<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1967:AD5612</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AD5612</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1967-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10.010</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1967:AD5612" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1967:AD5612</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1967, 264</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1967:AD5612">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1967:AD5612</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-07T12:47:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1967:AD5612 Hoge Raad , 03-03-1967 / 10.010</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1967:AD5612:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1967:AD5612:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>3 maart 1967 </para>
  <para>Br</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>,</para>
    <para>in de zaak nr. 10.010 van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>A. de Oud-Katholieke gemeente van de HH. Petrus en Paulus, genaamd "<emphasis role="underline">Het Paradijs</emphasis>", zetelende te Rotterdam en</para>
    <para>B. het Arm- en Weeshuis der Oud- Katholieke gemeente "<emphasis role="underline">Het Paradijs</emphasis>", genaamd "Sint Jansplaats", eveneens zetelende te Rotterdam, eisers tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen arrest van 7 januari 1966, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad,</para>
    <para>tegen </para>
    <para>A.<emphasis role="underline"> [verweerder 1]</emphasis>, wonende te [plaats] ,</para>
    <para>B. <emphasis role="underline">[verweerder 2]</emphasis>, wonende te [plaats] ,</para>
    <para>C. <emphasis role="underline">[verweerder 3]</emphasis>, wonende te [plaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, mede advocaat bij de Hoge Raad ;</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Gehoord partijen;</para>
    <para>Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van de eiseres onder A. in de kosten, welke aan de zijde van verweerders op de voorziening in cassatie zijn gevallen; </para>
    <para>Gezien de stukken;</para>
    <para>Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:</para>
    <para>dat eisers - verder ook te noemen appellanten dan wel onderscheidenlijk de Parochie het Paradijs en Sint Jansplaats - verweerders - verder te noemen [verweerder] c.s. - bij exploit van 3 mei 1958 hebben doen dagvaarden voor de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam en hebben gevorderd, voor zover thans nog van belang: te verklaren voor recht, dat het Armbestuur van de Parochie, tevens College van Regenten van Sint Jansplaats sedert 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] , allen voornoemd;</para>
    <para>dat eisers daartoe onder meer hebben gesteld:</para>
    <para>De Parochie het Paradijs, zetelende te Rotterdam als zelfstandig onderdeel van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland en diensvolgens rechtspersoonlijkheid bezittende, stelt zich ten doel de behartiging van de godsdienstige, zedelijke en stoffelijke belangen harer leden met inachtneming van het Statuut voor de Oud-Katholieke Kerk van Nederland en van de uit krachte daarvan vigerende kerkelijke wetten en besluiten. De zorg voor de stoffelijke belangen van de armen der Parochie is opgedragen aan haar Armbestuur, tot welke werkzaamheden onder meer behoren het verlenen van onderstand van onderscheiden aard aan behoeftigen - zulks met name aan de leden der eigen Parochie - alsmede het beheer van de armenfondsen dier Parochie. Tot deze armenfondsen behoort ook de inrichting Sint Jansplaats, destijds door het Armbestuur bestemd tot arm- en weeshuis en als zodanig ook gedurende lange tijd gebruikt. In verband daarmede voert het Armbestuur van oudsher - en ook nog steeds - tevens de naam "College van Regenten van het Arm- en Weeshuis Sint Jansplaats". Het Armbestuur van de Parochie wordt gevormd door de pastoor van de Parochie - thans [pastoor] - en een aantal armmeesters, als zodanig aangesteld door de Aartsbisschop van Utrecht. Door de laatstgenoemde zijn met ingang van 1 december 1957 aangesteld als armmeesters van de Parochie de heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] , zulks in de plaats en met terzijdestelling van [verweerder] c.s., die tot die datum als zodanig hadden geoccupeerd en aan wie alstoen werd verboden nog enige handeling te verrichten, als waren zij armmeesters der Parochie, tevens Regenten van Sint Jansplaats;</para>
    <para>dat [verweerder] c.s. voormelde vordering hebben bestreden en als verweer hebben aangevoerd, onder meer:</para>
    <para>Het Armbestuur van het Paradijs en het Arm- en Weeshuis Sint Jansplaats zijn sinds onheugelijke tijden twee aparte rechtspersonen, als zodanig onderscheiden van de parochie het Paradijs, en geen van beide onderworpen aan enig kerkelijk reglement of bisschoppelijk gezag. Waar de Aartsbisschop van Utrecht niet bevoegd was [verweerder] c.s. als armbezorgers/regenten te ontslaan, terzijde te stellen en te vervangen, wordt het armbestuur van het Paradijs, alsmede het college van regenten van Sint Jansplaats thans gevormd door [verweerder] c.s .;</para>
    <para>dat de Rechtbank bij vonnis van 15 mei 1962 de boven vermelde vordering heeft afgewezen en de Parochie het Paradijs in de kosten van het geding heeft veroordeeld; dat eisers van dit vonnis bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage in hoger beroep zijn gekomen en tegen dat vonnis vijf grieven hebben aangevoerd;</para>
    <para>dat het Hof bij het bestreden arrest het vonnis der Rechtbank heeft bekrachtigd met veroordeling van de Parochie het Paradijs in de kosten van het hoger beroep; </para>
    <para>dat het Hof daarbij onder meer heeft overwogen: </para>
    <para>"2. De Tweede grief is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank, vervat in de overwegingen onder VII en XIII t/m XVII, dat "de armenfondsen" (VII), de "rechtspersoon Sint Jansplaats" (XIII) respectievelijk "Sint Jansplaats en haar bestuur" (XVII) onder het Oud-Hollandse recht van vóór 1795 en onder de wetgeving van 1838 niet geacht kunnen worden - vóór 1855 - onderworpen te zijn geweest aan een bisschoppelijk gezag.</para>
    <para>Bij de beoordeling van de vraag in hoeverre deze grief tot vernietiging van het vonnis en toewijzing van de vorderingen van appellanten kan leiden, zal dienen te worden onderscheiden tussen het kerkelijke gezag, dat de Aartsbisschop in zijn kerkgenootschap uitoefent en zijn bevoegdheid bestuursleden te vervangen van een van de kerk en de kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon of voor deze rechtspersoon naar burgerlijk recht bindende regelen vast te stellen.</para>
    <para>Uitspraken en besluiten van de hoogste autoriteit van een kerk genieten uiteraard bij de leden van die kerk groot moreel en kerkelijk gezag. Dit gold ook in de tijd vóór 1795 en betrof ook de wijze waarop de liefdadigheid ten bate van de armen van die kerk zou worden beoefend en georganiseerd, in het bijzonder in een tijd, waarin deze liefdadigheid primair als een taak van de kerken werd gezien.</para>
    <para>Het ligt derhalve voor de hand dat voor de leden van de Oud-Katholieke kerk die tevens optraden als bestuurders van Sint Jansplaats, waarvan het vermogen was bestemd tot verzorging van de armen van "Het Paradijs", een Oud-Katholieke gemeente, het oordeel en de uitspraken van de Aartsbisschop der Oud-Katholieke kerk van Nederland groot moreel en kerkelijk gezag hadden en hebben, in welk licht dan ook de overgelegde correspondentie moet worden verstaan, met name ook de brief van de Aartsbisschop van 1 november 1799, waarop appellanten zich beroepen, in welke brief de Aartsbisschop schrijft: "zo veel in ons is te magtigen om de overschietende Revenuen en Inkomsten der Fondsen gestigt voor de Armen der Gemeente het Paradijs, nadat die Armen behoorlijk bezorgd zijn dit te deelen aan Armen van behoeftige Gemeentens der Cleresie in andere Steden en plaatsen onzer Republiek".</para>
    <para>"3. Het morele en kerkelijke gezag dat aan de Aartsbisschop toekomt, brengt - en bracht ook in het verleden - echter niet mee de bevoegdheid bestuursleden van Sint Jansplaats door anderen te vervangen of aan deze bestuursleden in hun kwaliteit bindende bepalingen of voorschriften te geven, te minder waar, zoals appellanten zelf stellen sedert de middeleeuwen de bestuurders van armengoederen veelal een zelfstandige, van de geestelijkheid onafhankelijke positie hebben gehad. Uit de door appellanten genoemde resolutie van de Nationale Vergadering van 5 augustus 1796 valt niet af te leden, dat in deze situatie verandering is gebracht. Ook in de akte voor notaris [notaris] op 29 november 1826 verleden is - wat hiervan overigens de bewijskracht moge zijn - in elk geval geen enkele steun voor een dergelijke bevoegdheid van de Aartsbisschop te vinden, nu integendeel in deze akte is uitgedrukt dat bij overlijden of aftreden van een der armbezorgers bij wijze van coöptatie in de opengevallen plaats wordt voorzien. </para>
    <para>"4. Steun voor de stelling van appellanten dat de Aartsbisschop deze bevoegdheid zou genieten is evenmin te vinden in de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 en de daarbij gevoerde correspondentie. Noch uit de inschrijvingen noch uit de beantwoording van de brief van de Aartsbisschop van 13 januari 1855 door Sint Jansplaats (welke beantwoording in verband met de positie en het kerkelijke gezag van de Aartsbisschop voor de hand lag) valt immers iets af te leiden omtrent de bevoegdheid bestuursleden te vervangen of regelen te stellen.</para>
    <para>"7. Uit het bovenoverwogene vloeit voort dat niet is gebleken dat vóór 1855 de Aartsbisschop de bevoegdheid had bestuursleden van Sint Jansplaats door anderen te vervangen of aan deze bestuursleden of aan Sint Jansplaats rechtens bindende regels voor te schrijven, weshalve de tweede grief niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden. </para>
    <para>"8. De derde grief is gericht tegen het oordeel vervat in de overwegingen der Rechtbank dat de armbezorgers/regenten niet waren of zijn - noch zich hebben - onderworpen aan de kerkelijke armwetgeving in de opeenvolgende reglementen van 1855, 1924, 1936 en 1948. Bij de behandeling van de tweede grief is reeds overwogen, dat niet is gebleken, dat de bestuurders van Sint Jansplaats in hun kwaliteit vóór 1855 rechtens waren onderworpen aan reglementen uitgevaardigd door de Aartsbisschop, zodat thans alleen nog van belang is of deze bestuurders q.q. zich in 1855 of daarna aan deze reglementen hebben onderworpen.</para>
    <para>Bij de beoordeling van de betekenis der producties waarop appellanten in dit verband een beroep doen, moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met het hierboven reeds genoemde kerkelijke gezag van de Aartsbisschop, dat moet worden onderscheiden van de bevoegdheid voor Sint Jansplaats en/of haar bestuurders q.q. rechtens bindende reglementen uit te vaardigen. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het feit dat zowel omtrent de rechtspositie van Sint Jansplaats en haar verhouding tot het Paradijs als omtrent de bevoegdheden van de Aartsbisschop in de loop der tijden veel onzekerheid heeft bestaan. Zo blijkt bijvoorbeeld uit zijn brieven van 30 oktober en 30 november 1957 dat zelfs bij de Aartsbisschop te voren geen zekerheid omtrent de situatie bestond. Anderzijds blijken ook bij de bestuurders van Sint Jansplaats de opvattingen omtrent hun rechtspositie en de bevoegdheden van de Aartsbisschop niet gelijk te zijn gebleven. De omstandigheid evenwel dat omtrent deze bevoegdheden te eniger tijd later onjuist geachte denkbeelden hebben geheerst, brengt op zich zelf nog niet mee, dat tevoren niet-bestaande bevoegdheden voor de toekomst werden toegekend, noch dat van wel bestaande bevoegdheden afstand werd gedaan. </para>
    <para>"9. Wat nu het kerkelijk reglement van 1855 betreft, beroepen appellanten zich er op, dat nadat de Aartsbisschop het algemeen reglement van 13 mei 1855 had uitgevaardigd, de bestuurders van Sint Jansplaats overeenkomstig artikel 10 van dit reglement op 1 september 1855 een intern reglement hebben vastgesteld dat zij vergezeld van een inventaris van bezittingen in overeenstemming met de artikelen 24 en 25 van het algemeen reglement 1855 bij brief van 20 september 1855 aan de Aartsbisschop hebben ingezonden, dat de bestuurders bij brieven van 5 april 1858, 13 april 1859 overeenkomstig artikel 6 van dit algemeen reglement 1855 aan de Aartsbisschop mededeling hebben gedaan van de "benoeming" en "keuze" van een nieuw bestuurslid, dat zij bij brieven van 12 februari 1859, 9 juli 1860 en 21 maart 1861 in overeenstemming met artikel 26 van het algemeen reglement 1855 aan de Aartsbisschop een opgave van ontvangsten en uitgaven hebben verstrekt en dat zij bij brieven van 28 oktober 1857 en september 1859 overeenkomstig artikel 14 van het algemeen reglement 1855 aan de Aartsbisschop verlof hebben gevraagd voor een onderhandse verhuur respectievelijk verkoop van onroerend goed.</para>
    <para>"10. Zelfs al zou uit deze feiten in onderling verband beschouwd, in overeenstemming met hetgeen de Rechtbank overweegt en in afwijking van de opvatting van [verweerder] c.s. volgen, dat de bestuurders van Sint Jansplaats in deze jaren hebben gemeend dat het door de Aartsbisschop uitgevaardigde algemeen reglement ook op de rechtspersoon Sint Jansplaats toepasselijk was en dat zij derhalve aan dit reglement waren gebonden (het is echter ook geenszins onmogelijk dat zij terwille van het kerkelijk gezag van de Aartsbisschop meenden goed te doen zijn reglement onverplicht op genoemde punten te volgen) dan volgt hieruit nog niet, dat bedoelde bestuurders daarmee een dergelijke verandering in de rechtspositie van Sint Jansplaats hebben aangebracht, dat deze rechtspersoon en haar bestuurders voortaan rechtens gebonden zouden zijn aan ieder later door de Aartsbisschop uit te vaardigen reglement. Van een besluit of wilsuiting van deze bestuurders om zich in de toekomst aan een dergelijke wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop te onderwerpen is niets gebleken. Als zulk een besluit of wilsuiting kan met name niet worden aangemerkt het als voormeld op 1 september 1855 door de toenmalige bestuurders vastgestelde interne reglement.</para>
    <para>"11. Dat de bestuurders gedurende enkele jaren het reglement 1855 hebben nageleefd zonder daarmede in de rechtspositie van Sint Jansplaats wijziging te willen brengen, ja zelfs wellicht zonder zich af te vragen, of zij tot deze naleving al dan niet verplicht waren, is behalve door het kerkelijk gezag van de Aartsbisschop ook te verklaren doordat toepassing van dit reglement in de bestaande toestand ten aanzien van bijzondere inrichtingen, zoals Sint Jansplaats, op de belangrijke punten, krachtens artikelen 2 en 6 geen of slechts geringe verandering bracht en doordat de Aartsbisschop in de toelichting van 31 mei 1855 schreef, dat hij zich boven alles tot regel had gesteld het bestaande zoveel mogelijk te behouden en te bevestigen, dat dit bijzonder betreft het bestaan en de inrichting der Besturen en Administratiën en dat het grote doel dezer regeling was: "enige waarborgen voor een geregeld en rigtig beheer, voor het behoud der fondsen en de nodige verantwoording te stellen."</para>
    <para>Uit de naleving gedurende enige jaren van een op deze wijze aangeboden reglement, kan onmogelijk de conclusie worden getrokken, dat bestuurders zich zelf en hun opvolgers en/of de rechtspersoon Sint Jansplaats bonden aan ieder eventueel in de toekomst door de Aartsbisschop uit te vaardigen reglement.</para>
    <para>"12. Overigens staat tussen partijen onbetwist vast, dat na 1860 de bestuurders van Sint Jansplaats ondubbelzinnig de houding hebben aangenomen, dat zij aan het reglement 1855 niet waren gebonden en dat afzetting wegens herhaalde overtreding van dit reglement waartoe de Aartsbisschop, indien dit reglement voor de bestuurders van Sint Jansplaats zou gelden, krachtens artikel 7 bevoegd zou zijn geweest niet heeft plaats gevonden. Hieruit blijkt dat ondanks bovenvermelde naleving gedurende enige jaren onzekerheid is blijven bestaan omtrent de gelding van dit reglement voor Sint Jansplaats en haar bestuurders q.q. </para>
    <para>"13. Appellanten beroepen zich nog op uit 1867 t/m 1881 daterende brieven, waarin de Aartsbisschop casu quo het gemeentebestuur van Rotterdam aan derden meedelen, dat de regenten van Sint Jansplaats zouden zijn of tevens zouden zijn het "Armbestuur in de zin van het Aartsbisschoppelijk reglement". Uit deze mededelingen, die niet van de bestuurders (regenten) van Sint Jansplaats zelf afkomstig waren, en die slechts wijzen op de hierboven genoemde onzekerheid kan echter niet worden afgeleid, dat zij in hun kwaliteit van bestuurders van Sint Jansplaats, volgens appellanten een van het Paradijs te onderscheiden rechtspersoon, aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop waren onderworpen. </para>
    <para>"14. Appellanten betogen voorts bij deze grief, dat armbezorgers/regenten - bedoeld is kennelijk in hun hoedanigheid van bestuurders van Sint Jansplaats - de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop in 1910 te hunnen opzichte hebben erkend door bij brief van 14 juni 1910 aan de toenmalige pastoor van de Parochie het Paradijs deze uit te nodigen gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheid om zitting te nemen in het bestuur van Sint Jansplaats, en in deze brief te schrijven dat de "bestaan hebbende meningsverschillen waren opgelost." Appellanten beroepen zich er hierbij op, dat deze brief werd geschreven naar aanleiding van ontvangen adviezen van drie adviseurs, die hun advies baseerden op artikel 5 van het algemeen reglement 1855.</para>
    <para>Evenwel, zelfs indien uit deze brief in verband met deze aanleiding zou kunnen worden afgeleid dat de toenmalige bestuurders in 1910 van oordeel waren dat het algemeen reglement 1855 gelding voor hen had, dan volgt ook hieruit nog geen onderwerping aan een wetgevende macht van de Aartsbisschop, in die zin dat Sint Jansplaats en/of haar bestuurders aan ieder toekomstig reglement van de Aartsbisschop zouden zijn gebonden. Het meningsverschil met de pastoor, dat in 1910 als opgelost werd beschouwd betrof blijkens deze brief ook geenszins een dergelijke wetgevende macht van de Aartsbisschop, doch alleen de vraag of de pastoor recht had deel uit te maken van het bestuur.</para>
    <para>"15. Ook ten aanzien van de brief van 13 januari 1913 aan de Aartsbisschop, waarin goedkeuring van een onderhandse verkoop wordt gevraagd, in overeenstemming met artikel 14 van het algemeen reglement 1855, geldt dat hierin geen onderwerping aan een wetgevende macht als hierboven bedoeld kan worden gezien.</para>
    <para>"16. Hetzelfde geldt van de brief van de secretaris van Sint Jansplaats aan de Aartsbisschop van 9 februari 1920, waarin de schrijver in antwoord op een brief van de Aartsbisschop namens het bestuur meldt, dat "in verband met de verplichting aan hun bestuur in het algemeen reglement van Armenfondsen in het Aartsbisdom Utrecht opgelegd", aan de uitnodiging van de Aartsbisschop gevolg zal worden gegeven, welke uitnodiging blijkens het vervolg van deze brief en de daarop volgende brief van 20 april 1920 kennelijk betrekking had op het zenden van gegevens over het afgelopen jaar.</para>
    <para>Uit deze brieven kan wel worden afgeleid, dat in 1920 bij het bestuur de mening bestond (wellicht tengevolge van de niet overgelegde brief van de Aartsbisschop) dat het verplicht was het reglement van 1855 na te leven, doch gezien het feit dat deze mening in strijd was met het standpunt dat het bestuur zowel tevoren als daarna heeft ingenomen (tussen partijen staat onbetwist vast, dat het reglement 1855 overigens veelal niet door de bestuurders van Sint Jansplaats is nageleefd) kan aan deze mening in 1920 geen grote waarde worden gehecht en kan deze zeker. niet tengevolge hebben dat het bestuur aan door de Aartsbisschop in de toekomst uit te vaardigen reglementen welke de bevoegdheden van de besturen sterk zouden beknotten, zou zijn gebonden.</para>
    <para>"17. Uit het bovenstaande volgt, dat, waar niet is komen vast te staan dat de Aartsbisschop bevoegd was voor Sint Jansplaats en/of haar bestuurders bindende reglementen uit te vaardigen, ook niet is komen vast te staan dat, toen in 1924 door de Aartsbisschop een nieuw reglement werd uitgevaardigd, dit reglement op Sint Jansplaats en/of haar bestuurders toepasselijk was. Het staat tussen partijen wel vast, dat ook dit reglement - evenals dat van 1855 en de latere in 1936 en 1948 uitgevaardigde reglementen - door de bestuurders van Sint Jansplaats vrijwel niet zijn nageleefd."</para>
    <para>dat het Hof, na vervolgens in de rechtsoverwegingen 18, 19, 20 en 21 enige andere argumenten van appellanten te hebben besproken, vervolgens heeft overwogen: </para>
    <para>"22. Uit hetgeen hierboven onder nos. 8 - 21 is overwogen volgt, dat het door appellanten bij hun derde grief aangevoerde niet tot toewijzing van enige vordering van appellanten kan leiden, nu hun vorderingen gebaseerd zijn op de vervanging door de Aartsbisschop van de bestuurders van Sint Jansplaats krachtens het reglement van 1948, ten aanzien van welk reglement niet gebleken is, dat het op Sint Jansplaats en/of haar bestuurders q.q. toepasselijk is. </para>
    <para>"23. Bij de vierde grief betogen appellanten in de eerste plaats, dat de Rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten in hoeverre de reglementen van 1936 en 1948 rechtsgeldig zijn tot stand gekomen. Dit punt kan echter inderdaad in het midden worden gelaten, aangezien, al zijn deze reglementen rechtsgeldig tot stand gekomen en dus geldig in de Oud-Katholieke kerk en haar gemeenten, zulks nog niet meebrengt dat zij ook van toepassing zijn op een van de kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon als Sint Jansplaats en/of haar bestuurders q.q.</para>
    <para>Nu niet is komen vast te staan, dat het reglement 1948 op Sint Jansplaats en/of haar bestuurders q.q. toepasselijk was, kon de Aartsbisschop ook niet aan dit reglement de bevoegdheid ontlenen [verweerder] c.s. als bestuurders van Sint Jansplaats door anderen te vervangen.</para>
    <para>"24. Appellanten richten zich bij deze grief ook tegen hetgeen de Rechtbank onder XXIV overweegt, doch dit kan niet tot vernietiging van het vonnis leiden, nu het hier kennelijk een ten overvloede gegeven overweging betreft. </para>
    <para>"25. Tenslotte betogen appellanten bij deze grief dat de door [verweerder] c.s. verdedigde situatie en haar consequenties in het kerkelijk bestel niet aanvaardbaar is en onverenigbaar met de maatstaven welke voor een behoorlijk armbestuur moeten gelden, zowel naar het canonieke en kerkelijke recht als naar hetgeen aan de wereldlijke overheid bij de invoering van de Armenwet 1854 voor het beheer van kerkelijke fondsen voor ogen heeft gestaan. Hier moet onderscheiden worden tussen de vraag naar hetgeen in het kerkelijk bestel wenselijk en naar kerkelijke opvattingen aanvaardbaar of onaanvaardbaar is (waaromtrent de burgerlijke rechter niet vermag te oordelen) en de vraag of naar geldend burgerlijk recht de Aartsbisschop bevoegd is bestuursleden van een rechtens zelfstandige rechtspersoon door anderen te vervangen. Hetgeen appellanten hier betogen kan niet tot de conclusie leiden dat de Aartsbisschop hiertoe ten aanzien van Sint Jansplaats bevoegd is. Zouden zich ten aanzien van oude rechtspersonen door gebrek aan controle wantoestanden voordoen, dan kan uiteraard de nederlandse wetgever ingrijpen, doch zonder wettelijke basis komt deze bevoegdheid niet toe aan de Aartsbisschop. Overigens is in casu van wanbeheer niets gesteld of gebleken.</para>
    <para>"26. De vijfde grief gaat uit van de gegrondheid der overige grieven, althans van een gedeelte daarvan, en mist derhalve zelfstandige betekenis.</para>
    <para>De door de Rechtbank in het midden gelaten vraag of de Aartsbisschop het recht zou hebben de armenzorg in de gemeente op andere wijze te organiseren door deze op te dragen aan een kerk- en armbestuur kan inderdaad buiten beschouwing blijven, aangezien het in deze niet gaat om de organisatie van de armenzorg in de gemeente, maar om de vraag wie bestuurders zijn van de rechtspersoon Sint Jansplaats.</para>
    <para>"27. Waar geen der grieven tot toewijzing van een vordering van appellanten kan leiden, behoort het vonnis der Rechtbank te worden bekrachtigd.";</para>
    <para>Overwegende dat eisers deze beslissingen met de navolgende cassatiemiddelen hebben bestreden: </para>
    <para>"I. Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1349, 1355, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1690, 1691, 1692, 1693, 1694, 1695, 1696, 1697, 1699, 1700, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 332, 339, 343, 347, 348, 353 en 711 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie en 175 van de Grondwet, 1 en 4 van de Wet op de Kerkgenootschappen, door te overwegen en recht te doen gelijk in voormeld arrest omschreven, ten onrechte, omdat, waar het Hof onderscheidt tussen het kerkelijk gezag, dat de Aartsbisschop in zijn kerkgenootschap uitoefent, en zijn bevoegdheid bestuursleden te vervangen van een van de kerk en de kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon of voor deze rechtspersoon naar burgerlijk recht bindende regelen vast te stellen, en daarnaast gevolgen verbindt aan het moreel en kerkelijk gezag van de Aartsbisschop der Oud-Katholieke kerk, uit 's Hofs arrest niet duidelijk en begrijpelijk wordt welke betekenis "kerkelijk gezag" heeft en waarin het onderscheid tussen "kerkelijk gezag" en "moreel gezag" bestaat en of "kerkelijk gezag" een rechtsbegrip is en/of bevoegdheden inhoudt of meebrengt en zo ja, waarom het kerkelijk gezag van de Aartsbisschop van de Oud-Katholieke kerk in zijn kerkgenootschap zich dan niet mede uitstrekte tot Sint Jansplaats, waarvan het vermogen was en/of is bestemd tot verzorging van de armen van het Paradijs, een Oud-Katholieke gemeente, en waarvan de bestuurders leden waren van de Oud-Katholieke kerk, hetgeen althans het geval is, waar, gelijk vaststaat althans door eisers gesteld is, de zorg voor de Oud-Katholieke armen tot de taak van het Oud-Katholieke kerkgenootschap behoorde en behoort (rechtsoverwegingen 2, 3, 4, 8, en 10). </para>
    <para>II. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1, 2, 3, 7, 9, 10, 11, 12 en 20 van de wet van 28 juni 1854, tot regeling van het Armbestuur, Staatsblad 1854 no. 100, 48, 59, 332, 339, 343, 347, 348, 349, 353 en 711 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1349, 1355, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1690, 1691, 1692, 1693, 1694, 1695, 1696, 1697, 1699, 1700, 1902, 1903, 1952 en 1959 van het Burgerlijk Wetboek, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie en 175 van de Grondwet, door te overwegen en recht te doen gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte,</para>
    <para>(1) omdat, waar vaststaat althans door eisers gesteld is, dat het Armbestuur der R.C. Kerk het Paradijs en het Arm- en Weeshuis Sint Jansplaats (R.C. kerk het Paradijs) waren ingeschreven als instellingen ener kerkelijke gemeente, vanwege die kerkelijke gemeente geregeld en bestuurd in de zin van artikel 2, lid 1 onder b, van de Armenwet 1854, 's Hofs beslissing, dat uit die inschrijvingen niet iets valt af te leiden omtrent de bevoegdheid bestuursleden te vervangen of regelen te stellen, is onjuist of onbegrijpelijk, aangezien, al moge juist zijn dat deze inschrijvingen niet beslissend zijn voor de vraag omtrent de bevoegdheid bestuursleden te vervangen of regelen te stellen, 's Hofs beslissing in zijn algemeenheid onjuist is en daaruit wel degelijk iets af te leiden valt omtrent de aard en de regeling en het bestuur dier instelling en dus ook omtrent de bevoegdheid bestuursleden te vervangen of regelen te stellen, hebbende het Hof tenslotte miskend, dat eisers in het kader van de tweede grief in hoger beroep aangevoerd hebben, dat in verband met onder meer de bedoelde inschrijvingen niet anders kan worden geoordeeld dan dat onder meer armbezorgers/regenten in 1855 ervan zijn uitgegaan, dat de armbezorgers/regenten - in ieder geval: alstoen - tot de organisatie van de kerk van Utrecht behoorden en als zodanig aan het gezag van de Aartsbisschop waren onderworpen, waaromtrent het Hof niet heeft beslist, zodat 's Hofs arrest in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed (rechtsoverweging 4).</para>
    <para>III. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1349, 1355, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1690, 1691, 1692, 1693, 1694, 1695, 1696, 1697, 1699, 1700, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 332, 339, 343, 347, 348, 349, 353 en 711 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie en 175 van de Grondwet, 1 en 4 van de Wet op de Kerkgenootschappen, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, (1) omdat van gebondenheid van Sint Jansplaats en/of haar bestuurders aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop en/of door hem uit te vaardigen reglementen, niet slechts sprake is of kan zijn, indien Sint Jansplaats en/of haar bestuurders zich aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop of de kerkelijke armwetgeving hebben onderworpen, doch reeds indien zij deze hebben erkend en/of aanvaard, hetgeen althans het geval is, enerzijds waar aan de Aartsbisschop van de Oud-Katholieke kerk (groot) moreel en/ of kerkelijk gezag toekwam en anderzijds waar sedert 1573 in Holland krachtens resoluties, plakkaten en/of octrooien van de Staten van Holland de uitoefening van de Katholieke eredienst verboden was en de Katholieke kerk rechtens een verboden vereniging of instelling was, doch doelvermogens, gelijk Sint Jansplaats, tot verzorging van de Katholieke armen en/of van de armen van een Katholieke gemeente rechtens sedert de zeventiende eeuw althans de eerste helft van de achttiende eeuw wel in Holland in het bijzonder in Rotterdam bestonden en toegelaten waren, en voorts waar de Oud-Katholieke kerk in 1796 ophield rechtens een verboden vereniging of instelling te zijn en tenslotte waar voor 1795 liefdadigheid of armenzorg primair als een taak van de kerken werd gezien en nadien de Oud-Katholieke kerk deze taak tot de hare heeft gerekend, zodat bij de beantwoording van de vraag naar de gebondenheid, als in de aanhef van dit onderdeel bedoeld, uitgegaan behoort te worden van de kerkelijke, kerkrechtelijke en/of canoniek-rechtelijke verhoudingen. die vóór en na 1795 bestonden tussen een doelvermogen als Sint Jansplaats en de Oud-Katholieke kerk, hetgeen het Hof in strijd met het recht heeft nagelaten (rechtsoverwegingen 8 - 11, 13, 14 en 15), </para>
    <para>(2) welk een en ander althans geldt, waar het Hof ervan uitgaat - en dus in cassatie als uitgangspunt mag dienen - dat de bestuurders van Sint Jansplaats in de jaren 1855-1861 hebben gemeend, dat het door de Aartsbisschop uitgevaardigde algemeen reglement ook op de rechtspersoon Sint Jansplaats toepasselijk was en dat zij derhalve aan dit reglement waren gebonden, voor welk geval 's Hofs conclusie, dat hieruit nog niet volgt, dat bedoelde bestuurders daarmee een dergelijke verandering in de rechtspositie van Sint Jansplaats hebben aangebracht, dat deze rechtspersoon en haar bestuurders voortaan rechtens gebonden zouden zijn aan ieder later door de Aartsbisschop uit te vaardigen reglement, in strijd is met het recht, waar het Hof, zoals hiervoor gesteld, een met het recht strijdig criterium voor de beantwoording van de vraag naar de bedoelde gebondenheid heeft gebezigd, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, waar de gebondenheid aan het reglement 1855 zonder gebondenheid aan ieder later door de Aartsbisschop uit te vaardigen reglement zonder nadere redengeving onduidelijk en onbegrijpelijk is (rechtsoverwegingen 10 en 11) </para>
    <para>(3) zijnde om overeenkomstige redenen 's Hofs beslissing in rechtsoverweging 14 in strijd met het recht althans ongrijpelijk,</para>
    <para>(4) hebbende het Hof voorts, bij de beantwoording van de vraag naar de bovenbedoelde gebondenheid, in strijd met het recht nagelaten de gebeurtenissen rond het reglement van 1855, als omschreven in rechtsoverweging 9, in verband te brengen met de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 en de daarbij gevoerde correspondentie, als omschreven in rechtsoverweging 4, aangezien het mogelijk is, dat voormelde gebeurtenissen en voormelde inschrijvingen ieder op zich zelf bezien niet tot de bedoelde gebondenheid leiden, doch wel in onderling verband en samenhang als hoedanig een en ander ook door eisers is aangevoerd (rechtsoverwegingen 4 en 8 -11),</para>
    <para>(5) hebbende het Hof voorts om dezelfde reden in strijd met het recht nagelaten de uit 1869 t/m 1881 daterende brieven van de Aartsbisschop casu quo het gemeentebestuur, als bedoeld in rechtsoverweging 13, alsmede de brief van 14 juni 1910, als bedoeld in rechtsoverweging 14, en de brief van 13 januari 1913, als bedoeld in rechtsoverweging 15, en de brief van 9 februari 1920, als bedoeld in rechtsoverweging 16, in onderling verband en samenhang met de gebeurtenissen rond het reglement van 1855 en de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 en de daarbij gevoerde correspondentie te bezien, waaraan niet afdoet, dat wellicht in elk der door het Hof bedoelde gebeurtenissen geen onderwerping aan een regelgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop gezien kan en mag worden (rechtsoverwegingen 13 - 16),</para>
    <para>IV. Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1349, 1355, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1690, 1691, 1692, 1693, 1694, 1695, 1696, 1697, 1699, 1700, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 5, 48, 59, 134, 141, 142, 332, 339, 343, 348, 349, 353 en 711 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, 1 en 4 van de Wet op de Kerkgenootschappen, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, omdat, waar eisers in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gevorderd onder meer te verklaren voor recht, dat het armbestuur van de Parochie ...... sedert 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] , en waar eisers in de vijfde grief onder B in hoger beroep hebben aangevoerd:</para>
    <para>""De bevoegdheid van de aartsbisschop tot terzijdestelling; de primair gevorderde verklaring voor recht. Ook indien - anders dan hiervoor is uiteengezet - juist zou zijn dat de armbezorgers/regenten niet waren of zijn onderworpen aan het gezag en de wetgevende bevoegdheid van de aartsbisschop en dat zij (a) zich na 1860 (alleen) zijn blijven belasten met de gewone armenzorg in het Paradijs en in zoverre (slechts) als armbestuur hebben "gefungeerd" (zie onder XX) en/of (b) deel uitmakende van de rechtspersoon Sint Jansplaats, aldus die gewone armenzorg (slechts) "in feite" in handen hebben gehad (zie onder XXIV), is de overweging van de Rechtbank onder XXVII niet juist. Gaat men van de gemelde veronderstelling uit, dan valt niet in te zien, waarom de aartsbisschop als de daarvoor aangewezen autoriteit niet het recht zou hebben armbezorgers/regenten voor wat betreft de gewone armenzorg terzijde te stellen casu quo die gewone armenzorg uit hun handen te nemen en in overeenstemming met het vigerende Reglement 1948 anderen tot armmeester te benoemen casu quo onder leiding van de pastoor met de aan dat ambt verbonden werkzaamheden - van gewone armenzorg - te belasten. Enig bezwaar daartegen is niet aanwezig en is dan ook niet door de Rechtbank aangevoerd. Welnu, de aartsbisschop heeft van dat recht gebruik gemaakt door enerzijds aan [verweerder] c.s. te berichten dat hij hen "niet meer in de functie van armmeesters der Paradijs-gemeente - en daarmede tevens als regenten v/h arm- en weeshuis Sint Jansplaats - (kon) erkennen, noch deze functie op welke wijze ook door U gerepresenteerd achten" en anderzijds [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] - reeds eerder kerkmeesters, tevens - tot armmeester te benoemen. Het feit, dat in het aangehaalde bericht van de aartsbisschop aan [verweerder] c.s. tevens voorkomen de in het citaat tussen streepjes geplaatste woorden, doet niet ter zake. Die woorden zijn in het systeem van de Rechtbank een slag in de lucht en uit dien hoofde in dat systeem te verwaarlozen. Met het oog op een en ander had de Rechtbank onder XXVII - ook in haar eigen gedachtengang - niet kunnen of mogen oordelen dat "alle vorderingen van de eisers (moeten) worden afgewezen", maar veeleer - en ten minste - voor toewijzing vatbaar moeten achten, althans aan het Paradijs, de primair gevorderde verklaring voor recht, voor zover ertoe strekkend, dat voor recht zal worden verklaard dat "het armbestuur van de Parochie .... sedert 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] en [armmeester 4] ". Het Paradijs had en heeft belang bij deze verklaring voor recht, omdat [verweerder] c.s. hebben gesteld en volgehouden "dat het armbestuur van het Paradijs ..... thans uitsluitend wordt gevormd door [verweerder] c.s., hebbende de pastoor [pastoor] door zijn houding in de onderhavige procedure te kennen gegeven niet meer als voorzitter van dat bestuur .... te willen optreden". Van een "eventualiteit" als bedoeld onder XXVIII kan ook in het systeem van de Rechtbank geen sprake zijn. De aartsbisschop heeft van zijn daargenoemde bevoegdheid gebruik gemaakt. Indien als gevolg daarvan Sint Jansplaats niet meer aan haar doelstelling zou kunnen voldoen, doet aan het betoogde niet af. Voor zover de Rechtbank onder XXVIII in verband met haar "eventualiteit" overigens - uitsluitend - gewaagt van een opdracht tot armenzorg aan een kerk- en armbestuur, miskent zij tenslotte dat artikel 1 van het Reglement 1948 voorziet in de mogelijkheid van een afzonderlijk kerkbestuur. Het is aan de aartsbisschop voorbehouden te beslissen of er in het Paradijs zulke afzonderlijke besturen zullen zijn dan wel een kerk- en armbestuur"", </para>
    <para>het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed door niet omtrent de vijfde grief onder B in hoger beroep te beslissen, terwijl 's Hofs arrest althans onjuist of onbegrijpelijk is - en als zodanig niet naar de eis der wet met redenen omkleed - omdat de vijfde grief onder B juist uitgaat van de ongegrondheid van de overige grieven en als zodanig juist wel zelfstandige betekenis heeft, hebbende het Hof voorts miskend, dat het in deze - medegaat om de organisatie van de armenzorg in de gemeente en eisers althans recht en belang hebben bij voormelde verklaring voor recht, omdat [verweerder] c.s. in dit geding hebben gesteld en volgehouden, "dat het armbestuur van het Paradijs .... thans uitsluitend wordt gevormd door [verweerder] c.s., hebbende de pastoor [pastoor] door zijn houding in de onderhavige procedure te kennen gegeven niet meer als voorzitter van dat bestuur...... te willen optreden" en/of "Waar de aartsbisschop van Utrecht niet bevoegd was [verweerder] c.s. als armbezorgers/ regenten te ontslaan, terzijde te stellen en te vervangen, wordt het armbestuur van het Paradijs ... thans gevormd door [verweerder] c.s. (rechtsoverweging 26). ";</para>
    <para>Overwegende omtrent het eerste middel:</para>
    <para>dat in de bestreden overwegingen duidelijk tegenover elkander worden gesteld enerzijds het morele en kerkelijke gezag, dat aan de Aartsbisschop toekomt en anderzijds de door eisers beweerde bevoegdheid bestuursleden te vervangen van een van de kerk en de kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon als Sint Jansplaats of voor deze rechtspersoon naar burgerlijk recht bindende regelen vast te stellen;</para>
    <para>dat in het licht van deze tegenstelling - anders dan het middel stelt - het Hof niet nader behoefte aan te geven, waaruit bedoeld kerkelijk en moreel gezag bestaat, nu het Hof besliste, dat daarin de voormelde bevoegdheid niet was begrepen;</para>
    <para>dat het bestreden arrest uitvoerige beschouwingen bevat omtrent de vraag, waarom het kerkelijk gezag van de Aartsbisschop zich niet uitstrekte tot Sint Jansplaats, zodat de te dien aanzien aan het slot van het middel te berde gebrachte motiveringsklacht eveneens faalt;</para>
    <para>Overwegende dat het tweede middel, voor zover het stelt, dat 's Hofs aldaar aangevallen beslissing in haar algemeenheid onjuist is, omdat uit de bedoelde inschrijvingen wel degelijk iets valt af te leiden omtrent de aard en de regeling en het bestuur der onderhavige instelling, opkomt tegen een beslissing van feitelijke aard, welke in cassatie niet kan worden getoetst;</para>
    <para>dat het slot van het middel feitelijke grondslag mist, immers in de bestreden vierde rechtsoverweging van 's Hofs arrest de verwerping van dat gedeelte van het middel besloten ligt;</para>
    <para>Overwegende omtrent het derde middel:</para>
    <para>dat dit middel zich richt tegen hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de vraag of in de rechtspositie van Sint Jansplaats, ten aanzien van welke instelling, naar het Hof heeft vastgesteld, de Aartsbisschop althans oorspronkelijk geen enkele bevoegdheid had om rechtens bindende regelen voor te schrijven, later wijziging is gekomen;</para>
    <para>dat het Hof daarbij, uitgaande van de opvatting dat zulk een wijziging zou hebben kunnen voortvloeien uit besluiten of wilsuitingen van de bestuurders van Sint Jansplaats, blijkens welke deze bestuurders zich aan de reglementen van de Aartsbisschop hadden onderworpen, aan de hand van de door eisers aangevoerde argumenten heeft onderzocht of daarvan is gebleken, en tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval is;</para>
    <para>dat het middel in zijn onderdelen 1 - 3 uitgaat van de veronderstelling dat het Hof bij dat onderzoek door het gebruiken van de term "zich onderwerpen" een criterium heeft aangelegd dat meer of verder gaande eisen stelt dan de in het middel gebezigde woorden "erkennen" of "aanvaarden";</para>
    <para>dat deze veronderstelling in de door het Hof gebezigde terminologie echter geen steun vindt, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist;</para>
    <para>dat, voor zover die onderdelen er over klagen, dat het Hof een onderwerping aan - erkenning of aanvaarding van - een reglementerende bevoegdheid van de Aartsbisschop ten aanzien van Sint Jansplaats niet heeft afgeleid uit de tijdelijke naleving van bepaalde reglementen, die onderdelen opkomen tegen beslissingen welke berusten op een feitelijke waardering van de omstandigheden waaronder de naleving plaats vond, en daarom voor toetsing in cassatie niet vatbaar zijn;</para>
    <para>dat, voor zover het eerste onderdeel van het middel er nog over klaagt dat het Hof geen aandacht heeft geschonken aan de kerkelijke, kerkrechtelijke en/of canoniek-rechtelijke verhoudingen die vóór en na 1795 bestonden tussen een doelvermogen als Sint Jansplaats en de Oud- Katholieke Kerk, het feitelijke grondslag mist, immers onder meer de derde rechtsoverweging er blijk van geeft dat het Hof dat wèl heeft gedaan;</para>
    <para>dat de onderdelen 1 - 3 van het middel daarom falen;</para>
    <para>dat, wat betreft de onderdelen onderdelen onder (4) en (5), uit het bestreden arrest niet blijkt, dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de in voormelde onderdelen van het middel bedoelde verband en samenhang van door eisers aangevoerde argumenten, veeleer het Hof door in de rechtsoverweging 22 te overwegen: "Uit hetgeen hierboven onder nos. 8 - 21 is overwogen, volgt dat het door appellanten bij hun derde grief aangevoerde niet tot toewijzing van enige vordering van appellanten kan leiden" een oordeel omtrent het geheel van de door partijen aangevoerde argumenten heeft gegeven;</para>
    <para>Overwegende omtrent het vierde middel: </para>
    <para>dat blijkens de inleidende dagvaarding de eisers onder I, hebben gevorderd "te verklaren voor recht, dat het Armbestuur van de Parochie, tevens College van Regenten van Sint Jansplaats sedert 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] "; </para>
    <para>dat de desbetreffende eis er van uitging, dat het Armbestuur van de Parochie het Paradijs en van Sint Jansplaats deel uitmaakten van één en dezelfde rechtspersoon;</para>
    <para>dat echter eisers als appellanten bij memorie van grieven hebben verklaard thans uit te gaan van het inzicht dat Sint Jansplaats als een van de Parochie het Paradijs te onderscheiden rechtspersoon moet worden aangemerkt;</para>
    <para>dat op grond daarvan het Hof terecht het petitum, voor zover betreffende de vraag, door welke personen het Armbestuur van voormelde parochie thans wordt gevormd, buiten beschouwing heeft gelaten omdat, zoals het Hof aan het slot van de rechtsoverweging 26 heeft vastgesteld, het onderwerp van het geding toen nog slechts betrof de vraag, wie thans als bestuurders van de rechtspersoon Sint Jansplaats moeten worden aangemerkt;</para>
    <para>Overwegende dat mitsdien geen der middelen tot cassatie kan leiden;</para>
    <para>Verwerpt het beroep;</para>
    <para>Veroordeelt eiseres tot cassatie onder A., de Oud- Katholieke gemeente van de HH. Petrus en Paulus, genaamd "Het Paradijs", zetelende te Rotterdam, in de op het beroep gevallen kosten, tot aan de uitspraak van dit arrest aan de zijde van verweerders in cassatie begroot op f 50, -- aan verschotten en f 1.500, -- voor salaris.</para>
    <para>Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice- President, Wiarda, Houwing, Hülsmann en Loeff, Raden, en door Mr. Wiarda voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de derde maart 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Minkenhof.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>