<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1985:AB7743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:22:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:HR:1985:AJ5156</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB7743</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1985-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">78494</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1985:AB7743" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1985:AB7743</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1986/405 met annotatie van Th.W. van Veen</rdf:li>
          <rdf:li>VR 1986, 2 met annotatie van C.J.G. Bleichrodt</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1985:AB7743">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1985:AB7743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-23T10:52:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1985:AB7743 Hoge Raad , 01-10-1985 / 78494</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1985:AB7743:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het toezenden van op schrift gestelde vragen aan een verdachte is geen verhoor in de zin van art. 29 Sv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1985:AB7743:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Bij vervroeging </para>
  <para>1 oktober 1985</para>
  <para>Strafkamer</para>
  <para>nr. 78.494</para>
  <para>JC</para>
  <para />
  <para />
  <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
  </para>
  <para>op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 20 november 1984 in de strafzaak tegen:</para>
  <para>
    <emphasis role="underline">
      [verdachte]
    </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te <emphasis role="underline">[woonplaats]</emphasis>.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para>De Politierechter heeft de verdachte ter zake van ''overtreding van de gedragsregel, vastgesteld bij artikel 81, tweede lid, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens'' strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf zal worden toegepast. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het cassatieberoep</emphasis>
  </para>
  <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Zij heeft het volgende middel van cassatie voorgesteld:</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Verzuim van vormen waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van de artikelen 29, 338, 339, 341, 350, 358 en 359 van het Wetboek van Strafvordering.</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">
      <emphasis role="bold">Toelichting.</emphasis>
    </emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">De politierechter heeft tot het bewijs van hetgeen bewezen is verklaard, mede gebruikt mijn verklaring, voorkomende op een mij toegezonden antwoordkaart, waarvan de inhoud luidde als in het bestreden vonnis onder het derde bewijsmiddel is opgenomen. </emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Naar mijn mening heeft de politierechter dit ten onrechte gedaan.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Ik ben van mening dat de strekking van artikel 29, tweede lid, Strafvordering, n.l. de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn of haar eigen veroordeling, ertoe had moeten leiden, dat op de aan mij toegezonden antwoordkaart vermeld werd, dat ik niet verplicht was een (schriftelijke) verklaring af te leggen.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Nu dat, zoals de politierechter in zijn vonnis vaststelt, niet gebeurd is,</emphasis> <emphasis role="bold">had mijn verklaring in zoverre niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Het vonnis is daarom niet naar de eis van de Wet met redenen omkleed.</emphasis> </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. De conclusie van het Openbaar Ministerie</emphasis>
  </para>
  <para>De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Bewezenverklaring en bewijsvoering</emphasis>
  </para>
  <para>4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:</para>
  <para>''<emphasis role="bold">dat zij op 6 november 1984 in de gemeente Zwolle op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schuurmanstraat, als bestuurder van een vierwielig motorvoertuig dit voertuig tot stilstand heeft gebracht op een trottoir</emphasis>''. </para>
  <para />
  <para>4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  <para>''<emphasis role="bold">1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, onder nummer 061184.0958.5026 opgemaakt door [verbalisant 1], onbezoldigd ambtenaar van gemeentepolitie Zwolle, en gesloten op 6 november 1984, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:</emphasis></para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">dat hij op 6 november 1984 omstreeks 09.58 uur zag dat een vierwielig motorvoertuig, merk Honda Civic, kleur rood, voorzien van het kenteken [kenteken], stilstond op het trottoir van de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Schuurmanstraat, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Zwolle;</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">dat volgens opgave van de Rijksdienst voor het wegverkeer het motorvoertuig, voorzien van het kenteken [kenteken], merk Honda Civic, kleur rood, was afgegeven aan [verdachte], [a-straat 1], [geboorteplaats];</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">dat aan de (door de verbalisant reeds als zodanig aangeduide) verdachte een antwoordkaart is gestuurd, die ingevuld retour kwam en bij het proces-verbaal werd gevoegd.</emphasis> </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">2. een briefkaart van de gemeentepolitie Zwolle aan [verdachte], [a-straat 1], [geboorteplaats], inhoudende, zakelijk weergegeven, als op 6 november 1984 gedateerd bericht van de Commissaris van Politie A. [verbalisant 2]:</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Hierbij zend ik u een kennisgeving van een door u of met uw voertuig gepleegde overtreding.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">U kunt strafvervolging voorkomen door het schikkingsbedrag te voldoen, gebruikmakend van de betalingsmogelijkheden die op de achterzijde van de kennisgeving van overtreding zijn aangegeven. Terugsturen van de antwoordkaart is dan niet nodig.</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Ik verzoek u de antwoordkaart binnen zeven dagen na dagtekening, ingevuld, ondertekend en zonodig voorzien van uw verklaring, terug te sturen, als u niet wilt betalen, omdat:</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">1. Het voertuig op het tijdstip van de overtreding niet door u werd geparkeerd/bestuurd; of</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">2. Het voertuig voor de datum waarop de overtreding is geconstateerd, door u werd verkocht; of</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">3. U niet wilt schikken. </emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Voor uw medewerking zeg ik u dank.</emphasis> </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">3. een nog aan de onder 2 bedoelde briefkaart gehechte antwoordkaart, geadresseerd aan de gemeentepolitie Zwolle, voorzien van het nummer 061184.0958.5026 en als ondertekende verklaring ondermeer, zakelijk weergegeven, inhoudende:</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">Het voertuig werd op het bedoelde tijdstip geparkeerd/bestuurd door:</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Naam: [verdachte]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Voornamen: [verdachte]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Adres: [a-straat 1]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Postcode: [postcode] [geboorteplaats]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Telefoon: [telefoonnummer]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Geboorteplaats: [geboorteplaats]</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Geboortedatum: [geboortedatum] 1943''.</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>4.3. In het bestreden vonnis heeft de Politierechter overwogen - voor zover van belang in verband met het voorgestelde cassatiemiddel - :</para>
  <para />
  <para>'<emphasis role="bold">'Op grond van de adressering van de onder 2 genoemde briefkaart neemt de politierechter aan dat de op de onder 3 genoemde briefkaart voorkomende handtekening die van de verdachte is en dat de op die antwoordkaart voorkomende verklaring een verklaring is van de verdachte.</emphasis> <emphasis role="bold">Nu deze blijkens het onder 1 genoemde bewijsmiddel reeds ten tijde dat haar de antwoordkaart werd toegezonden door de verbalisant [verbalisant 1] als verdachte werd aangemerkt, terwijl uit niets blijkt dat haar is meegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was, rijst de vraag of haar verklaring voor het bewijs gebruikt mag worden of dat die verklaring, als zijnde verkregen met schending van artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, buiten beschouwing moet blijven. </emphasis></para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Bij de totstandkoming in 1973 van artikel 29, tweede lid, is blijkens de wetsgeschiedenis in het bijzonder gedacht aan het verhoor van de aangehouden en zich niet meer in vrijheid bevindende verdachte.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Zozeer is de aandacht op die onvrije verhoorsituatie geconcentreerd geweest, dat de Minister van Justitie in een brief van 14 december 1973 aan de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven uiting kon geven aan zijn oordeel dat eerst na aanhouding van een verdachte sprake kon zijn van een mededelingsplicht. </emphasis>
    <emphasis role="bold">De jurisprudentie heeft dit standpunt niet kunnen volgen omdat de door de minister aangelegde beperking op geen enkele wijze in de wet gelezen kan worden en de algemene formulering van de wettekst haar niet verdraagt.</emphasis> <emphasis role="bold">Wel moet uit één en ander worden afgeleid dat de bij de wetgeving betrokkenen het ''verhoor'' door middel van een antwoordkaart zeker niet voor ogen gehad hebben.</emphasis></para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Dat komt ook duidelijk naar voren uit het verband waarin deze bepaling in de wet voorkomt en met name uit artikel 29, derde lid, dat ervan uitgaat dat van het verhoor een proces-verbaal wordt opgemaakt (wat bij een schriftelijk verhoor uiteraard niet pleegt te gebeuren) en dat ook voorschrifjt daarin de mededeling op te nemen. </emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Het blijft echter de vraag of de wettekst dan wel toestaat deze manier om inlichtingen van een verdachte te krijgen buiten de werking van artikel 29, tweede lid, te laten.</emphasis> <emphasis role="bold">Dat is zeker het geval.</emphasis> <emphasis role="bold">Om aan het woord ''verhoor'' een betekenis toe te kennen, die ook schriftelijk verhoor omvat, is niet in strijd met het spraakgebruik, althans niet met het spraakgebruik van de jurist.</emphasis> <emphasis role="bold"><emphasis role="bold">Maar het is ook niet in strijd met het spraakgebruik, en met het algemeen spraakgebruik zelfs veel beter in overeenstemming, om het woord ''verhoor'' in een meer beperkte zin te gebruiken en daaronder alleen mondelinge verhoren te verstaan.</emphasis></emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Tenslotte dient de vraag onder ogen te worden gezien of dan het belang dat de wetgever met deze bepaling bedoelde te dienen er toe moet leiden dat hier van een verhoor gesproken zou moeten worden.</emphasis> <emphasis role="bold">De strekking van de bepaling is de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling.</emphasis> <emphasis role="bold">De bepaling vooronderstelt dus een situatie waarin enig gevaar bestaat dat de verdachte ongewild tot die medewerking zou overgaan, dat wil zeggen een enigermate onvrije, althans door de verdachte als onvrij beleefde situatie.</emphasis> <emphasis role="bold">Zulk een situatie doet zich uiteraard na aanhouding in optima forma voor, maar ze kan zich ook overigens bijeen mondeling verhoor gemakkelijk voordoen.</emphasis> <emphasis role="bold">Hoezeer de verhorende ambtenaar zich ook onthoudt van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan woorden dat zij in vrijheid is afgelegd, niettemin kan en zal dikwijls van de verhoorsituatie op zichzelf reeds een zekere pressie uitgaan.</emphasis> <emphasis role="bold">De verdachte ziet zich geconfronteerd met</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">(doorgaans) een politieambtenaar, met overheidsgezag bekleed, die hem vragen stelt, waarop hij terstond moet reageren, en voor het besef dat de wil van het overheidsgezag nog niet steeds wet is, is soms enige tegenwoordigheid van geest vereist, waarover niet iedereen altijd in voldoende mate beschikt</emphasis>. <emphasis role="bold">Maar deze ongewild dwingende werking verliest het overheidsgezag in hoge mate wanneer het zich aan de verdachte vertoont in de bescheiden vorm van een antwoordkaart.</emphasis> <emphasis role="bold">Dan is er geen reëel gevaar meer dat de verdachte aan zijn veroordeling ongewild zou meewerken</emphasis>. <emphasis role="bold">Hij heeft alvorens de antwoordkaart terug te sturen (of te besluiten dat niet te doen) alle tijd en gelegenheid om bij zichzelf of, desgewenst, met anderen te overleggen of en hoe hij zal handelen.</emphasis> </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Denkbaar is dat het verzoek om inlichtingen zo is geformuleerd dat bij de verdachte wel de indruk moet postvatten dat hij verplicht is de gevraagde inlichtingen te verstrekken.</emphasis> <emphasis role="bold">In dat geval is echter niet zozeer sprake van schending van artikel 29, tweede lid, alswel van regelrechte misleiding, die uiteraard de daardoor verkregen verklaring ook voor het bewijs onbruikbaar doet zijn.</emphasis> <emphasis role="bold">Daarvan is in casu echter geen sprake.</emphasis></para>
  <para>
    <emphasis role="bold">Op deze gronden is de politierechter van oordeel het onder 3 genoemde bewijsmiddel te mogen gebruiken''. </emphasis>
  </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beoordeling van het middel</emphasis>
  </para>
  <para>5.1.1. Blijkens de geschiedenis van (a) de totstandkoming van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte bepalingen omtrent het verhoor van verdachten, getuigen en deskundigen en (b) de wijzigingen - laatstelijk bij de Wet van 26 oktober 1973 (Stb. 509) - van art. 29 Sv., heeft aan de wetgever bij het begrip ''verhoor'' telkens voor ogen gestaan: een ondervraging waarbij sprake is van een confrontatie van de ondervraagde met degene die hem ondervraagt, persoonlijk en - behoudens de eventuele bijstand door een of meer tolken - rechtstreeks contact tussen de ondervrager en de ondervraagde, waarbij laatstgenoemde beoogt tussen hem en de ondervraagde een communicatie tot stand te brengen tijdens welke van eerstgenoemde wordt verwacht dat hij aanstonds de hem gestelde vragen beantwoordt. </para>
  <para>5.1.2. De in verband met dit laatste rijzende vraag of de ondervraagde al dan niet verplicht is de hem gestelde vragen te beantwoorden, is ten aanzien van personen die als verdachten in de zin van art. 27 Sv. kunnen worden aangemerkt uitdrukkelijk ontkennend beantwoord in de tweede volzin van het eerste lid van art. 29 Sv., luidende: ''De verdachte is niet tot antwoorden verplicht''. Deze bepaling berust op het beginsel, dat een verdachte - behoudens in bij de wet voorziene uitzonderingsgevallen - niet mag worden verplicht actief medewerking te verlenen aan hetgeen tot zijn veroordeling kan leiden. Ten einde nu verdachten die laatstgemelde wetsbepaling niet kennen, dan wel tijdens de ondervraging zich van het bestaan daarvan niet voldoende bewust zijn, te behoeden tegen ongewilde medewerking aan hun veroordeling, is bij voormelde Wet van 26 oktober 1973 in art. 29 Sv. een tweede lid ingevoegd, luidende: ''Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden''.</para>
  <para>5.2. Beschouwing van hetgeen onder 5.1.1 en 5.1.2 is overwogen leidt tot het oordeel, dat toezending van op schrift gestelde vragen aan een verdachte met het verzoek om deze vragen - eveneens schriftelijk - te beantwoorden niet kan worden aangemerkt als een verhoor in de zin van art. 29 Sv., aangezien een zodanige toezending valt buiten het kader van hetgeen de wetgever bij het begrip ''verhoor'' voor ogen heeft gestaan en aanleiding heeft gegeven tot invoeging van het huidige tweede lid van art. 29 Sv.. Immers, van een confrontatie van een ondervrager met een ondervraagde als onder 5.1.1 bedoeld is geen sprake indien op schrift gestelde vragen worden toegezonden aan en ontvangen door een persoon aan wie wordt verzocht die vragen - eveneens schriftelijk - te beantwoorden. Laatstgenoemde behoeft, anders dan de ondervraagde in de onder 5.1.1 bedoelde verhoorsituatie, niet aanstonds en niet onder psychische druk welke een verhoorsituatie kan medebrengen te beslissen of hij de gestelde vragen al dan niet zal beantwoorden doch hij kan zich gedurende enige tijd erover beraden of - en zo ja hoe - hij de op schrift gestelde vragen zal beantwoorden. </para>
  <para>5.3. Het onder 5.2 overwogene vindt bevestiging in de laatste volzin van het derde lid van art. 29 Sv., luidende: ''De mededeling bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal opgenomen'', welke voorschrift wèl past binnen het kader van een verhoor als onder 5.1.1 bedoeld doch niet past bij een verzoek om schriftelijk gestelde en aan de betrokkene toegezonden vragen te beantwoorden. </para>
  <para>5.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort, dat de stelling waarop het middel blijkens de daarop gegeven toelichting steunt - te weten: dat de strekking van het tweede lid van art. 29 Sv. medebrengt dat op de aan de verdachte toegezonden antwoordkaart had behoren te worden vermeld, dat de verdachte niet verplicht was een (schriftelijke) verklaring af te leggen - niet als juist kan worden aanvaard. </para>
  <para>5.5. Het middel treft derhalve geen doel. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <para>Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">7. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep. </para>
  <para />
  <para />
  <para>Dit arrest is gewezen door de president Moons als voorzitter, de vice-president Van der Ven, en de raadsheren Bronkhorst, De Groot en De Waard, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en bij vervroeging uitgesproken op <emphasis role="underline">1 oktober 1985</emphasis>. </para>
  <para>Mr. De Groot is buiten staat dit arrest te ondertekenen. </para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>