<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1959:AY0805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-27T11:25:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY0805</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1959-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1959/162</rdf:li>
          <rdf:li>undefined</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1959:AY0805">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1959:AY0805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-11T12:23:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1959:AY0805 Hoge Raad , 25-03-1959 / 10</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1959:AY0805:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Premieheffing. (Niet geconcludeerd)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1959:AY0805:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>25 Maart 1959.</para>
  <para>No.10.-</para>
  <para>L.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis> ,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gezien het beroepschrift in cassatie van <emphasis role="underline">den Raad van Arbeid</emphasis> te <emphasis role="underline">Arnhem</emphasis> tegen de uitspraak van den Centralen Raad van Beroep van 21 October 1958 betreffende zijn beslissing van 29 Januari 1958, waarbij aan <emphasis role="underline">[X]</emphasis> te <emphasis role="underline">[Z]</emphasis> een ouderdomspensioen van f. 24 .- werd toegekend; </para>
    <para>Gezien de stukken; </para>
    <para>Overwegende dat de Raad van Arbeid te Arnhem (hierna aan te duiden met eiser) bij beslissing van 29 Januari 1958 op de aanvraag van ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet door [X] te [Z] het pensioen vaststelde op f. 24 .-- per jaar;</para>
    <para>dat de Raad van Beroep (Sociale Verzekering) te Arnhem op het beroep van [X] bij uitspraak van 15 April 1958 eisers beslissing van 29 Januari 1958 heeft vernietigd en bepaald, dat eiser een nieuwe beslissing zal nemen met inachtneming van 's Raads uitspraak, welke hierop neerkomt, dat voor de berekening van het bedrag van het aan [X] toekomende pensioen er van uit moet worden gegaan, dat [X], geboren 6 December 1892, gedurende zes jaar na zijn 59 ste levensjaar, dus vanaf 6 December 1951, geacht wordt te hebben gewoond binnen het Rijk en gedurende het tijdvak gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en 1 Januari 1957 verzekerd te zijn geweest;</para>
    <para>dat eiser zich vervolgens tot den Centralen Raad van Beroep heeft gewend, die in zijn thans bestreden uitspraak het geschilpunt, dat eiser ter beslissing voorlegde, als volgt heeft omschreven:</para>
    <para>"dat in het onderhavige geding in hoofdzaak moet worden beslist, of [X], die op 6 December 1957 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, toen voldeed aan de in het eerste lid van artikel 43 der Algemene Ouderdomswet gestelde voorwaarde, gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar te hebben gewoond - al dan niet onafgebroken - binnen het Rijk, Suriname, de Nederlandse Antillen of Nederlands Nieuw-Guinea; "</para>
    <para>Overwegende dat de Raad feitelijk heeft vastgesteld: "dat [X], die op 27 December 1949 in Indonesië woonachtig was, dit land nadien in Februari 1956 voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten om naar Nederland te gaan;</para>
    <para>dat hij zijn reis heeft gemaakt via Zuid-Afrika en Zuid-Amerika en op 19 Mei 1956 in Rotterdam is aangekomen; dat hij terstond is doorgereisd naar zijn zuster, wonende in [Z], en zich in Januari 1957 heeft laten opnemen in het bevolkingsregister aldaar; </para>
    <para>dat hij ook op 6 December 1957 nog aldaar woonde;" </para>
    <para>Overwegende dat de Raad omtrent het geschil van partijen heeft overwogen:</para>
    <para>"dat krachtens het bepaalde in artikel 45 der Algemene Ouderdomswet in verband met artikel 1, onder b, van de algemene maatregel van bestuur, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 20 December 1956, Stbl.628, het wonen van B.A. [X] in Indonesië wordt gelijkgesteld met het wonen binnen het Rijk;</para>
    <para>dat eiser van oordeel is, dat [X] op 6 December 1957 aan de bovenvermelde voorwaarde van het eerste lid van artikel 43 der Algemene Ouderdomswet niet voldeed, omdat hij sedert zijn vertrek uit Indonesië tot zijn opneming in het bevolkingsregister te [Z] niet binnen het Rijk had gewoond;</para>
    <para>dat de Raad in het midden kan laten en ook laat wat hiervan is, aangezien, indien dit standpunt juist zou zijn, Van toepassing zou zijn het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 der Algemene Ouderdomswet luidende: </para>
    <para>"2.Ligt tussen het metterwoon verlaten van het Rijk en het metterwoon terugkeren binnen het Rijk een tijdvak van minder dan een jaar, dan wordt het metterwoon verlaten van het Rijk geacht niet te hebben plaatsgevonden. </para>
    <para>Dit geldt niet, indien de betrokkene tijdens zijn afwezigheid op het grondgebied van een andere Mogendheid of in een , der Overzeese Rijksdelen heeft gewoond. ";</para>
    <para>dat dit laatste geval zich te dezen niet heeft voorgedaan en [X], daarom althans met toepassing van die bepaling geacht moet worden ook tussen zijn vertrek uit Indonesië en zijn opneming in het Apeldoornse bevolkingsregister binnen het Rijk te hebben gewoond; </para>
    <para>dat hierbij opmerking verdient, dat voormeld tweede lid van artikel 3 behoort tot de "Algemene bepalingen" van hoofdstuk 1 der Algemene Ouderdomswet en daarom ook toepasselijk is in een geval, waarin artikel 43 voorziet, voor de toepassing van welke bepaling [X] ingevolge artikel 1, onder b, voormeld wordt aangemerkt het Rijk niet voor Februari 1956 metterwoon te hebben verlaten;</para>
    <para>Overwegende dat uit het vorenstaande volgt, dat [X] moet worden aangemerkt op 6 December 1957 gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk te hebben gewoond, zodat hij met ingang van 1 December 1957 aanspraak had op een ouderdomspensioen, berekend met toepassing van artikel 43 der Algemene Ouderdomswet; "</para>
    <para>Overwegende dat de Raad dienvolgens de uitspraak van den Raad van Beroep heeft gehandhaafd; Overwegende dat eiser als middel van cassatie heeft voorgesteld:</para>
    <para>"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 2,3 en 6 van de Algemene Ouderdomswet (Stbl. 1956 no.281) vermits door de Centrale Raad van Beroep te Utrecht ten aanzien Van de Heer [X] hetzij zelf hetzij door de bevestiging Van de uitspraak van de Raad van Beroep te Arnhem;</para>
  </parablock>
  <para>a. ten onrechte is beslist, dat [X] tussen zijn vertrek uit Indonesië (op 6 Februari 1956) en zijn opneming in het Apeldoornse bevolkingsregister op 18 Januari 1957 binnen het Rijk in Europa heeft gewoond, immers zich per 19 Mei 1956 hier te lande heeft gevestigd;</para>
  <para>b. ten onrechte is beslist, dat [X] "geacht moet worden tussen de onder a. genoemde tijdstippen in Nederland te hebben gewoond";</para>
  <para>c. aan artikel 3, tweede lid, eerste volzin, een toepassing is gegeven, welke daaraan niet toekomt;</para>
  <para>d. [X] ten onrechte als verzekerde is aangemerkt (van 1 t/m 18 Januari 1957); en ter toelichting van de grieven b, c en d heeft aangevoerd:</para>
  <parablock>
    <para>De punten b. en c, betreffende toepassing van artikel 3, lid 2, eerste volzin, van de Algemene Ouderdomswet. Deze bepaling stelt een wettelijk vermoeden vast, doch dit is nadrukkelijk beperkt tot het geval dat tussen het metterwoon verlaten van het Rijk en het metterwoon terugkeren binnen het Rijk een tijdvak van minder dan één jaar ligt. Onder "Rijk" moet hier worden verstaan "het Rijk in Europa" (artikel 132 jo artikel 2 Grondwet). De bepaling betreft dus het geval, dat het Rijk in Europa moet zijn verlaten en dat binnen het jaar de terugkeer binnen hetzelfde Rijk in Europa moet hebben [X] gehad; dit ligt in het woord "terugkeer" besloten. Feitelijk is vastgesteld dat de heer [X] uit Indonesië vertrokken is en zich later in Nederland - en wel te [Z] - heeft gevestigd, zodat vaststaat, dat hij het Rijk in Europa niet in 1956 heeft verlaten, zodat ook terugkeer binnen datzelfde Rijk niet kan hebben [X] gevonden.</para>
    <para>Het feit, dat bij de algemene maatregel van bestuur Van 20 December 1956 S.628 - voor zover thans van belang - in artikel 1 het wonen van de heer [X] van 1914 tot de soevereiniteitsoverdracht in Nederlands-Indië en daarna tot 6 Februari 1956 in Indonesië met wonen binnen het Rijk in Europa, is gelijkgesteld, betekent niet, dat -zoals de Centrale Raad van Beroep en de Raad van Beroep te Arnhem kennelijk aannemen - artikel 3, lid 2, eerste volzin, nu ook moet worden gelezen alsof daarin gesproken is van het metterwoon verlaten van het "Rijk en/of de daarmede gelijkgestelde gebieden." Een wet toch kan slechts door een latere wet gewijzigd worden en niet bij algemene maatregel van bestuur.</para>
    <para>Bovendien is deze gelijkstelling van wonen in Indonesië met wonen binnen het Rijk een krachtens artikel 45 voor zeer speciale gevallen geschreven regeling, welke zich tot de regeling van artikel 3, lid 2, verhoudt als de lex specialis tot de lex generalis, zodat artikel 3 te dezer zake niet geldt. </para>
    <para>Verder beperkt deze algemene maatregel van bestuur van 20 December 1956 (S. 1956, no.628) de gelijkstelling uitdrukkelijk tot de toepassing van artikel 43 - ook een duidelijk bewijs, dat het een bijzondere regeling betreft - zodat die toepassing niet mag worden uitgebreid tot de toepassing van enig ander artikel dezer wet; met name niet tot artikel 3, lid 2.</para>
    <para>Punt d. is volledigheidshalve genoemd en is zonder practisch belang. Het berust op de overweging, dat i.c. de gelijkstelling zich niet verder uitstrekken kan dan over de tijd van 6 December 1907 (15e levensjaar) tot 1 Januari 1957, zijnde de dag waarop artikel 6 der Algemene Ouderdomswet in werking getreden is. De toepassing van artikel 1 van voornoemde algemene maatregel van bestuur is immers beperkt tot de toepassing van artikel 43. Het argument, dat het wonen in Indonesië gelijkgesteld is met wonen binnen het Rijk in Europa (omdat de reis tussen vertrek uit Indonesië en de inschrijving in het Apeldoornse bevolkingsregister korter dan een jaar duurde) kan ten aanzien van de periode 1 t/m 18 Januari 1957 dus niet juist zijn! De heer [X] behoorde over dit laatste tijdvak verzekerd te zijn geweest, hetwelk immers bij punt a. reeds besproken is. Verzekerd is nl. degene die wel 15 jaar, doch nog geen 65 jaar oud is, indien hij ingezetene is. En volgens artikel 2 is ingezetene, hij die binnen het Rijk woont, welke beslissing niet door de bewezen verklaarde feiten gedragen wordt.";</para>
    <para>Overwegende ten aanzien van grief a: </para>
    <para>dat deze grief er ten onrechte van uitgaat, dat de Centrale Raad heeft beslist, dat [X] tussen 6 Februari 1956 en 18 Januari 1957 binnen het Rijk in Europa heeft gewoond; </para>
    <para>dat immers de Centrale Raad blijkens zijn uitspraak zulks uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten, omdat de Raad oordeelde dat in ieder geval artikel 3, lid 2, van de Algemene Ouderdomswet te dezen toepasselijk zou zijn;</para>
    <para>dat de grief derhalve feitelijken grondslag mist; </para>
    <para>Overwegende ten aanzien van de grieven b en c: dat in voormeld artikel 3, lid 2, met "het Rijk" bedoeld 1 is het Rijk in Europa; </para>
    <para>dat dit artikel voorkomt onder de in Hoofdstuk I dier wet opgenomen "Algemene bepalingen", welke uiteraard bij de toepassing van de overige artikelen der wet in acht moeten worden genomen;</para>
    <para>dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van den Algemenen Maatregel van Bestuur van 20 December 1956 ( S. 1956, no. 628) voor de toepassing van artikel 43 het wonen in Indonesië met het wonen binnen het Rijk wordt gelijk gesteld, voorzover dit heeft [X] gevonden voordat de betrokkene na 27 December 1949 Indonesië voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten, mits de betrokkene op 27 December 1949 in Indonesië woonde en het bedoelde metterwoon verlaten vóór 28 December 1964 heeft [X] gevonden;</para>
    <para>dat onbetwist vaststaat, dat [X] op 27 December 1949 in Indonesië woonde, op 6 Februari 1956 Indonesië voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten en , na op 19 Mei 1956 hier te lande te zijn aangekomen, zich op 18 Januari 1957 in het bevolkingsregister te [Z] heeft laten inschrijven; dat de Centrale Raad derhalve terecht besliste, dat op grond van artikel 43, juncto artikel 3, lid 2, van de Algemene Ouderdomswet, [X] tussen evenvermelde data voor de toepassing Van de Algemene Ouderdomswet geacht moet worden binnen het Rijk te hebben gewoond, zodat de grieven b en c falen; </para>
    <para>Overwegende ten aanzien van grief d: </para>
    <para>dat, gelijk ook uit de gegeven toelichting blijkt, deze grief gericht is tegen een verkeerde toepassing van artikel 43; </para>
    <para>dat artikel 41, lid 3, het instellen van beroep in cassatie slechts toelaat ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een van de artikelen 1, tweede lid en derde lid, 2, 3 en 6;</para>
    <para>dat derhalve ook deze grief niet tot cassatie kan leiden; </para>
    <para>Verwerpt het beroep .</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Gedaan bij de heren Smits, Vice-President, van Rijn Van Alkemade, van der Loos, Houwing en Tekenbroek, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter raadkamer van den vijf en twintigsten Maart 1900 negen en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten .</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>