<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1979:AC1376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:14:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC1376</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1979-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">70591</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1979:AC1376" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1979:AC1376</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1979, 415 met annotatie van Th.W. van Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1979:AC1376">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1979:AC1376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-07T10:34:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1979:AC1376 Hoge Raad , 10-04-1979 / 70591</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1979:AC1376:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Belgische nationaliteit) naar België deels toelaatbaar verklaard en deels (t.z.v. uitgifte van ongedekte cheques) ontoelaatbaar verklaard. 1. Omvang cassatieberoep. Is cassatieberoep van opgeëiste persoon ook gericht tegen ontoelaatbaarverklaring? 2. Kan uitlevering toelaatvaar worden verklaard t.z.v. veroordelingen tot betaling van geldboeten en proceskosten alsmede tot ondergaan van vervangende vrijheidsstraffen? Art. 2.1 Uitleveringsverdrag.</para>
        <para>Ad 1. Hoewel beroep onbeperkt is ingesteld moet als kennelijke bedoeling van opgeëiste persoon worden aangenomen dat beroep zich louter richt tegen gegeven toelaatbaarverklaring.</para>
        <para>Ad 2. HR ambtshalve: V.zv. uitlevering mede toelaatbaar is verklaard t.b.v. tenuitvoerlegging van de bij Belgische vonnissen gegeven veroordelingen tot betaling van geldboeten en proceskosten alsmede tot ondergaan van vervangende vrijheidsstraffen, heeft Rb daarbij grenzen overschreden van art. 2.1 (tweede volzin) Uitleveringsverdrag. HR doet wat Rb had behoren te doen.</para>
        <para>HR verklaart gevraagde uitlevering in zoverre ontoelaatbaar.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1979:AC1376:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>10 april 1979</para>
  <para>Strafkamer</para>
  <para>Nr. 70.591 U</para>
  <para>mf</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Hoge Raad der Nederlanden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> </para>
    <para>gewezen op het beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 december 1978 omtrent een verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van de opgeëiste persoon: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [de opgeëiste persoon]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats]. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. De bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para>De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk België toelaatbaar verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de hem bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 25 september 1975 opgelegde straf, voor zover deze geacht moet worden hem te zijn opgelegd terzake van het bij dat vonnis te zijnen laste onder A en B bewezen verklaarde, alsmede ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de hem bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 7 december 1977 opgelegde straffen. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het cassatieberoep</emphasis>
  </para>
  <para>Het cassatieberoep is ingesteld door [de opgeëiste persoon]. Middelen van cassatie zijn door of namens hem niet voorgesteld. Hoewel het beroep onbeperkt is ingesteld moet als kennelijke bedoeling van [de opgeëiste persoon] worden aangenomen, dat het beroep zich louter richt tegen de gegeven toelaatbaarverklaring. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. De conclusie van het Openbaar Ministerie</emphasis>
  </para>
  <para>De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen met dien verstande, dat de Hoge Raad de uitspraak zou moeten vernietigen, voor zover de uitlevering toelaatbaar is verklaard ten behoeve van de executie van de requirant bij voormelde vonnissen opgelegde veroordelingen tot betaling van geldboete en proceskosten en tot het ondergaan van vervangende vrijheidsstraf en voor zover de uitlevering terzake van het in het Rechtbank-vonnis sub C aangeduide feit (uitgifte van ongedekte cheques) ontoelaatbaar is verklaard, en ten aanzien van dit laatste punt opnieuw rechtdoende de uitlevering terzake hiervan alsnog toelaatbaar zal verklaren.</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak</emphasis>
  </para>
  <para>Voor zover de uitlevering mede toelaatbaar is verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij meergemelde vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 25 september 1975 en 7 december 1977 gegeven veroordelingen tot betaling van geldboeten en proceskosten, alsmede tot het ondergaan van vervangende vrijheidsstraffen, heeft de Rechtbank daarbij grenzen overschreden van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 2 lid 1 Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, gesloten te Brussel op 27 juni 1962. Overigens oordeelt de Hoge Raad geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. </para>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Slotsom</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van de hiervoren sub 4 vermelde veroordelingen tot betaling van geldboeten en proceskosten, alsmede tot het ondergaan van vervangende vrijheidsstraffen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven en heeft de Hoge Raad te doen wat de Rechtbank had behoren te doen. </para>
    <para>Voor het overige moet het cassatieberoep worden verworpen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">6. Beslissing</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para>Vernietigt de bestreden uitspraak, doch zulks uitsluitend voor zover daarbij de uitlevering van [de opgeëiste persoon] mede toelaatbaar is verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van zijn veroordeling bij voormelde vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 25 september 1975 en 7 december 1977 tot betaling van geldboeten en proceskosten alsmede tot het ondergaan van subsidiaire gevangenisstraffen; </para>
    <para>En te dien aanzien opnieuw rechtdoende:</para>
    <para>Verklaart de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] in zoverre ontoelaatbaar;</para>
    <para>Verwerpt het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president Minkenhof en de raadsheren Bronkhorst, Wijnholt, De Waard en Hermans, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op <emphasis role="underline">10 april 1979</emphasis>.</para>
  </parablock>
  <para />
</uitspraak>
</open-rechtspraak>