten aanzien van het door en namens hem ingestelde hoger beroep tegen het punt 1 van de inleidende dagvaarding van de Arrondissementsrechtbank te Almelo, ten onrechte, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, heeft verworpen.</para>
    <para>'s-Hofs arrest te tengevolge hiervan niet naar de eis der Wet naar behoren met redenen omkleed.</para>
    <para>Toelichting middel 1:</para>
    <para>Op 13 juni 1989 heeft de advocaat van requirant op zijn uitdrukkelijk daartoe gedaan verzoek ter strafgriffie van de rechtbank te Almelo, een kopie van het op 13 juni 1989 jegens requirant uitgesproken vonnis, welk afschrift door of vanwege de griffier is ondertekend 'voor afschrift'. Requirant brengt onderhavige kopie als produktie in deze cassatieprocedure in het geding, aangezien dit afschrift de aanleiding heeft gevormd tot alle daarna volgende misverstanden en niet-ontvankelijkheidverklaring door het gerechtshof te Arnhem.</para>
    <para>De advocaat heeft ter zitting van onderhavige strafzaak voor het gerechtshof gekonstateerd, dat het door de President van dit Hof geciteerde strafvonnis van de rechtbank te Almelo afweek van de kopie welke de raadsman op 13 juni 1989 van de griffier had gekregen. De President van het Hof heeft gekontroleerd of hier inderdaad een afwijking was en zo ja, waaruit deze afwijking dan zou bestaan. Het bleek dat twee gehele alinea's op bladzijde f van het dossiervonnis, in het geheel niet voorkwamen in het strafvonnis dat aan de advocaat op de dag van de uitspraak door de griffier van de rechtbank te Almelo gegeven vonnis. Wanneer de advocaat een goede kopie zou hebben verkregen conform het strafdossier, dan zou hij uiteraard voor het punt 1 van de inleidende dagvaarding onmiddellijk cassatie hebben ingesteld in plaats van alleen maar hoger beroep bij het gerechtshof. Ter zitting gaf de President van het Hof dus wel de afwijking toe, doch hij meende dat hij moest uitgaan van de stukken welke hem in het hoger beroepsdossier waren toegezonden. De raadsman heeft toen nog aangevoerd dat hij cassatie zou hebben ingesteld wanneer hij het juiste strafvonnis zou hebben verkregen en dat daarom het ingestelde hoger beroep behoorde te worden opgevat als een cassatieberoep en doorgezonden aan de Hoge Raad.</para>
    <para>Het verbaast de advocaat in hoge mate dat van de vonnisvergelijking bij het Hof, alsmede van zijn gevoerde verweer geen letter is terug te vinden in het proces-verbaal van de zitting bij het gerechtshof.</para>
    <para>De President deelde voorts nog mede dat in het dossier een brief aanwezig is van de griffier van de rechtbank te Almelo, welke aan de advocaat zou hebben medegedeeld dat in casu niet hoger beroep, doch beroep in cassatie moest worden ingesteld, doch deze mededeling is in strijd met de waarheid. Na ommekomst van de beroepstermijn heeft de griffier mondeling verzocht om het hoger beroep in te trekken omdat dit kansloos zou zijn. Ten onrechte is door de griffier van de rechtbank Almelo op het dossiervonnis vermeld dat een kopie daarvan op 13/6/89 aan de raadsman zou zijn verstrekt, omdat de raadsman een afwijkend vonnis heeft gekregen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Middel 2:</para>
    <para>Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 350, 359, 407 en 415 WSv geschonden doordien het gerechtshof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door of namens hem ingestelde hoger beroep.</para>
    <para>'s-Hofs arrest is daarom niet naar de eis der Wet naar behoren met redenen omkleed.</para>
    <para>Toelichting middel 2.</para>
    <para>De rechtbank te Almelo heeft het telastegelegde onder het punt 1 van de inleidende dagvaarding overwogen dat hier sprake is van een overtreding in het kader van de Opiumwet 20 keer gepleegd, welke overtreding vervolgens wordt bestraft met 20 x 1 week hechtenis. Ten onrechte heeft de rechtbank hierbij niet overwogen dat in casu sprake was van een voortgezette handeling, zodat de verdachte deswege veel te zwaar gestraft werd door hem ook 20 x de basisstraf op te leggen. Ten aanzien van het hoger beroep heeft het gerechtshof ten onrechte geen overwegingen gewijd aan het punt 1 van de inleidende dagvaarding, doch zonder meer de kwalificatie overgenomen van de rechtbank te Almelo dat in casu sprake was van 20 x een overtreding, terwijl toch het gerechtshof met de wet in de hand had kunnen besluiten dat hier duidelijk: sprake was van een misdrijf en de verdachte deswege tot één enkele straf kunnen veroordelen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. De conclusie van het Openbaar Ministerie</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het onder 1 genoemde vonnis, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het .</para>
    <para>Gerechtshof te Arnhem ten einde deze opnieuw te berechten en af te doen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Beoordeling van het eerste middel</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>4.1.1. Bij het onder 1 genoemde vonnis heeft de Rechtbank van de aan de verdachte onder 1 telastegelegde overtredingen bewezenverklaard dat hij in de periode van begin april 1988 tot en met 20 november 1988, in [plaats] in de gemeente [plaats], en elders in Nederland, een aantal malen hoeveelheden van een stof, houdende heroïne, heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. De Rechtbank heeft ter zake van deze bewezenverklaarde feiten de verdachte veroordeeld tot 20 keer een week hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een aantal inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaard met de motivering dat deze voorwerpen geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van de door de verdachte gepleegde overtredingen zoals hiervoor als bewezenverklaard vermeld. </para>
    <para>4.1.2. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het hoger beroep tegen voormeld vonnis in zijn geheel ingesteld door Mr. Regoort voornoemd. </para>
    <para>4.1.3. Blijkens het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting heeft de voorzitter mondeling de korte inhoud meegedeeld van onder meer een door de voorzitter van de strafkamer van voormelde Rechtbank opgestelde, doch door de griffier ondertekende brief van 18 september 1989, gericht aan de griffier van het Hof, welke brief voor zoveel van belang inhoudt:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Indien de raadsman de stelling wil aanvoeren dat hij niet op de hoogte was van de omstandigheid dat de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen betrekking had op de aan verdachte telastegelegde en bewezen verklaarde overtredingen van de Opiumwet dan is die stelling niet juist, aangezien hij, blijkens mededelingen van de strafgriffie van deze rechtbank binnen de termijn waarin het rechtsmiddel van cassatie openstond door de strafgriffie op de hoogte was gesteld dat de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen betrekking had op de <emphasis role="underline">overtredingen</emphasis> van de Opiumwet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1.4. Voormeld proces-verbaal houdt - zoals in het middel ook is vermeld - niets in omtrent hetgeen volgens het middel ter terechtzitting zou zijn geconstateerd, toegegeven of aangevoerd.</para>
    <para>4.1.5. Blijkens het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting heeft de verdachte aldaar verklaard:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Ik ben in hoger beroep gekomen, omdat de inbeslaggenomen spullen niet van misdrijf afkomstig zijn. Ik wil die spullen terug. Sommige spullen heb ik cadeau gekregen en voor andere spullen heb ik gespaard. De mij telastegelegde feiten erken ik wel".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1.6. Het Hof heeft de bestreden uitspraak onder meer overwogen en beslist:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Het hoger beroep is door; verdachte mede "ingesteld tegen dat deel van het vonnis, "waarvan beroep, waarbij verdachte terzake van de hem onder 1 telastegelegde overtredingen werd veroordeeld, zodat verdachte in zoverre niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.2. De hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 vermelde omstandigheden zijn kennelijk voor het Hof aanleiding geweest om de verdachte in voege als onder 4.1.6 aangegeven niet-ontvankelijk te verklaren, hoewel het Hof er van moest uitgaan dat de verdachte dat rechtsmiddel had willen instellen hetwelk volgens de wet voor hem openstond. 's Hofs oordeel is niet in strijd met enige rechtsregel en niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>4.3. Het middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beoordeling van het tweede middel</emphasis>
  </para>
  <para>Het middel. kan niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para>Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">7. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Govaerts, Neleman en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op <emphasis role="underline">18 juni 1991</emphasis>.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>