<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1965:AB4404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB4404</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1965-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9884</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1965:AB4404" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1965:AB4404</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1967, 80</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1965:AB4404">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1965:AB4404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-04T13:14:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1965:AB4404 Hoge Raad , 10-12-1965 / 9884</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1965:AB4404:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Motiveringsklacht die niet tot cassatie kan leiden omdat eiseres tot cassatie daarbij geen belang heeft. Motiveringsdefecten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1965:AB4404:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>10 december 1965 </para>
  <para>v.S.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak nr. 9884 van</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [eiseres]
      </emphasis>, echtgenote van [de echtgenoot] , wonende te [plaats] , eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arrest van 24 november 1964, vertegenwoordigd door mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad;</para>
    <para>tegen</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">de naamloze vennootschap Bierbrouwerij "De Drie Hoefijzers" N.V.</emphasis>, gevestigd te Breda, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door mr. D.J. Veegens, mede advocaat bij de Hoge Raad;</para>
    <para>Gehoord partijen;</para>
    <para>Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot het geven met betrekking tot de kosten van het geding in cassatie van zodanige uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; </para>
    <para>Gezien de stukken;</para>
    <para>Overwegende dat uit het bestreden arrest en uit de gedingstukken blijkt:</para>
    <para>dat de verweerster in cassatie - verder te noemen De Drie Hoefijzers - bij dagvaarding van 19 maart 1963 de eiseres - [eiseres] - heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Maastricht, en heeft gesteld: </para>
    <para>dat bij akte op 17 april 1958 verleden voor notaris [...] te Wittem "De Drie Hoefijzers" ven [betrokkene 1] , toen echtgenoot van [eiseres] , heeft bedongen een vierde hypotheek voor de betaling van onder meer f 3.000, -- op het te Mechelen gelegen pand, waarin [betrokkene 1] een café exploiteerde, welk pand behoorde tot de toen tussen [betrokkene 1] en [eiseres] bestaande huwelijksgemeenschap; dat in deze akte waren opgenomen de navolgende bepalingen betreffende de verplichting van [betrokkene 1] bier van De Drie Hoefijzers te verkopen en wat daarmede samenhangt, door partijen aangeduid als bierafnameverplichting:</para>
    <para>"Voorts verklaarde de comparant [betrokkene 1] nog met de Bierbrouwerij te zijn overeengekomen:</para>
  </parablock>
  <para>1. dat hij verplicht is, om zolang hij eigenaar is van voormelde onroerende zaken, hetzij hij daarin zelf koffiehuizen of bierbottelarijen exploiteert, hetzij door een ander, in die koffiehuizen of bierbottelarijen en in andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren koffiehuizen of bierbottelarijen met aanhorigheden, geen ander bier te verkopen of voorhanden te hebben zonder schriftelijke toestemming van de Bierbrouwerij dan het bier afkomstig uit de Bierbrouwerij en ter keuze van deze rechtstreeks door haar tegen de bij haar gebruikelijke prijzen tegen contante betaling geleverd ofwel door tussenkomst van een door de Bierbrouwerij aangewezen wederverkoper, en wel op verbeurte ener boete van een honderd gulden voor elke overtreding en voor elke dag, dat een overtreding voortduurt, ten behoeve van de Bierbrouwerij. Onder gelijk beding en onder verbeurte van dezelfde boeten zal de schuldenaar verplicht zijn de in voornoemde onroerende zaken en eventueel andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren panden benodigde limonadedranken eveneens uitsluitend van de Bierbrouwerij te betrekken of te doen betrekken;</para>
  <para>3. dat de onderzetter met inachtneming van het hierna speciaal sub c bepaalde aan degenen, aan wie hij de voormelde verbonden zaken of de andere koffiehuizen of bierbottelarijen of een gedeelte daarvan in gebruik en genot afstaat, hetzij onder de titel van huur, hetzij onder welke andere titel ook, gelijke verplichtingen jegens de Bierbrouwerij op moet leggen, als hierboven sub 1, 2 en 2 A door hem op zich zijn genomen.</para>
  <para>4. dat de onderzetter bij eventuele overdracht van de verbonden zaken of van de andere koffiehuizen of bierbottelarijen of van een gedeelte daarvan, onder welke vorm ook, op de nieuwe verkrijgers de verplichtingen moet overbrengen ten behoeve van de Bierbrouwerij, welke voor hem sub 1 tot en met 4 zijn omschreven;</para>
  <para>5. dat de verplichtingen sub 1 tot en met 4 slechts zullen gelden, totdat het door de onderzetter verschuldigde met renten en kosten, alsmede boeten zal zijn afgelost en betaald, en de Bierbrouwerij voorts niets meer uit welken hoofde ook van hem onderzetter te vorderen heeft, en geen borgstellingen of verbintenissen als hoofdelijk medeschuldenares door de Bierbrouwerij voor of met de onderzetter lopen, echter met dien verstande, dat ongeacht deze bepaling, de verplichtingen sub 1 tot en met 4 in elk geval zullen gelden tot en met de dertigste april 1983;</para>
  <para>7. dat bij niet-nakoming van een of meer der bepalingen sub 3, 4 en 6 omschreven, de onderzetter telkens ten behoeve van de Bierbrouwerij een boete zal verbeuren van een duizend gulden, zulks voor iedere overtreding en onverminderd de aansprakelijkheid van de onderzetter bij overtreding van de in deze akte gestipuleerde bedingen door de desbetreffende opvolger of verkrijger. </para>
  <parablock>
    <para>dat bij het overlijden van [betrokkene 1] op 8 maart 1959 [eiseres] , de enige erfgename, die de nalatenschap niet verwierp, hem in al zijn rechten en verplichtingen is opgevolgd en sindsdien tot op heden eigenares is van voormeld pand, waarin steeds het café is geëxploiteerd; </para>
    <para>dat sedert begin december 1962 het voor dit café benodigde bier niet meer wordt betrokken van De Drie Hoefijzers, maar van Brands' Brouwerij te Wylré;</para>
    <para>op welke gronden De Drie Hoefijzers heeft gevorderd [eiseres] te veroordelen om over de periode van 1 januari 1963 tot genoemde dag der dagvaarding, zijnde 63 dagen, aan haar een boete te betalen van 63 X f 100, -- , zijnde f 6.300, -- , voorts [eiseres] te gelasten om aanstonds bedoeld beding met alle daarbij behorende bepalingen stipt in acht te nemen en mitsdien om onmiddellijk het kopen, het ten verkoop aanbieden en het verkopen van ander bier en andere limonadedranken dan afkomstig uit de brouwerij van De Drie Hoefijzers te staken, op straffe van een dwangsom van f 100, -- voor elke dag dat [eiseres] zich niet aan dit bevel houdt ;</para>
    <para>dat de Rechtbank bij vonnis van 13 februari 1964 [eiseres] heeft veroordeeld tot voormelde betaling van f 6.300, -- en haar heeft gelast om aanstonds bedoeld beding met alle daarbij behorende bepalingen stipt in acht te nemen en mitsdien om onmiddellijk het kopen, het ten verkoop aanbieden en het verkopen van ander bier en andere limonadedranken dan afkomstig uit de brouwerij van De Drie Hoefijzers te staken op straffe van een dwangsom van f 100, -- voor elke dag dat [eiseres] zich niet aan dit bevel houdt, zulks na, voor zover thans nog van belang, te hebben overwogen:</para>
    <para>"dat [eiseres] zich heeft beroepen op nietigheid der gehele hypotheekovereenkomst met nevenbedingen, althans van die nevenbedingen, als zijnde volgens haar in strijd met de goede zeden, waar in casu, nu tegenover een geldlening van slechts f 5.000, -- tegen 7,5% een verplichting stond tot bierafname gedurende 25 jaren, van een wanverhouding tussen de wederzijdse prestaties gesproken moet worden;</para>
    <para>"dat onevenredigheid tussen de wederzijdse prestaties zonder meer nog geen nietigheid der overeenkomst medebrengt en de Rechtbank, wel willend aannemende dat een termijn van 25 jaren, zoals De Drie Hoefijzers ook niet heeft bestreden, afwijkt van die welke bij overeenkomsten als de onderhavige gebruikelijk zijn, doch overigens van oordeel zijnde, dat een bierafnameverplichting als in casu door [betrokkene 1] op zich genomen niet onder alle omstandigheden zó bezwarend behoeft te zijn, als [eiseres] het wil doen voorkomen, nietigheid der overeenkomst op die grond dan ook niet aanneemt, afgezien nog ervan dat, zoals niet in geschil is, [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan der litigieuse overeenkomst uit hoofde van vroegere geldleningen nog een bedrag van ruim f 3.500, -- aan De Drie Hoefijzers schuldig was, waarbij de Rechtbank, als zijnde naar haar oordeel ten dezen niet beslissend, buiten beschouwing laat in welke mate De Drie Hoefijzers in het verleden geldleningen en credieten heeft verschaft en of de bij de onderhavige overeenkomst bedongen vierde hypotheek De Drie Hoefijzers voldoende zekerheid verschafte, waaromtrent partijen van mening verschillen; </para>
    <para>"dat [eiseres] zich echter ook erop heeft beroepen, dat de ten processe bedoelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen onder misbruik zijdens De Drie Hoefijzers van omstandigheden waaronder [betrokkene 1] verkeerde, doordat namelijk De Drie Hoefijzers haar geestelijk overwicht zou hebben doen gelden jegens [betrokkene 1] die lichamelijk en geestelijk ziek en onervaren was en voorts bevreesd was, dat hij zijn normale leverancierscrediet zou missen;</para>
    <para>"dat echter tegenover de betwisting door De Drie Hoefijzers van een en ander, [eiseres] geen feiten heeft gesteld, veel minder te bewijzen heeft aangeboden, waaruit van dat doen gelden van haar geestelijk overwicht door De Drie Hoefijzers zou kunnen blijken, gelijk [eiseres] tegenover de betwisting door De Drie Hoefijzers evenmin te bewijzen heeft aangeboden, dat [betrokkene 1] lichamelijk en geestelijk ziek was, zodanig dat hij niet in staat moest worden geacht tot een juiste waardering van de bij de overeenkomst betrokken belangen of tot een handelen in overeenstemming met die belangen, terwijl [eiseres] niet eens gesteld heeft, dat zulks voor De Drie Hoefijzers kenbaar zou zijn geweest;</para>
    <para>"dat, waar niet in geschil is, dat [betrokkene 1] reeds in 1951 een bierafnameverplichting tegenover De Drie Hoefijzers op zich had genomen - welke verplichting in 1957 geëindigd was - veeleer van ervarenheid dan van onervarenheid van [betrokkene 1] gesproken moet worden; </para>
    <para>"dat, indien ook al [betrokkene 1] wellicht bevreesd zou zijn geweest, dat hij, wanneer hij de overeenkomst niet aanging, geen crediet meer zou verkrijgen, daarin alleen nog geen reden zou zijn gelegen om tot misbruik van omstandigheden als voorschreven te besluiten;"</para>
    <para>dat op het door [eiseres] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dit vonnis bij arrest van 24 november 1964 heeft bekrachtigd, na te hebben overwogen:</para>
  </parablock>
  <para>1. dat [eiseres] als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist, dat naar de inhoud van het "bierafnamebeding" de verplichtingen daaruit na de dood van [betrokkene 1] overgingen op diens erfgenamen ; </para>
  <para>2a. "dat deze grief verworpen moet worden;</para>
  <para>b. dat immers, naar het oordeel van het Hof, noch uit de inhoud, noch uit de aard van het beding valt af te leiden, dat het beding zou betreffen een hoogst persoonlijke verplichting van [betrokkene 1] ;</para>
  <para>c. dat zulks volgt uit het feit dat blijkens de bepalingen van het beding de "bierafnameverplichting" blijft bestaan ingeval een ander het café zou exploiteren en die bepalingen sub 3, 4 en 6 een zogenaamd kettingbeding bevatten zakelijk inhoudende onder meer dat, wanneer een ander het verbonden pand of andere onder het beding vallende café's onder bijzondere titel verkrijgt, de hypotheekgever de "bierafnameverplichting" aan deze ander moet opleggen, alsook uit het feit, dat zonder enige beperking is bepaald, dat de bedoelde verplichting in elk geval zal gelden tot en met 30 april 1983;</para>
  <para>d. dat weliswaar de bepalingen, waarin het "bierafnamebeding" in de akte is omschreven, aanvangen met de woorden "dat hij verplicht is om zolang hij eigenaar is .... ", doch hiermede kennelijk wordt aangeduid, dat de verplichting voor [betrokkene 1] - en daarmede ook voor diens rechtsopvolgers onder algemene titel - slechts geldt zolang de eigendom niet onder bijzondere titel aan een ander is overgegaan, in welk geval het zogenaamd kettingbeding werkt;</para>
  <para>e. dat de bepalingen aldus conform het bepaalde bij artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek in derzelver verband genomen en de een door de ander uitgelegd duidelijk zijn en artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing kan vinden;</para>
  <para>f. dat [eiseres] wel nog stelt, dat tussen partijen geen wilsovereenstemming heeft bestaan over het overgaan der verplichting op de erven, omdat [betrokkene 1] het beding niet zo begrepen heeft en het zo niet heeft kunnen begrijpen, doch, nu niet blijkt, dat partijen het tegendeel bedongen hebben, overgang van rechten en plichten van de erflater op diens erven van rechtswege plaats heeft;</para>
  <para>3. " dat [eiseres] 's tweede grief inhoudt, dat de Rechtbank ten onrechte beslist heeft, dat een "bierafnamebeding" met een inhoud als hier door haar aangenomen niet nietig is wegens strijd met de goede zeden;</para>
  <para>4a. "dat [eiseres] hierbij over het hoofd ziet, dat, naar tussen partijen als erkend vaststaat, de looptijd van het beding van 25 jaar op 12 jaar werd teruggebracht; </para>
  <para>b. dat, wat er van deze laatste termijn zij, het beding in ieder geval geacht moet worden te gelden voor een periode, welke niet in strijd is met de goede zeden en niet gesteld of gebleken is, dat thans reeds het einde van zulk een periode bereikt zou zijn;</para>
  <para>c. dat deze grief derhalve verworpen moet worden;</para>
  <para>d. dat overigens het "bierafnamebeding" niet zonder meer nadelig was voor [betrokkene 1] , zoals [eiseres] stelt, daar de overeenkomst een crediet voor hem opende en dit beding hem de mogelijkheid liet als caféhouder een normale winst te maken, zijnde niet gesteld of gebleken, dat de door De Drie Hoefijzers berekende prijzen een lagere winstmarge overlieten, dan die van andere brouwerijen; </para>
  <para>5a. "dat zelfs al zou de overeenkomst nadelig geweest zijn voor [betrokkene 1] , dit slechts één der factoren kan vormen, die - naast alle andere omstandigheden, welke bij het aangaan van de overeenkomst een rol gespeeld hebben - bepalen of de overeenkomst is aangegaan uit een oorzaak, welke strijdt met de goede zeden;</para>
  <para>b. dat het feit dat [eiseres] met zijn echtgenote stonden tegenover de brouwerij met haar juristen en haar notaris, nog niet medebrengt, dat zijdens de brouwerij misbruik van omstandigheden is gemaakt, terwijl van het echtpaar [betrokkene 1] toch verwacht mocht worden, dat het zich behoorlijk van de aan te gane verplichtingen op de hoogte zou stellen of zich zo nodig door deskundigen zou laten raden;</para>
  <parablock>
    <para>c . dat zijdens [eiseres] is overgelegd een schrijven d.d. 13 maart 1964 van de zenuwarts [...] , waarin deze tot slot verklaart: "Evenmin kan geponeerd worden, dat de verminderde geestelijke capaciteit van [betrokkene 1] kenbaar moet zijn geweest voor wie zakelijk met hem handelde;</para>
    <para>wel zal een zekere geremdheid en overbezorgdheid mogelijk opgevallen zijn";</para>
  </parablock>
  <para>d. dat hieruit, noch uit de verdere inhoud van gemeld schrijven kan volgen, dat [betrokkene 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een geestelijk wrak was, zoals [eiseres] stelt, noch dat dit aan de wederpartij kenbaar was;</para>
  <para>e. dat ook al zou aan bezorgers en agenten van De Drie Hoefijzers "natuurlijk" bekend geweest moeten zijn, dat [betrokkene 1] aan bewustzijnsstoornissen leed, in het ziekenhuis te Heerlen was opgenomen en daarna onder poliklinische controle bleef, gelijk [eiseres] aanvoert, dit dan nog niet medebrengt, dat [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan der overeenkomst voor De Drie Hoefijzers kenbaar slechts in verminderde mate of geheel niet in staat was zijn wil te bepalen;</para>
  <para>f. dat dan ook De Drie Hoefijzers mocht aannemen, dat de door [betrokkene 1] ondertekende akte diens bewuste wilsuiting bevatte;</para>
  <para>6. " dat derhalve falen zowel de derde, als de vierde, en de vijfde grief inhoudende, dat de Rechtbank ten onrechte besliste dat er in casu geen sprake is van nietigheid der gestelde overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden, door De Drie Hoefijzers gepleegd, dat er geen sprake was van afwezigheid van wilsovereenstemming bij [betrokkene 1] en dat [eiseres] 's beroep op dwaling bij [betrokkene 1] verworpen moet worden";</para>
  <parablock>
    <para>Overwegende dat [eiseres] tegen dit arrest is opgekomen met het navolgende middel van cassatie:</para>
    <para>"Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, een en ander in het bijzonder als vervat in de artikelen: 501, 502, 1208, 1216, 1217, 1219, 1221, 1269, 1270, 1275, 1278, 1283, 1285, 1349, 1350, 1351, 1354, 1355, 1356, 1365, 1366, 1367, 1371, 1372, 1373, 1374, 1375, 1376, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 14 der Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 48, 59, 134, 343, 347, 348, 349, 353, 611ª en 611ᵇ van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 175 der Grondwet, 20 en 69 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie;</para>
    <para>doordien het Hof op de in zijn arrest vervatte gronden, welke geacht moeten worden te dezer plaatse woordelijk te zijn ingelast, heeft bevestigd het beroepen vonnis van de Rechtbank, waarbij de in prima door De Drie Hoefijzers tegen [eiseres] ingestelde vorderingen waren toegewezen in voege als in het dictum van voormeld vonnis is vermeld, ten onrechte immers:</para>
  </parablock>
  <para>a) naar aanleiding van de tweede appelgrief van [eiseres] heeft het Hof overwogen als hiervoren onder 3, 4ª, b en c is vermeld. 's Hofs vaststelling dat, naar tussen partijen als erkend vaststaat, de looptijd van het ten processe bedoelde "bierafnamebeding" van 25 jaar op 12 jaar werd teruggebracht, laat ruimte voor tweeërlei lezing, te weten:</para>
  <parablock>
    <para>1º dat de kortere termijn van (ten minste) 12 jaar nader tussen partijen is overeengekomen, en:</para>
    <para>2º dat De Drie Hoefijzers de oorspronkelijk overeengekomen termijn van (ten minste) 25 jaar tot (ten minste) 12 jaar heeft teruggebracht door afstand te doen van haar rechten, voor zover zij deze krachtens het oorspronkelijke beding voor een langere termijn dan (ten minste) 12 jaar had kunnen doen gelden.</para>
    <para>Ingeval 's Hofs voormelde vaststelling overeenkomstig het sub 2° gestelde moet worden opgevat, had het Hof de al of niet geldigheid van het beding bij een duur, waarvoor het bij de ten processe overgelegde akte van 17 april 1958 was overeengekomen, moeten beoordelen en geen rekening mogen houden met verkorting van die duur door een eenzijdige handeling van De Drie Hoefijzers. Indien het beding immers in verband met de lange duur, waarvoor het volgens bedoelde akte oorspronkelijk was bestemd te gelden, in strijd met de goede zeden en dientengevolge nietig was, kan het niet alsnog geldig zijn geworden doordat De Drie Hoefijzers achteraf deze duur eenzijdig heeft verkort.</para>
    <para>Zou niet zijn vast te stellen, welke van beide genoemde lezingen de juiste is, dan kan niet beoordeeld worden, of het Hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan. Alsdan bevat 's Hofs arrest niet de gronden, waarop het in dit opzicht berust, en is het derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. </para>
  </parablock>
  <para>b) In het midden latende, of het "bierafnamebeding", nadat deszelfs looptijd van 25 jaar op 12 jaren was teruggebracht, geldig moet worden geacht, heeft het Hof overwogen: "dat, wat er van deze laatste termijn zij, het beding in ieder geval geacht moet worden te gelden voor een periode, welke niet in strijd is met de goede zeden en niet gesteld of gebleken is, dat thans reeds het einde van zulk een periode bereikt zou zijn." Waar het Hof aldus uitgaat van de veronderstelling, dat het beding ook bij een geldigheidsduur van 12 jaren mogelijk in strijd met de goede zeden was, had het niet, althans niet zonder meer, rechtskracht aan het beding mogen toekennen voor een kortere periode. Zodanige conversie van een (mogelijkerwijs) ongeldig beding tot een (andersluidend) geldig beding, hetwelk partijen in feite niet zijn overeengekomen, zou alleen onder bepaalde voorwaarden geoorloofd zijn. Hiertoe zou immers onder meer zijn vereist, dat aannemelijk is, dat de contracterende partijen, zo zij zich niet bewust waren geweest van de ongeldigheid van het in feite door hen overeengekomen "bierafnamebeding", de overeenkomst zouden hebben gesloten met een "bierafnamebeding" voor een kortere termijn, waarvoor het wèl geldig kon worden aangegaan. Nu het Hof dienaangaande niets heeft vastgesteld, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans is het arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed.</para>
  <para>c) 's Hofs overweging, dat niet is gesteld of gebleken, dat het einde van een periode, welke niet met de goede zeden in strijd is (dat wil zeggen: waarvoor het "bierafnamebeding" geldig had kunnen worden aangegaan) "thans" reeds is bereikt, is onbegrijpelijk, omdat [eiseres] bij de toelichting op haar tweede appelgrief (in het bijzonder op bladzijde 4 der memorie van grieven) zich wel degelijk op het standpunt heeft gesteld dat een termijn, waarvoor het "bierafnamebeding" geldig had kunnen worden aangegaan, reeds was verstreken. Trouwens, al zou [eiseres] dit standpunt niet hebben ingenomen, dan had het Hof toch zelfstandig moeten beoordelen, of het einde van een periode, welke niet in strijd is met de goede zeden en waarvoor het beding derhalve geldig had kunnen worden aangegaan, reeds was bereikt, aangezien het Hof omtrent deze vraag aan de hand van de gestelde en gebleken feiten desnoods ambtshalve had te beslissen.</para>
  <para>d) Nu het Hof weliswaar heeft aangenomen, dat een periode waarvoor het "bierafnamebeding" geacht moet worden te gelden ten tijde van 's Hofs uitspraak nog niet was verstreken, doch uit 's Hofs arrest de duur van deze periode niet blijkt, had het Hof het beroepen vonnis der Rechtbank niet, althans niet zonder beperking mogen bekrachtigen, aangezien bij dit vonnis aan [eiseres] was gelast het beding met alle daarbij overeengekomen bepalingen, zoals vermeld in het achtste "aangezien" der (inleidende) dagvaarding sub 1 tot en met 8, stipt in acht te nemen, zulks op verbeurte van een dwangsom voor elke dag dat [eiseres] zich niet aan dit bevel zou houden, en bedoelde bepalingen onder meer (sub 5) inhielden, dat de sub 1 tot en met 4 genoemde verplichtingen van [betrokkene 1] in elk geval zouden gelden tot en met de 30ste april 1983. Doordat het Hof niet heeft vermeld, voor welke periode het beding geacht moet worden te gelden, bevat het arrest niet de gronden waarop het berust, terwijl bovendien het dictum van het arrest, houdende bekrachtiging van het vonnis der Rechtbank, in strijd is met 's Hofs vaststelling dat de looptijd van het beding van 25 jaar op 12 jaar is teruggebracht. Ook om deze redenen is het arrest derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.</para>
  <para>e) Het Hof heeft overwogen, dat het "bierafnamebeding" niet zonder meer nadelig was voor [betrokkene 1] , zoals [eiseres] had gesteld, daar de overeenkomst een crediet voor hem opende en dit beding hem de mogelijkheid liet als caféhouder een normale winst te maken. Dat de overeenkomst een crediet voor [betrokkene 1] opende, is echter niet ten processe aangevoerd, doch daarentegen in strijd zowel met hetgeen beide partijen hadden gesteld als met de inhoud van de ten processe overgelegde akte van 17 april 1958, waarin bedoelde overeenkomst is vervat. Uit deze akte blijkt, dat de overeenkomst niet een crediet voor [betrokkene 1] opende doch - afgezien van het daarin vervatte "bierafnamebeding" - strekte ter verlening van een (crediet) hypotheek tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Brouwerij te eniger tijd van [betrokkene 1] te vorderen had of zou hebben. [eiseres] heeft ter toelichting van haar derde appelgrief onder meer gesteld: "Uit de bij dupliek overgelegde staten der verplichtingen van [betrokkene 1] aan De Drie Hoefijzers blijkt toch, dat [betrokkene 1] na het aangaan der overeenkomst geen gelden van De Drie Hoefijzers meer ter leen heeft gekregen". </para>
  <parablock>
    <para>De Drie Hoefijzers heeft deze stelling niet weersproken, evenmin als de juistheid van de door [eiseres] bedoelde, bij dupliek overgelegde staten houdende een overzicht van het verloop der verplichtingen van [betrokkene 1] . Harerzijds heeft De Drie Hoefijzers gesteld (op bladzijde 13 van de memorie van antwoord) :</para>
    <para>"Twee dagen vóór ondertekening van de onderhavige hypothecaire akte heeft [betrokkene 1] f 2.000, -- ter leen ontvangen, terwijl hij nog f 3.557,01 schuldig was. [betrokkene 1] heeft zijn achterstallige schuld in een langzaam tempo mogen voldoen. Hij heeft zijn bedrijf kunnen voortzetten en daarvan kunnen leven, zoals hij dank zij De Drie Hoefijzers voordien ook steeds had gedaan. Een klein jaar na ondertekening van de hypothecaire akte is [betrokkene 1] overleden. Hij heeft intussen geen geld meer nodig gehad."</para>
    <para>Door de overweging, dat het "bierafnamebeding" niet zonder meer nadelig was voor [betrokkene 1] , (mede) te baseren op de vaststelling dat de overeenkomst een crediet voor hem opende, heeft het Hof zijn beslissing ten onrechte doen steunen op een niet ten processe gestelde feitelijke grond, welke nog wel in strijd is met hetgeen door beide partijen was aangevoerd en met de inhoud van voormelde akte.</para>
    <para>Dientengevolge is voormelde overweging tevens in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk en 's Hofs arrest op dit punt niet naar de eis der wet met redenen omkleed.</para>
  </parablock>
  <para>f) Naar aanleiding van de vierde appelgrief van [eiseres] heeft het Hof overwogen als hierover onder 5c, d en e is vermeld.</para>
  <parablock>
    <para>Bij deze overwegingen is het Hof ervan uitgegaan, dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tussen partijen zijn wil niet of slechts in verminderde mate kon bepalen alleen dàn tengevolge kon hebben dat de overeenkomst wegens het ontbreken van geldige toestemming van [betrokkene 1] niet, althans niet geldig, is tot stand gekomen, indien bedoelde omstandigheid voor De Drie Hoefijzers kenbaar was geweest.</para>
    <para>Voor het slagen van een beroep op ontbreken van de voor de bestaanbaarheid of geldigheid der overeenkomst vereiste toestemming van [betrokkene 1] , was echter in het onderhavige geval niet vereist, dat De Drie Hoefijzers heeft begrepen of moeten begrijpen, dat [betrokkene 1] bij het aangaan der overeenkomst zijn wil niet of onvoldoende kon bepalen. Dit vereiste kan in het onderhavige geval niet worden gesteld, nu de overeenkomst, zoals deze is vervat in de daarvan ten processe overgelegde akte van 17 april 1958, uitsluitend strekte tot verlening door [betrokkene 1] van een crediethypotheek en tot het aangaan door [betrokkene 1] van verplichtingen uit het "bierafnamebeding", zonder dat De Drie Hoefijzers hiertegenover enige verplichting jegens [betrokkene 1] op zich nam, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat de Brouwerij op grond van het vertrouwen op de geldigheid van de verklaring van [betrokkene 1] , zoals deze in voormelde akte is gerelateerd, enig crediet heeft verstrekt of anderszins enige prestatie heeft verricht."</para>
    <para>Overwegende dat het middel onder a er over klaagt dat het Hof, vaststellende dat de looptijd van het door [eiseres] 's echtgenoot [betrokkene 1] jegens De Drie Hoefijzers aanvaarde "bierafnamebeding" van 25 jaren op 12 jaren werd teruggebracht, zich er niet over heeft uitgesproken of de kortere looptijd nader tussen partijen is overeengekomen dan wel deze verkorting van termijn berust op een eenzijdige handeling van De Drie Hoefijzers; </para>
    <para>dat echter het Hof, na vastgesteld te hebben, dat de looptijd van het beding tot 12 jaren is teruggebracht, aan die vaststelling geen consequenties heeft verbonden, doch de tweede grief van [eiseres] , waarin de nietigheid van het beding werd gesteld, op een andere grond heeft verworpen;</para>
    <para>dat daaruit volgt, dat [eiseres] geen belang heeft bij haar klacht over de onduidelijkheid van 's Hofs beslissing over de verkorting van de looptijd van het beding, en onderdeel a derhalve niet tot cassatie kan leiden; </para>
    <para>dat hierbij moet worden opgemerkt, dat bij de verdere behandeling van de zaak de rechter aan de beslissing van het Hof over de verkorting van de looptijd van het beding niet gebonden zal zijn;</para>
    <para>Overwegende ten aanzien van onderdeel b:</para>
    <para>dat het Hof, er veronderstellenderwijze van uitgaande, dat het bierafnamebeding, ook indien de geldingsduur tot 12 jaren is teruggebracht, nietig is als in strijd met de goede zeden, niettemin aan dit beding rechtskracht heeft toegekend, en wel voor de periode waarvoor het rechtsgeldig had kunnen worden aangegaan;</para>
    <para>dat echter het Hof heeft nagelaten te vermelden op grond van welke feitelijke omstandigheden het Hof het gerechtvaardigd heeft geacht deze beperkte geldigheid aan te nemen, zodat in cassatie niet kan worden vastgesteld of het Hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan;</para>
    <para>dat hieruit volgt dat de primaire grief van onderdeel b niet tot cassatie kan leiden, doch de subsidiaire grief, inhoudende dat het bestreden arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, gegrond is; Overwegende dat, nu het bestreden arrest ingevolge de gegrondbevinding van onderdeel b moet worden vernietigd, de in onderdeel c vervatte stelling, welke eveneens betrekking heeft op de tijdsduur waarvoor naar 's Hofs oordeel het beding in ieder geval van kracht is, thans niet behoeft te worden onderzocht, doch bij de na verwijzing voort te zetten behandeling alsnog aan de orde kan komen;</para>
    <para>Overwegende wat betreft onderdeel d van het middel: </para>
    <para>dat de Rechtbank, op grond van haar oordeel dat het beding, zoals het bij akte van 17 april 1958 voor de tijdsduur van 25 jaren was aangegaan, niet nietig is wegens strijd met de goede zeden, [eiseres] niet alleen heeft veroordeeld om over een tijdvak van 1 januari 1965 tot de dag van de dagvaarding een boete van f 100, -- per dag te betalen, maar ook aan [eiseres] heeft gelast dat beding aanstonds stipt in acht te nemen met alle daarbij behorende bepalingen, waaronder deze dat de in het beding uitgedrukte verplichtingen in elk geval zullen gelden tot en met 30 april 1983;</para>
    <para>dat echter, nu het Hof in het midden heeft gelaten voor welke tijdsduur het beding van kracht is, 's Hofs uitspraak wat betreft de bekrachtiging van voormeld door de Rechtbank gegeven bevel niet de gronden bevat waarop zij berust, en mitsdien de in dit onderdeel vervatte motiveringsklacht eveneens doel treft;</para>
    <para>Overwegende dat de in onderdeel e vervatte stelling, nu 's Hofs arrest, zoals hiervoren is overwogen, moet worden vernietigd, eveneens buiten onderzoek kan blijven, en ook deze stelling bij voortzetting van de behandeling na verwijzing aan de orde kan komen;</para>
    <para>Overwegende wat ten slotte betreft onderdeel f van het middel: </para>
    <para>dat het Hof aan zijn verwerping van [eiseres] 's vierde grief dat de Rechtbank ten onrechte niet de afwezigheid van wilsovereenstemming heeft aangenomen, niet alleen ten grondslag heeft gelegd dat uit de verklaring van de zenuwarts [...] niet kan volgen, en ook de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden niet medebrengen, dat een in verminderde mate of in het geheel niet in staat zijn van [betrokkene 1] om zijn wil te bepalen voor de wederpartij kenbaar is geweest, doch mede en in de eerste plaats het Hof zijn beslissing hierop heeft doen steunen dat aan het Hof niet is gebleken dat [betrokkene 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een geestelijk wrak was, hetgeen het Hof kennelijk aldus heeft verstaan dat niet is gebleken van een geestestoestand welke aan wilsovereenstemming in de weg zou staan;</para>
    <para>dat, vermits laatstgenoemde grond voor 's Hofs beslissing in het middel niet wordt aangetast, de klacht van dit onderdeel, dat het Hof ten onrechte aan bedoelde kenbaarheid betekenis heeft toegekend, niet tot cassatie kan leiden;</para>
    <para>Overwegende dat het bestreden arrest wegens gegrondbevinding van de onderdelen b en d niet in stand kan blijven, en verwijzing moet volgen;</para>
    <para>Vernietigt het door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arrest van 24 november 1964; </para>
    <para>Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ten einde de behandeling daarvan voort te zetten en met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad te beslissen;</para>
    <para>Veroordeelt de verweerster in cassatie in de kosten van het beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van de eiseres begroot op f 86,75 aan verschotten en f 1.200, -- voor salaris.</para>
    <para>Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Hülsmann, Petit en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de tiende december 1900 vijf en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat- Generaal Minkenhof.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>