<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1960:AY1334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-16T09:57:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY1334</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1960-06-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14 297</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1960/266 met annotatie van H.J. Heilema</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1960:AY1334">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1960:AY1334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-16T09:57:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1960:AY1334 Hoge Raad , 22-06-1960 / 14 297</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1960:AY1334:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verkoop-optie, verleend in 1951, uit te oefenen in 1957 tegen vastgestelde koopsom, van aandelen welke destijds "aanmerkelijk belang" vormden, in 1957 niet meer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1960:AY1334:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>22 | Juni 1960.</para>
  <parablock>
    <para>F. </para>
    <para>No.14297</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, </emphasis>
    </para>
    <para>Gezien het beroepschrift in cassatie van <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 Januari 1960 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1957; </para>
    <para>Gezien de stukken;</para>
    <para>Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1957 werd opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 131. 130, -, waarvan f. 125.760,- belast volgens het tarief van artikel 48 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941; </para>
    <para>dat belanghebbende, na tegen dezen aanslag tevergeefs bezwaar tee hebben gemaakt bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot het Gerechtshof, onder aanvoering, dat de aanslag had behoren te zijn geregeld naar een zuiver inkomen van f. 5.370, -;</para>
    <para>Overwegende dat het Hof met betrekking tot de feiten en der partijen verschillend standpunt heeft overwogen:</para>
    <para>"de belanghebbende was tot 28 December 1951 eigenaar van het gehele geplaatste en gestorte aandelenkapitaal - groot f.20.000,- nominaal - van de N. V. [A] ", gevestigd te [Z] , hierna genoemd [A] ; van deze maatschappij was hij directeur; op voormelde datum werd door de belanghebbende, [A] en de [B] - hierna genoemd: [B] - bij ondershandse acte een overeenkomst vastgelegd, welke onder meer het volgende inhield: [A] zal uitgeven f. 80.000, - nominaal aan aandelenkapitaal in coupures van f.1.000,-, met voorkeursrecht voor de oude aandeelhouders; de belanghebbende verkoopt aan [B] zijn claimrechten terzake van deze nieuwe emissie, zulks voor f.8.800, -; [A] verplicht zich om tegen inlevering door [B] van de vorenbedoelde claimbewijzen de nieuwe emissie ad f.80.000,- tegen een koers van 1122% ter beschikking van [B] te stellen; [B] verplicht zich deze aandelen aldus te aanvaarden; [B] en de belanghebbende - na het tot stand komen van de vorenbedoelde handelingen aandeelhouders respectievelijk voor f.80.000,- en f.20.000, - nominaal in het vergrote aandelenkapitaal van [A] - verplichten zich tegenover elkaar om hun onderscheiden aandelenbezit niet te vervreemden dan met schriftelijke goedkeuring van de wederpartij; de artikelen 9 en 10 der overeenkomst behelsden voorts een verkooprecht ten behoeve van de belanghebbende, zomede een koopoptie ten behoeve van [B] met betrekking tot het aandelenbezit van de belanghebbende; artikel 14 houdt in dat de contractant, die één der artikelen van de overeenkomst overtreedt of die in gebreke blijft de in de overeenkomst aangegane verplichtingen na te komen, een direct opeisbare boete jegens de ander verbeurt van maximaal f. 50.000,- zulks onverminderd de verdere rechten die deze andere partij aan de overeenkomst kan ontlenen; </para>
    <para>blijkens ondershandse acte d.d. 5 November 1952 zijn in de vorenbedoelde overeenkomst diverse wijzigingen aangegaan met betrekking tot het vorenbedoelde verkoopsrecht, respectievelijk de koopoptie is bepaald dat artikel 9 van de in 1951 getroffen regeling wordt vervangen door het volgende: </para>
    <para>"Tot 1 Februari 1952 heeft [X] het recht zijn aandelen in " [B] " aan " [B] " aan te bieden voor een bedrag van "f. 200. 000, - (Tweehonderd Duizend Gulden). </para>
    <para>" [B] " verplicht zich dat aanbod te accepteren binnen 14 dagen nadat het is gedaan en het in dit artikel vastgestelde bedrag, tegen overgave der aandelen aan [X] te betalen. </para>
    <para>" [B] heeft vanaf 1 Februari 1957 het recht, om de in bezit van [X] zijnde aandelen in " [B] " te naasten tegen het hierboven vastgestelde bedrag. " [B] " kan tot die naasting</para>
    <para>overgaan op het tijdstip dat haar goed dunkt, mits liggend nà 1 Februari 1957. De verkoop of naasting betreft steeds het gehele aandelenbezit van [X] in " [B] ". [X] is verplicht tot volledige medewerking aan een eventuele naasting. De betaling van voormeld bedrag zal uitsluitend mogen geschieden in contant geld." ; </para>
    <para>blijkens ondershandse acte van 17 Augustus 1955 dient voor de in voormeld artikel 9 bedoelde datum te worden gelezen 1 Februari ;</para>
    <para>de belanghebbende en [B] gingen over tot verkoop en koop van het in vorenbedoelde aandelenpakket ad nominaal f.20.000,- op 1 Februari 1957 tegen de in de regeling van 1952 bedoelde koopsom f.200.000, -;</para>
    <para>tussen de belanghebbende en de Inspecteur staat vast dat indien de belastingheffing op de hierna bedoelde voet zou moeten geschieden, de grondslag daarvan door de Inspecteur bij de bestreden aanslag terecht is bepaald op f. 125.760, -;</para>
    <para>bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur zich op het standpunt is gesteld dat de belanghebbende, in verband met de acten van 1951 en van 1952, een "aanmerkelijk belang" in [A] heeft vervreemd </para>
    <para>en dat de terzake behaalde winst in 1957 belast dient te worden; de belanghebbende is van mening dat bij die overeenkomsten geen vervreemding van een aanmerkelijk belang is bewerkstelligd, en dat vervreemding van belanghebbendes aandelenbezit pas geschiedde in 1957,toen hij niet meer verkeerde in de situatie waarop artikel 19,lid 2, juncto lid 3 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 doelt;</para>
    <para>ingeval men de regeling van 1951 juncto 1952 wèl als vervreemding in de zin van voormelde bepaling zou willen zien, zou zulks meebrengen dat reeds toen - en niet pas in 1957 - de winst gerekend moet worden </para>
    <para>behaald te zijn;</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>dat de partijen, tot staving van hun onderscheiden mening, zakelijk het navolgende hebben aangevoerd:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">de belanghebbende</emphasis>: de tussen de belanghebbende en [B] in 1951 en 1952 getroffen regeling was geen koopovereenkomst; er is toen geen vervreemding geschied; oordeelt men anders dan had de belastingheffing niet pas in 1957 moeten geschieden, maar in er een eerder jaar; de rechtspraak geeft geen steun aan des Inspecteurs standpunt ;</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">de Inspecteur</emphasis>: van 1 Februari 1957 af kon [B] de aandelen voor f.200.000,- van de belanghebbende in eigendom ontvangen; dat vóór die datum voor de belanghebbende het recht bestond van [B] te verlangen dat deze de aandelen van hem, belanghebbende, kocht voor voormeld bedrag, brengt in het beeld geen verandering; de rechtspraak van de Hoge Raad - met name een arrest van 21 Januari 1959, B.N.B. 1959/85 - steunt de gedachte dat er vervreemding in de zin van artikel 19 voormeld is geweest binnen 5 jaren na 28 December 1951; de regeling van de acten van 1951 en 1952 is tot uitvoering gekomen in 1957; aangenomen moet worden dat dit het jaar is waarop de winst dient te worden verantwoord; kennelijk heeft de belanghebbende zich trouwens op het standpunt gesteld dat de winst niet reeds in 1951 of 1952 werd behaald; "</para>
    <para>Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:</para>
    <para>"dat allereerst dient te worden nagegaan of de tussen de belanghebbende en [B] in 1952 - ter vervanging van de regeling van 1951 - met betrekking tot het aandelenbezit getroffen regeling valt te beschouwen als een vervreemding in de zin van artikel 19,lid 2,van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941; </para>
    <para>dat de in 1952 getroffen regeling behelst:</para>
  </parablock>
  <para>a) een aan de belanghebbende tot 1 Februari 1957 toegekend recht, van [B] te verlangen dat deze zijn, belanghebbendes, aandelen voor f. 200. 000, - overneemt, en </para>
  <para>b) een aan [B] - met ingang van l Februari 1957-toegekend recht tot overneming van die aandelen van de belanghebbende voor de voormelde som;</para>
  <parablock>
    <para>dat krachtens het voormelde tweede gedeelte van de getroffen regeling - hierna genoemd: onderdeel b - de belanghebbende zich onder tijdsbepaling heeft verbonden, zijn aandelen tegen een bepaalde prijs te zullen verkopen zodra de wederpartij zulks zou wensen, terwijl deze verbintenis voorts werd aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de belanghebbende gebruik zou maken van het in het eerste gedeelte van de getroffen regeling - hierna genoemd: onderdeel a - aan hem toegekende recht;</para>
    <para>dat, gelet op de strekking van artikel 19, onder "vervreemding" aldaar zal moeten worden verstaan de overeenkomst waarbij de aandeelhouder over zijn aandelen beschikt door deze tegen een overeengekomen prijs aan een ander af te staan, onverschillig of terstond levering geschiedt, dan wel de aandeelhouder verbonden wordt de aandelen tegen de bedongen prijs op later tijdstip over te dragen; </para>
    <para>dat met dit laatste op één lijn staat de overeenkomst waarbij - zoals in casu, blijkens onderdeel b der regeling - de aandeelhouder zich onder tijdsbepaling verbonden heeft, tegen een bepaalde prijs zijn aandelen te zullen verkopen indien de wederpartij zulks te zijner tijd zou wensen; dat immers óók door het verlenen van een dadelijk of onder tijdsbepaling geldend te maken optierecht de aandeelhouder zijn aandelen tegen een overeengekomen prijs uit handen heeft gegeven; </para>
    <para>dat het Hof zich nog de vraag heeft gesteld of in het onderwerpelijke geval inderdaad gezegd kan worden dat de belanghebbende reeds vóór 1 Februari 1957 in de vorenbedoelde zin zijn aandelen uit handen heeft gegeven, aangezien hij immers de uitoefening van de koopoptie kon verhinderen door vóór gemelde datum onderdeel a der regeling in werking te doen treden;</para>
    <para>dat de voormelde vraag, in het licht van het geheel der tot stand gekomen rechtsverhoudingen, bevestigend moet worden beantwoord; dat het immers aan de belanghebbende krachtens de regeling van 1952 - op straffe van een hoge boete, onverminderd eventuele verdere rechtsgevolgen - niet vrijstond om de aandelen aan anderen dan aan [B] te verkopen, tenzij na verkrijging van de schriftelijke goedkeuring van [B] , tot het geven waarvan [B] niet om verplicht was; dat de belanghebbende zich dan ook van de verplichting, te zijner tijd op verlangen van [B] aan de koopoptie gevolg te geven, door eigen wilsbesluit op geen andere wijze kon bevrijden dan door verkoop, op juist dezelfde condities, van het aandelenpakket aan [B] ; dat als gevolg daarvan de bij uitoefening van de koopoptie met ingang van 1 Februari 1957 te verwezenlijken rechtsgevolgen - de verkrijging door [B] van de aandelen voor f.200.000,- - in feite bij vervroeging zouden intreden; </para>
    <para>dat, gezien de toepasselijkheid van artikel 19, leden 2 en 3, voormeld, thans behoort te worden nagegaan of de daar bedoelde winst terecht als bestanddeel van het door de belanghebbende over 1957 genoten inkomen is beschouwd, dan wel of deze winst aan een eerder jaar moet worden toegerekend; </para>
    <para>dat de voormelde wettelijke regeling slechts bepaalt dat een zeker, bij de vervreemding van een "aanmerkelijk belang" behaald voordeel wordt beschouwd als zuivere opbrengst van niet-agrarisch bedrijf, doch zich niet inlaat met de vraag aan welk jaar die winst moet worden toegerekend; dat dan ook de beantwoording van deze vraag aan de hand van het geheel der omstandigheden dient te geschieden; </para>
    <para>dat, naar ook de belanghebbende zowel bij beroepschrift als bij pleidooi nadrukkelijk heeft doen vooropstellen, de in 1952 getroffen regeling rechtens niet viel aan te merken als een koop en verkoop en dat het, zoals de belanghebbende het heeft geformuleerd, derhalve zeer wel mogelijk was dat er, zonder te handelen in strijd met de gesloten overeenkomst, nimmer een overeenkomst tot koop en verkoop tot stand zou komen; </para>
    <para>dat de in deze bestaande onzekerheid pas werd opgeheven toen  [B] op 1 Februari 1957 van de haar toegekende optie tot koop voor f. 200.000, - gebruik maakte en dat in de gegeven constellatie goed koopmansgebruik meebracht - zo niet zelfs bepaaldelijk vorderde - om het behaalde voordeel aan het jaar 1957 toe te rekenen; </para>
    <para>dat - ten overvloede - indien zou mogen worden aangenomen dat goed koopmansgebruik eveneens zou hebben toegelaten de winst aan een eerder jaar toe te rekenen, zulks de juistheid van de aanslag niet zou vermogen aan te tasten, aangezien de belanghebbende, uit welke motieven dan ook, zijn keuze indertijd niet aldus heeft uitgebracht en de redelijkheid niet vordert dat hij tot die keuze alsnog de gelegenheid zou verkrijgen; " </para>
    <para>Overwegende dat het Hof dienvolgens de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd; </para>
    <para>Overwegende dat belanghebbende als middel van cassatie heeft voorgedragen: </para>
    <para>"Verkeerde toepassing en/of schending van artikel 17 der Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en de artikelen 19 en 21 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, een en ander: <emphasis role="underline">primair</emphasis>: </para>
    <para>omdat het Hof ten onrechte de tussen belanghebbende en [B] op 28 December 1951 gesloten overeenkomst, zoals deze is gewijzigd bij de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 5 November 1952, aanmerkt als een vervreemding in de zin van artikel 19,lid 2, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>:</para>
    <para>omdat het Hof, er van uitgaande dat de tussen belanghebbende en [B] op 28 December 1951 gesloten overeenkomst, zoals deze is gewijzigd bij de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 5 in November 1952, is aan te merken als een vervreemding in de zin van artikel 19, lid 2, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, ten onrechte het bij de vervreemding behaalde voordeel toerekent aan het jaar 1957:"; </para>
    <para>Overwegende omtrent het middel:</para>
    <para>dat de toekenning door belanghebbende aan de [B] (verder te noemen [B] ), bij de tussen hen in 1952 gesloten overeenkomst, van het recht, ingaande 1 Februari 1957, tot het overnemen van de hem toebehorende 20 aandelen á f.1000,- nominaal in de N.V. [A] ", tegen den prijs van f.200.000,-, ook al wordt de toekenning van dit recht bezien in het licht van het geheel der tussen belanghebbende en [B] getroffen regelingen, niet vormt een vervreemding van die aandelen door gene aan deze in den zin van artikel 19, tweede lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941;</para>
    <para>dat de vervreemding van deze aandelen eerst heeft plaats gevonden in 1957, toen - gelijk het Hof heeft vastgesteld - belanghebbende en [B] zijn overgegaan tot verkoop en koop van die aandelen tegen de in de overeenkomst van 1952 bepaalde koopsom; </para>
    <para>dat derhalve het middel in zijn primaire onderdeel gegrond is en het subsidiaire onderdeel niet aan de orde komt ;</para>
    <para>Overwegende dat de gegrond bevinding van het primaire onderdeel van het middel nochtans niet tot cassatie kan leiden;</para>
    <para>dat toch de strekking van artikel 19 voormeld medebrengt de vraag of het object van de vervreemding in een geval als het onderhavige al dan niet als een aanmerkelijk belang in den zin van dat artikel moet worden aangemerkt, te beoordelen niet naar het ogenblik waarop de verkrijger van het hem verleende kooprecht gebruik maakt, doch naar het ogenblik waarop de overeenkomst werd gesloten waaraan de verkrijger zijn kooprecht ontleende en waarbij de vervreemder zijn vrije beschikking over de aandelen uit handen gaf en de verkoopprijs werd vastgesteld;</para>
    <para>dat in deze opvatting ook wordt vermeden dat, ingeval een aandeelhouder ener vennootschap een recht tot koop tegen een bepaalden prijs van een aantal aandelen, welke voor hem geen aanmerkelijk belang in de vennootschap vertegenwoordigden, heeft verleend en van dit recht gebruik zou worden gemaakt op een ogenblik, waarop tengevolge van geheel van zijn wil onafhankelijke omstandigheden die aandelen een aanmerkelijk belang zijn gaan vormen, hij voor de bij de overdracht behaalde winst zou worden belast, niettegenstaande wellicht de mogelijkheid van zodanige belasting, zo hij deze had kunnen voorzien, hem van het verlenen van de koopoptie zou hebben afgehouden;</para>
    <para>dat in het onderhavige geval vaststaat, dat in 1952, toen belanghebbende aan [B] het recht toekende de onderwerpelijke aandelen te "naasten" tegen een bedrag van f.200.000,-, die aandelen voor hem een aanmerkelijk belang in de N.V. [A] " vertegenwoordigden;</para>
    <para>dat dan ook terecht de bij de vervreemding van die aandelen in 1957 behaalde winst-groot f.125.760,- - in belanghebbendes inkomen van dat jaar is begrepen;</para>
    <para>dat derhalve de beslissing van het Hof juist is, wat er zij van de daarvoor gegeven redenen;</para>
    <para>Verwerpt het beroep.</para>
    <para>Gedaan bij de Heren Smits, Vice-President, Boltjes, van Rijn van Alkemade, van der Loes en Tekenbroek, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den twee en twintigsten Juni 1900 zestig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Geppaart.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>