<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1964:101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T10:35:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1964-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">744</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:1964:3" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:1964:3</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1964:101">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1964:101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T10:33:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1964:101 Hoge Raad , 04-11-1964 / 744</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1964:101:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenhangende zaak met ECLI:NL:HR:1960:59. Schadeloosstelling voor pachter van een onteigend goed. Aftrek van een belastingvoordeel, dat de pachter zonder die aftrek zou genieten?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1964:101:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>4 november 1964 </para>
  <para>v.D.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, </emphasis>
    </para>
    <para>(Derde Kamer) in de zaak no. 744 van:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [eiser]
      </emphasis>, wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een door de Arrondissements- Rechtbank te Amsterdam op 9 juni 1964 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. C.H. Telders, advocaat bij de Hoge Raad,</para>
    <para>tegen</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Gijsbert van Hall</emphasis>, Burgemeester van de gemeente Amsterdam, wonende te Amsterdam, als zodanig deze Gemeente in rechte vertegenwoordigende en voor haar ter fine van onteigening optredende, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. S.K. Martens, mede advocaat bij de Hoge Raad , </para>
    <para>en tegen</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">de vennootschap onder de firma " [verweerster 2] "</emphasis>, gevestigd te Amsterdam, en haar vennoten</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verweerster 3]
      </emphasis>, weduwe van [echtgenoot] , <emphasis role="underline">[verweerder 4]</emphasis> en <emphasis role="underline">[verweerder 5]</emphasis>, allen wonende te Amsterdam, medeverweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Meijer, mede advocaat bij de Hoge Raad;</para>
    <para>Gehoord de eiser tot cassatie en de verweerder in zijn voormelde hoedanigheid;</para>
    <para>Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakhoven namens de Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep in cassatie en tot veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten; </para>
    <para>Gezien de stukken;</para>
    <para>Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: </para>
    <para>dat de Burgemeester van Amsterdam - hierna als procespartij aan te duiden als de Gemeente - de medeverweerders - hierna aan te duiden als: de vennootschap - heeft gedagvaard en heeft gevorderd de onteigening in het belang van de volkshuisvesting van de percelen gelegen te Amsterdam, kadastraal bekend als […] , van welke percelen de vennootschap als eigenares is aangewezen;</para>
    <para>dat de Rechtbank bij tussenvonnis van 30 december 1958 een drietal deskundigen heeft benoemd, die hun op 16 januari 1963 uitgebracht rapport ter griffie hebben gedeponeerd;</para>
    <para>dat de Rechtbank vervolgens, na onder meer de eiser tot cassatie in hoedanigheid van pachter als tussenkomende partij in het geding te hebben toegelaten, bij tussenvonnissen van 26 maart 1963 en van 29 oktober 1963 aan deskundigen heeft opgedragen nader advies uit te brengen betreffende de aan eiser tot cassatie als pachter toekomende schadeloosstelling;</para>
    <para>dat de Rechtbank in haar bestreden eindvonnis dienaangaande heeft overwogen:</para>
    <para>"deze - thans eiser tot cassatie - oefende zijn bedrijf uit op 24 hectare van het in deze zaak onteigende land en op 19,50 hectare van het land dat onteigend wordt in het mede bij deze Rechtbank en kamer hangende geding tegen [A] c.s. onder rolnummer 584225, waarin eveneens heden vonnis wordt gewezen; deskundigen hebben geschat dat 60% van de totale bedrijfsopbrengst dient te worden toegerekend aan het onderhavige terrein en 40% aan het van [A] gepachte; de tengevolge van beide onteigeningen door deze interveniënt geleden en te lijden schade bedraagt: aan inkomensschade f 229.000, -- zoals door deskundigen in hun nader advies berekend; aan door deskundigen in hun eerste advies berekende en door niemand betwiste liquidatieschade f 11.000, --; tezamen derhalve f 240.000, -- waarop in mindering gebracht moet worden het belastingvoordeel van f 21.715, -- zodat blijft een schadeloosstelling deswege van f 218.285, -- , waarvan hem in deze zaak toekomt 60% of f 130.971, -- te vermeerderen met door deskundigen in hun eerste advies berekende en door geen der partijen betwiste bedragen van f 3.000, -- voor wederbeleggingskosten, f 1.000, -- voor verhuiskosten en f 10.000, -- voor kosten van duurder wonen en levensonderhoud, derhalve in totaal f 144.971, --. " ;</para>
    <para>dat de Rechtbank dienovereenkomstig de aan eiser tot cassatie toekomende schadeloosstelling heeft vastgesteld op f 144.971, -- in hoofdsom;</para>
    <para>Overwegende dat tegen voormelde beslissing der Rechtbank door eiser tot cassatie in zijn middel van cassatie wordt aangevoerd dat door de door de Rechtbank toegepaste toerekening van het belastingvoordeel het recht inzake onteigening is geschonden, en voorts: </para>
    <para>"Dit "belastingvoordeel" is de uitkomst van het vergelijken van de inkomstenbelasting verschuldigd over:</para>
  </parablock>
  <para>a) het inkomen in het in aanmerking genomen aantal toekomstige jaren in verband met en nå de onteigening en</para>
  <para>b) het inkomen zoals dit zonder onteigening in die periode zou zijn geweest. Het voorschrift dat de pachter moet worden schadeloos gesteld (artikel 42a der Onteigeningswet) brengt in redelijke toepassing mede, dat indien de uitkomst van deze vergelijking voor de onteigende pachter nadelig is, dit belastingnadeel wordt vergoed, doch dat, indien de uitkomst voor hem voordelig is, dit voordeel als irrelevant wordt beschouwd, omdat het geheel samenhangt met de bijzondere omstandigheden betreffende de financiën en de persoon van de onteigende pachter en daarom de onteigenende partij niet raakt.</para>
  <parablock>
    <para>De schadeloosstelling, aan de pachter verschuldigd wegens verlies aan inkomen en liquidatieschade, kan wegens belastingnadeel wel vermeerdering, maar wegens belastingvoordeel geen vermindering ondergaan.";</para>
    <para>Overwegende met betrekking tot dit middel:</para>
    <para>dat de in het onteigeningrecht geldende regel van volledige schadeloosstelling van de onteigende inhoudt dat de toe te kennen schadeloosstelling de onteigende in beginsel zal brengen in een financiële toestand gelijkwaardig aan die waarin hij zich zonder onteigening zou hebben bevonden;</para>
    <para>dat dienvolgens de schadeloosstelling in beginsel niet beneden het bedrag der als gevolg van de onteigening te lijden schade behoort te blijven, doch anderzijds ook niet boven dat bedrag behoort uit te gaan; </para>
    <para>dat het middel, vooropstellende dat door de Rechtbank een vergelijking is gemaakt tussen de inkomstenbelasting, verschuldigd over het inkomen in het in aanmerking genomen aantal toekomstige jaren in verband met en na de onteigening en de inkomstenbelasting over het inkomen, zoals dat zonder onteigening in die periode zou zijn geweest, de stelling inhoudt dat het voorschrift van artikel 42a der Onteigeningswet, dat de pachter moet worden schadeloosgesteld, in redelijke toepassing medebrengt dat, indien de uitkomst van de genoemde vergelijking voor de onteigende pachter nadelig is, dit belastingnadeel wordt vergoed, doch dat, indien de uitkomst voor hem voordelig is, dat voordeel als irrelevant wordt beschouwd, omdat het geheel samenhangt met de bijzondere omstandigheden betreffende de financiën en de persoon van de onteigende pachter en daarom de onteigende partij niet raakt;</para>
    <para>dat deze stelling een uitzondering inhoudt op de boven gereleveerde regel van het onteigeningsrecht; dat evenwel het voorschrift van artikel 42a noch naar de geschiedenis van zijn totstandkoming, noch naar zijn strekking tot het aannemen van een dergelijke uitzondering noopt;</para>
    <para>dat al evenmin grond bestaat om aan te nemen dat bijzondere omstandigheden betreffende de financiën en de persoon van de onteigende pachter, welke wel van invloed zijn waar het geldt het vergoeden van te verwachten nadeel, buiten aanmerking zouden moeten blijven indien het in aanmerking nemen daarvan zou leiden tot het verrekenen van een voordeel;</para>
    <para>dat het middel derhalve tevergeefs is voorgedragen;</para>
    <para>Verwerpt het beroep.</para>
    <para>Veroordeelt eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van de Gemeente begroot op vijf en zestig gulden voor verschotten en op negen honderd gulden voor salaris en aan de zijde van de mede-verweerders op vijf en zestig gulden voor verschotten en op een honderd vijftig gulden voor salaris.</para>
    <para>Gedaan bij de Heren Boltjes, Vice-President, van Rijn van Alkemade, van der Loos, Dubbink en Peters, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vierde november 1900 vier en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal s'Jacob.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>