<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1985:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-09T10:00:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1985-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22.933</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1985:4">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1985:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-02T09:57:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1985:4 Hoge Raad , 20-03-1985 / 22.933</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1985:4:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inkomstenbelasting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1985:4:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
  </para>
  <para>derde kamer</para>
  <para>20 maart 1985.</para>
  <para>nr. 22.933</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">ARREST</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>gewezen op het beroep in cassatie van <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> tegen de uitspraak van het <emphasis role="underline">Gerechtshof te 's-Gravenhage</emphasis> van. 2 december 1983 betreffende de haar voor het jaar 1980 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. Aanslag en bezwaar.</emphasis>
  </para>
  <para>Aan belanghebbende is voor het jaar 1980 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 47.926, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Geding voor het Hof.</emphasis>
  </para>
  <para>Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Geding in cassatie.</emphasis>
  </para>
  <para>Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft twee klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Beoordeling van de eerste klacht.</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>De onderdelen 1 en 5 van deze klacht bestrijden 's Hofs oordeel dat de onderhavige uitgaven ten behoeve van haar zoon voor belanghebbende de tegenprestatie vormden voor het gratis wonen, doch miskennen dat dit oordeel kennelijk ten overvloede is gegeven. Deze onderdelen falen derhalve.</para>
    <para>Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat een bijzondere omstandigheid voor haar zoon aantasting van diens vermogen dermate bezwaarlijk deed zijn dat zij zich wel gedrongen moest voelen deze aantasting door het doen van de onderhavige uitkering te voorkomen. Dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en overigens van feitelijke aard is en geen nadere motivering behoefde, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Aan de juistheid van dit oordeel staat niet in de weg de enkele omstandigheid dat het vermogen is belegd in een door belanghebbende bewoond huis.</para>
    <para> Het Hof heeft daarbij de bewijslast niet onjuist verdeeld en heeft niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de aard van het door belanghebbende te leveren bewijs. Het Hof behoefde, nu het tevens overwoog dat ook met inachtneming van de door de zoon afgesloten hypotheek het vermogen nog van zodanige omvang was dat een schuldig blijven van het door belanghebbende voor de zoon uitgegeven bedrag zeker niet onredelijk zou zijn geweest, zich niet te begeven in een nader onderzoek met betrekking tot de reden voor het afsluiten van de hypothecaire lening en de bestedingswijze van de daaruit verkregen gelden. De onderdelen 3 en 4 van de klacht, die van een tegengestelde opvatting uitgaan, treffen derhalve geen doel.</para>
    <para>Onderdeel 2 van deze klacht kan evenmin slagen, aangezien het Hof niet gehouden was op alle door belanghebbende naar voren gebrachte stellingen in te gaan. Uit het vorenstaande volgt dat de eerste klacht faalt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Beoordeling van de tweede klacht.</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>5.1. Onderdeel 1 berust op de stelling dat, indien vaststaat dat bepaalde uitgaven feitelijk zijn verricht tot voorziening in het levensonderhoud van in artikel 46, eerste lid, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 genoemde personen, die uitgaven slechts dan niet als op de belanghebbende drukkende buitengewone lasten mogen worden aangemerkt als die uitgaven slechts tijdelijk zijn of als er van misbruik of oneigenlijk gebruik van de buitengewone-lastenregeling sprake is. Die opvatting vindt geen steun in het recht reeds omdat voor aftrekbaarheid van genoemde uitgaven ook moet vaststaan dat de ondersteunde niet op andere wijze in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Onderdeel 1 faalt derhalve.</para>
    <para>5.2. Onderdeel 2 gaat uit van de opvatting dat vermogen in de vorm van een eigen woonhuis van de ondersteunde in geen geval in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de vraag of uitkeringen voor levensonderhoud tot de buitengewone lasten in de zin van artikel 46, lid 1, letter a kunnen worden gerekend. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht, zodat dit onderdeel tevergeefs wordt voorgedragen.</para>
    <para>5.3. Onderdeel 3 is gericht tegen feitelijke en niet onbegrijpelijke oordelen van het Hof, welke in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden.</para>
    <para>5.4. Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis.</para>
    <para>5.5. De tweede klacht treft mitsdien evenmin doel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Beslissing. </emphasis>
  </para>
  <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
  <para />
  <para />
  <para>Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van der Vorm, Stoffer, Verburgh en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 20 maart 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Lamens.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>