<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1967:AC4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:37:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC4770</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1967-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">64017</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1967:AC4770" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1967:AC4770</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1969, 63 met annotatie van Ch.J. Enschedé</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1967:AC4770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1967:AC4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:36:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1967:AC4770 Hoge Raad , 24-07-1967 / 64017</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1967:AC4770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Caribische zaak. Doodslag (meermalen gepleegd) door in 1964 in Curaçao met mes meermalen in lichaam van 2 anderen te steken, art. 300 SrNA. Strafmotivering (gevangenisstraf van 15 jaren). Mag straf worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd? </para>
        <para>Stelling dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd, vindt geen steun in enige rechtsregel. Het stond hof vrij bij bepaling van de aan verdachte op te leggen straf niet uitsluitend op schuld van verdachte te letten. </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1967:AC4770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>24 juli 1967. </para>
  <para>Nr. 64017. </para>
  <para>vS.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op het beroep van <emphasis role="underline">[rekwirant]</emphasis>, geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, van beroep peon, wonende op <emphasis role="underline">[woonplaats]</emphasis>, rekwirant van cassatie tegen een vonnis van <emphasis role="underline">het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen</emphasis> van 21 maart 1967, waarbij in hoger beroep, na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 21 december 1965, met vernietiging van een vonnis van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 24 maart 1965, de rekwirant ter zake van twee feiten, beide gekwalificeerd als "doodslag", onder aanhaling van de artikelen 11, 31, 35, 59 en 300 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, met bevel tot vernietiging van het mes, hetwelk als stuk van overtuiging heeft gediend en waarmede de misdrijven opzettelijk werden gepleegd;</para>
    <para>Gehoord het verslag van de Raadsheer de Meijere; </para>
    <para>Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;</para>
    <para>Gelet op het middel van cassatie namens de rekwirant voorgesteld bij op de voet van artikel 11, tweede lid, van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen ingediende, nader bij pleidooi toegelichte schriftuur en luidende :</para>
    <para>"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, met name door schending van de artikelen 196, 199, 206, 208, 229 en 231 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, doordien het Hof aan requirant heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, zulks hoewel naar 's Hofs oordeel een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn indien uitsluitend op de schuld van requirant zou worden gelet, hebbende aldus het Hof gehandeld in strijd met het "niet meer straf dan schuld" principe, immers aan requirant een gevangenisstraf opgelegd welke qua duur uitgaat boven de mate van diens schuld";</para>
    <para>Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof namens de Procureur-Generaal in haar conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;</para>
    <para>Overwegende dat bij de bestreden uitspraak ten laste van rekwirant is bewezen verklaard:</para>
    <para>"1. dat hij, beklaagde, op de 4de november 1964, op het eiland Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk haar, [slachtoffer 1] met een mes, meermalen in het lichaam te steken, tengevolge waarvan zij, [slachtoffer 1] de navolgende verwondingen bekwam,</para>
  </parablock>
  <para>a) een zeer diepe wijdgapende steekwond van 8 bij 3 cm in de bovenbuik;</para>
  <para>b) een zeer diepe steekwond van 3 bij 1 1/2 cm in de bovenbuik;</para>
  <para>c) een ondiepe 2 cm lange steekwond links achter onder in de rug;</para>
  <para>d) een ondiepe steekwond van 4 bij 1 cm aan de buitenzijde even onder de rechter elleboog, </para>
  <para>welke onder b) genoemde steekwond de grote lichaamsslagader dwars heeft doorgesneden, tengevolge waarvan zij, [slachtoffer 1], door een massale, in- en uitwendige dodelijke bloeding, welke terstond nadat haar die steekwond was toegebracht, optrad, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden;</para>
  <para>2. dat hij, beklaagde, op de 4de november 1964, op het eiland Curaçao, [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk hem, [slachtoffer 2] voornoemd, met een mes, in het lichaam te steken, tengevolge waarvan hij, [slachtoffer 2], een zeer grote steekwonde lopend over de gehele mediaanlijn van de buik bekwam, waarbij de op drie en vier na laatste lissen van de dunne darm dwars werden doorgesneden, tengevolge waarvan hij, [slachtoffer 2] aan de gevolgen, die terstond nadat hem die steekwond was toegebracht, optraden, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden.";</para>
  <parablock>
    <para>dat het Hof elk van beide bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als "doodslag" en voorts omtrent de strafbaarheid van rekwirant heeft overwogen: "dat ook de beklaagde ten aanzien van de als voormeld bewezen verklaarde feiten, die bevonden zijn te zijn strafbare feiten en zijn gequalificeerd als voormeld, strafbaar is, zijnde van geen feiten of omstandigheden gebleken, welke of voorschreven bewezen verklaarde feiten straffeloos zouden maken, dan wel de strafbaarheid van beklaagde deswege zouden opheffen;</para>
    <para>dat het Hof tot dit oordeel komt niettegenstaande het betoog van de raadsman van beklaagde, daartoe strekkende, dat beklaagde zou dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat het bewezen verklaarde aan beklaagde niet zou zijn toe te rekenen wegens de gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens;</para>
    <para>dat toch uit het over beklaagde uitgebrachte psychiatrisch-psychologisch rapport dd. 31 januari 1967, hiervoren sub 7 vermeld, blijkt dat de deskundigen tot de conclusie zijn gekomen, dat beklaagde, zij het in zeer geringe mate, toerekeningsvatbaar is te achten;</para>
    <para>dat het Hof deze conclusie overneemt en tot de zijne maakt, zodat het beroep van de raadsman op volledige ontoerekeningsvatbaarheid van beklaagde behoort te worden verworpen;</para>
    <para>dat blijkens het onder 7 vermelde deskundigenrapport de beklaagde weliswaar slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van beklaagde zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn; dat, ware terbeschikkingstelling van de beklaagde mogelijk, teneinde van Regeringswege te worden verpleegd in een psychopathenasyl, bij zodanige, thans niet mogelijke, terbeschikkingstelling verwacht zou moeten worden dat het verblijf van beklaagde in zodanig asyl zeer langdurig zou zijn nu blijkens voormeld deskundigenrapport genezing of verbetering van beklaagde weinig waarschijnlijk is te achten;</para>
    <para>dat, gelet op het gevaar dat deze beklaagde, zoals in meergemeld deskundigenrapport wordt gesignaleerd, voor de gemeenschap oplevert, het Hof geen andere mogelijkheid ziet en het mitsdien juist acht den beklaagde de navolgende straf op te leggen";</para>
    <para>Overwegende ten aanzien van het middel: </para>
    <para>dat de aan het middel ten grondslag liggende stelling, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd in geen rechtsregel steun vindt, en het aan het Hof vrijstond. bij de bepaling van de aan rekwirant op te leggen straf niet uitsluitend op de schuld van rekwirant te letten;</para>
    <para>dat het middel derhalve tevergeefs is voorgesteld;</para>
    <para>Verwerpt het beroep.</para>
    <para>Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Mrs. Boltjes, Vice-President, Hülsmann, Korthals Altes, de Meijere en Beekhuis, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Joosten, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vierentwintigste juli 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren en de Advocaat-Generaal Minkenhof.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>