<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1989:AB9739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-26T09:32:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB9739</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG6045</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1989-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13512</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1989:AB9739" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1989:AB9739</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1989, 532</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 1989, 102</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1989:AB9739">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1989:AB9739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-26T09:32:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1989:AB9739 Hoge Raad , 07-04-1989 / 13512</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1989:AB9739:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onrechtmatige overheidsdaad. Inverzekeringstelling. Verhouding tussen art. 1401 BW (oud) en art. 89 e.v. Sv (oud). Staan art. 89 e.v. Sv (oud) in de weg aan voorziening bij de burgerlijke rechter op de voet van art. 1401 BW (oud)? Aanspraak op volledige vergoeding van schade ten gevolge van onrechtmatige vrijheidsbeneming; art. 5 lid 5 EVRM.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1989:AB9739:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>7 april 1989</para>
  <para>Eerste Kamer </para>
  <para>Nr. 13.512 </para>
  <para>S.J.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <para>in de zaak van:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie), </para>
    <para>waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, </para>
    <para>EISER tot cassatie, </para>
    <para>advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>tegen</para>
    <para>
      [verweerder], </para>
    <para>wonende te [woonplaats], </para>
    <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
    <para> advocaat: Mr. Drs. G.S. Koopman-Rond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. Het geding in feitelijke instanties</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Verweerder in cassatie, hierna [verweerder] te noemen, heeft bij exploot van 5 januari 1983 de gemeente 's-Gravenhage - hierna de Gemeente - alsmede de Staat der Nederlanden - hierna de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, dat zowel de Gemeente als de Staat zal worden veroordeeld, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [verweerder] een schadevergoeding van door hem geleden schade te betalen van f 32.500, -- met rente en kosten.</para>
    <para>Nadat de Gemeente en de Staat tegen die vordering verweer hadden gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 2 november 1984 de vordering afgewezen.</para>
    <para>Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te [woonplaats], tegen de Staat, waarna de Staat incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.</para>
    <para>Bij arrest van 7 mei 1987 heeft het Hof in het principaal appel het vonnis - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - bekrachtigd, en in het incidenteel appel het beroep verworpen.</para>
    <para>Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het geding in cassatie</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para>
      [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.</para>
    <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot niet-ontvankelijkheid van de Staat in zijn beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Beoordeling van het middel</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>3.1 In zijn incidenteel appel heeft de Staat aangevoerd dat [verweerder] de weg van art. 89 Sv. had moeten volgen en dat naast deze met voldoende waarborgen omklede beroepsgang geen plaats is voor een zelfstandige vordering op grond van art. 1401 BW; de Rechtbank had daarom [verweerder] in zijn vordering niet ontvankelijk moeten verklaren. Dit betoog is door het Hof verworpen op de grond "dat de hier bedoelde procedure uit civielrechtelijk oogpunt onvoldoende waarborgen biedt om aan een procedure voor de burgerlijke rechter, gebaseerd op art. 1401 van het Burgerlijk Wetboek, in de weg te kunnen staan". </para>
    <para>Tegen dit oordeel richt zich het middel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zowel uit de tekst van de art. 89 en 90 Sv., zoals die opnieuw zijn vastgesteld bij de Wet van 26 juni 1975, Stb. 341, tot herziening van de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering betreffende de schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis als uit de geschiedenis van hun totstandkoming - voor de vindplaatsen wordt verwezen naar de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 4.1 - blijkt dat daarmede niet meer is beoogd dan de rechter de mogelijkheid te geven naar billijkheid een vergoeding toe te kennen "ter zake van <emphasis role="underline">rechtmatige</emphasis>, doch achteraf niettemin onjuist gebleken vrijheidsbeneming". Zoals bij die totstandkoming ook tot uitdrukking is gebracht, staan deze bepalingen daarom, daargelaten in hoeverre zij toepassing kunnen vinden in geval van <emphasis role="underline">onrechtmatige</emphasis> vrijheidsbeneming, in elk geval niet eraan in de weg dat wie meent daarvan het slachtoffer te zijn, ter zake op de voet van art. 1401 BW een voorziening vordert bij de burgerlijke rechter. Daarbij kan hij, in overeenstemming met het bepaalde in art. 5 lid 5 EVRM, voor zover hij ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming schade heeft geleden, aanspraak maken op volledige vergoeding daarvan.</para>
    <para>Het Hof heeft derhalve terecht, wat er zij van de daartoe aangevoerde gronden, het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para>verwerpt het beroep;</para>
    <para>veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van [verweerder] tot aan deze uitspraak begroot op f 2.875, -- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Haak, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op <emphasis role="underline">7 april 1989</emphasis>.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>