<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:1956:37</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T15:24:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1956-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">58.136</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1956/517 met annotatie van B.V.A. Röling</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1956:37">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1956:37</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T15:23:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:1956:37 Hoge Raad , 19-06-1956 / 58.136</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:1956:37:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:1956:37:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>19 Juni 1956</para>
  <para>Bm</para>
  <para>No 58. 136.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</emphasis>,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op het beroep van <emphasis role="underline">[requirante]</emphasis>, geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1898, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, requirante van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te <emphasis role="underline">Amsterdam</emphasis> van den 22sten Maart 1956, waarbij in hoger beroep met vernietiging van een vonnis der Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van den 24sten October 1955 de requirante wegens " het medeplegen van het opzettelijk een minderjarige, die onttrokken is aan het wettig over hem gesteld gezag, verbergen of aan de nasporingen van de ambtenaren der Justitie of Politie onttrekken, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is ", onder aanhaling van de artikelen 47 en 280 van het Wetboek van Strafrecht werd veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van zes maanden ; </para>
    <para>Gehoord het verslag van den Raadsheer Westerouen van Meeteren ; </para>
    <para>Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan de requirante uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald ; </para>
    <para>Gelet op het middel van cassatie, namens de requirante voorgesteld bij schriftuur en luidende ; </para>
    <para>"Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 1, 279, 280 Sr. en van de artt. 338, 339, 341, 344, 350, 351, 352, 358, 359, 415, 422, 423 Sv. a) doordien het Hof wettig en overtuigend bewezen heeft geacht, dat requirante op of omstreeks 7 Juni 1946 <emphasis role="underline">te [plaats]</emphasis> het meisje [minderjarige] heeft verborgen en aan de nasporingen van ambtenaren der justitie en politie heeft onttrokken, door dit meisje alstoen <emphasis role="underline">uit [plaats]</emphasis> te vervoeren, te doen of te laten vervoeren naar elders, zulks terwijl uit de door het Hof geciteerde bewijsmiddelen van een verbergen of onttrekken te [plaats] door "requirante niets blijkt en zijnde immers een vervoeren, doen - of laten vervoeren naar [plaats] geen te [plaats] gepleegd feit ; b) doordien het Hof ten onrechte heeft aangenomen, dat in Juni 1948 <emphasis role="underline">nasporingen van ambtenaren</emphasis> der Justitie en politie gaande waren, hetgeen nergens uit blijkt, en waarvan het tegendeel zelfs aannemelijk is, daar [minderjarige] in de aan de genoemde reis voorafgegane weken bij requirante en haar zusters aan huis was en de school te [plaats] bezocht ; c) doordien het Hof <emphasis role="underline">het tijdstip</emphasis> van het gepleegde feit (op of omstreeks 7 Juni 1948) onvoldoende bepaald heeft in verband met het feit, dat aan [betrokkene 1] op 16 Juni 1948 met onmiddellijke ingang de voogdij over/ [betrokkene 2] werd opgedragen ; d) doordien het Hof heeft aangenomen, dat op of omstreeks 7 Juni 1948 sprake is geweest van <emphasis role="underline">verbergen of ontrekking aan de nasporingen</emphasis> van justitie of politie, hoezeer het Hof zelf heeft geconstateerd, dat requirante volgens de inhoud van haar paspoort in het ten laste gelegde tijdvak meer dan eens in Nederland is teruggekeerd, waarbij het Hof over het hoofd ziet, dat het meisje reeds na enkele dagen is teruggekeerd. Het feit van de voogdij-opdracht op 16 Juni 1948 maakt het reeds aannemelijk, dat van " een-verborgen-houden" geen sprake kan zijn geweest (daags voor de uitspraak van de Hoge Raad op 26 Februari 1949 is het meisje eerst definitief vertrokken) ; e) doordien het Hof over het hoofd heeft gezien, dat het opzet van requirante nimmer gericht is geweest op een <emphasis role="underline">onttrekken aan het wettig</emphasis> over het kind gestelde <emphasis role="underline">gezag</emphasis>, noch op een verbergen of onttrekken aan de nasporingen van een <emphasis role="underline">aan het wettig gezag onttrokken</emphasis> kind, in de zin, welke op 22 December 1953 daaraan door de Hoge Raad is gegeven, hebbende requirante zich laten leiden door de op het moment van haar handelen bestaande constante rechtspraak omtrent het begrip "onttrekken" (H.R.2. 11. 1903 en 16.4. 1928) , waarbij zij uiteraard niet op de hoogte is geweest van het met een wetswijziging gelijk staande arrest van 22.12.1953. "</para>
    <para>Gehoord den Advocaat-Generaal s' Jacob namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren voorzover bij het arrest, waarvan beroep in cassatie : </para>
    <para>1e. requirante niet-ontvankelijk werd verklaard in haar hoger beroep voorzover zij in eerste aanleg van het haar sub I telastegelegde werd vrijgesproken ;</para>
    <para>2e. requirante van het sub I telastegelegde werd vrijgesproken, en</para>
    <para>3e. de Officier van Justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging, voorzover het sub II telastegelegde betrekking heeft op in [plaats] en Banneux in België door requirante gepleegde handelingen,</para>
    <para>en het beroep voor het overige zal verwerpen .</para>
    <para>Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirante is bewezen verklaard : " dat zij op of omstreeks 7 Juni 1948 te [plaats] opzettelijk tezamen en in vereniging en in gemeenschappelijk overleg met haar zuster [betrokkene 1] het meisje [minderjarige] , geboren [geboortedatum] 1940, dat sedert Augustus 1945 toevertrouwd was aan de zorg van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen, toen het onttrokken was aan dit wettig gezag, heeft verborgen en aan de nasporingen van ambtenaren der Justitie en Politie heeft onttrokken, door opzettelijk in gemeenschappelijk overleg met haar genoemde zuster [betrokkene 1] op of omstreeks 7 Juni 1948 dat meisje buiten medeweten en goedvinden van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen uit [plaats] te vervoeren, te doen of laten vervoeren naar een klooster te [plaats] in België ; "</para>
    <para>Overwegende dat het Hof deze bewezenverklaring heeft, doen steunen op de navolgende bewijsmiddelen : A. de verklaring van den getuige [getuige 1] , luidende : " Sedert bij Koninklijk Besluit van 13 Augustus 1945 de Commissie voor Oorlogspleegkinderen werd ingesteld, ben ik lid van het dagelijks bestuur en directeur van het bureau dezer Commissie geweest tot per 1 September 1949 de werkzaamheden der Commissie een einde namen. Zodra [minderjarige] ( [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940) bij gemelde Commissie als oorlogspleegkind was aangemeld, is zij in het register van de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen ingeschreven, en was zij als zodanig overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van gemeld Besluit aan de zorg van de Commissie toevertrouwd. Dit is zo gebleven, tot [betrokkene 1] op 16 Juni 1948 door de Rechtbank te Amsterdam tot voogdes over [minderjarige] is benoemd. In de eerste helft van 1947 heeft de Commissie besloten [minderjarige] over te plaatsen naar een Joods gezin in [plaats] , waartegen van de zijde van [betrokkene 1] en haar zuster, verdachte, verzet is gerezen. Nadat hierover vergeefs met [betrokkene 1] was onderhandeld en nadat ook nog het lid onzer Commissie kapelaan […] , - naar hij mij destijds heeft medegedeeld -, [betrokkene 1] bij een mondeling onderhoud er op had gewezen, dat zij verplicht was om [minderjarige] aan de Commissie af te geven, ben ik op 21 Juli 1947 te [plaats] bij [betrokkene 1] op bezoek geweest. Ik heb toen aldaar een onderhoud met [betrokkene 1] gehad, waarbij ook getuige [getuige 2] aanwezig was. Ik heb [betrokkene 1] daarbij uiteengezet, dat [minderjarige] van overheidswege aan de Commissie was toevertrouwd, dat en waarom de Commissie besloten had [minderjarige] naar het gezin in [plaats] over te plaatsen en dat ik daartoe [minderjarige] kwam halen. [betrokkene 1] bleef echter bezwaar maken, waar op ik, - daartoe door gemelde Commissie gemachtigd - van [betrokkene 1] uitdrukkelijk heb gevorderd om [minderjarige] in mijn gemelde hoedanigheid aan mij af te geven, hetgeen zij toen pertinent heeft geweigerd. Zij gaf bij het onderhoud nog te kennen, dat [minderjarige] op reis was, doch zeide niet waarheen ; overal waar [minderjarige] sedert 21 Juli 1947 tot 16 Juni 1948 verblijf heeft gehouden, geschiedde dit steeds buiten medeweten en zonder goedkeuring der Commissie voor Oorlogspleegkinderen ". </para>
    <para>B. de verklaring van den getuige [getuige 2] , luidende: "Op 21 Juli 1947 ben ik ten huize van de gezusters [requirante] te [plaats] tegenwoordig geweest bij een onderhoud tussen getuige [getuige 1] en verdachte's zuster [betrokkene 1] . Getuige [getuige 1] heeft toen uit naam Van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen van [betrokkene 1] gevorderd om het kind [minderjarige] aan hem af te geven, hetgeen zij pertinent weigerde te doen, In mijn hoedanigheid van politieambtenaar heb ik in opdracht van den Commissaris van Politie te [plaats] en van den Officier van Justitie te Amsterdam zowel in October als December 1947 nasporing en huiszoeking gedaan naar [minderjarige] ten huize der gezusters [requirante] te [plaats] doch telkens zonder resultaat. [minderjarige] en verdachte zijn sindsdien nog steeds spoorloos". </para>
    <para>C. een uittreksel uit het register van geboorten van den Burgerlijken Stand der gemeente Amsterdam, inhoudende, dat aldaar op [geboortedatum] 1940 is geboren [minderjarige] ;</para>
    <para>D. het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 17 Maart 1954 van den Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de Rechtbank te Amsterdam, mr H. Winkel, voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :</para>
    <para>dat zij [minderjarige] en [requirante] (Mevrouw [requirante] ) ongeveer zes jaar geleden heeft leren kennen op dezelfden dag dat zij naar het klooster [plaats] in België gingen; dat zij met [minderjarige] daar geruimen tijd is gebleven; dat zij [requirante] daar geregeld zag; dat [requirante] in het klooster te [plaats] woonde ; </para>
    <para>E. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 21 Juni 1954 van den Substituut-Officier van Justitie bij de Rechtbank te Amsterdam mr J.F. Hartsuiker, voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :</para>
    <para>dat pater […] haar in Juni 1948 naar [plaats] heeft gebracht; dat zij in [plaats] nog wel gesproken heeft over deze ontvoering met [requirante] en ook met de andere tantes [requirante] , waaronder ook [betrokkene 4] ; dat ze haar toen gezegd hebben, dat zij over haar ontvoering moest zwijgen als zij eens gepakt zou worden en dat zij ook nimmer de verblijfplaats van [minderjarige] moest zeggen .</para>
    <para>F. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 October 1947 van den Rijksveldwachter [getuige 2] , voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] : dat zij en haar zusters [requirante] en [betrokkene 5] in onderling overleg in 1943 het joodse oorlogspleegkind [minderjarige] , geboren [geboortedatum] 1940, in huis hebben genomen in het door hen te [plaats] geëxploiteerde rusthuis; dat zij in Juli of Augustus 1945 [minderjarige] als oorlogspleegkind heeft aangemeld bij de Commissie voor Oorlogspleegkinderen ; dat zij in Juni 1947 maatregelen genomen heeft om [minderjarige] te onttrekken aan de door de Commissie voor Oorlogspleegkinderen voorgenomen plaatsing in het [gezin] te [plaats] ; dat zij haar zuster [requirante] verzocht heeft, of zij met [minderjarige] wilde onderduiken; dat deze hierin toestemde </para>
    <para>G. het proces-verbaal no 233 d.d. 20 Mei 1954 van [verbalisant 1] , officier Eerstaanwezend Rechterlijk Inspecteur bij de rechterlijke opdrachten, hulpofficier van den Procureur des Konings van het arrondissement Tongeren, voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] , Moeder Overste van het klooster te [plaats] ; dat [minderjarige] en [betrokkene 7] in 1948 in 'het klooster te [plaats] zijn gekomen; dat de kosten voor het verblijf van [minderjarige] in het klooster door [requirante]  werden 'betaald ;</para>
    <para>H, de ambtsedige verklaring d.d. 14 Juli 1954 van den Substituut Officier van Justitie bij de Rechtbank te Amsterdam, mr J. F. Hartsuiker, inhoudende, dat de in het hiervoor onder G genoemde gerelateerde</para>
    <para>verklaringen van [betrokkene 6] in zijn tegenwoordigheid zijn afgelegd, zoals in gemeld proces-verbaal is vermeld ;</para>
    <para>I. het proces-verbaal no 286 d. d. 22 Juni 1954 van [verbalisant 1] voornoemd, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] : dat, toen de kinderen [minderjarige] en Meljado gebracht werden, zij aan haar werden voorgesteld onder de naam " [naam] ";</para>
    <para>J. het proces-verbaal van den Rechter-Commisaris voornoemd voorzover inhoudende als zakelijk verklaard door [betrokkene 3] op 15 April 1954 : dat zij op 8 Juni 1948 samen met [minderjarige] en [requirante] , die zij toen voor het eerst leerde kennen, per auto naar [plaats] is gegaan; dat de auto werd bestuurd door een pater, dien zij […] hoorde noemen ; dat zij gemelden datum (8 Juni) zo goed weet, omdat haar later in [plaats] elk jaar op dien datum werd gewezen;</para>
    <para>K. het proces-verbaal van den Rechter-Commisaris voornoemd inhoudende als zakelijke verklaring van [verbalisant 2] : <emphasis role="underline">op 8 Mei 1954 afgelegd</emphasis>, dat hij vóór het jaar 1949 op verzoek der gezusters [requirante] uit [plaats] in een daartoe door hem gehuurde auto [minderjarige] van de woning dier gezusters te [plaats] naar een klooster in [plaats] heeft gebracht ; dat hij voor 1950 tot de Franciscaner orde behoorde en den kloosternaam […] had; <emphasis role="underline">op 11 Mei 1954 afgelegd</emphasis>, dat [requirante] toen ook met de auto is meegereden en zij onderweg in Bussum bij een klooster nog een meisje hebben opgehaald, waarvan hij toen te weten is gekomen, dat het [betrokkene 7] was ; dat de beide meisjes ( [minderjarige] en [betrokkene 3] ) en [requirante] niet met hem zijn teruggereden; <emphasis role="underline">en op 23 Juni 1954 afgelegd</emphasis>, dat hij uit zijn hem vertoond paspoort ziet, dat hij op 7 Juni 1948 de grenspost Oud-Vroenhoven heeft gepasseerd; dat deze grensovergang betrekking moet hebben op de keer, dat hij de meisjes [minderjarige] en [betrokkene 3] naar [plaats] bracht ;</para>
    <para>L. het proces-verbaal van den Rechter-Commissaris voornoemd voorzover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , afgelegd op 9 Juni 1954 : dat zij in het voorjaar van 1948 omstreeks Pasen in [plaats] is geweest, alwaar zij met de zuster-overste een bespreking heeft gevoerd over het eventueel komen van [minderjarige] aldaar in gezelschap van haar zuster […] , daar zij en haar zuster het niet aandurfden [minderjarige] daar alleen achter te laten .</para>
    <para>Overwegende ten aanzien van het middel : </para>
    <para>dat requirante, die, gelijk het Hof op tot deszelfs beslissing redengevende bewijsmiddelen bewezen oordeelde, de minderjarige vervoerde, deed of liet vervoeren uit [plaats] naar een klooster te [plaats] in België, zulks in voege en onder de omstandigheden als in de bewezenverklaring vermeld, het misdrijf voorzien in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht mede pleegde te [plaats] , zijnde de plaats alwaar de handeling van het verbergen en onttrekken van de minderjarige aan de nasporingen van ambtenaren der Justitie en Politie een aanvang nam, zodat het middel in zijn onderdeel a) faalt ;</para>
    <para>dat aan het onderdeel b) de misvatting ten grondslag ligt, als zou artikel 280 den eis stellen van nasporingen van ambtenaren als voormeld, welke reeds zijn aangevangen en een onmiddellijk ingrijpen doen duchten ; </para>
    <para>dat echter voor de toepasselijkheid van meergenoemd artikel voldoende is, dat gevaar voor nasporing aanwezig is, zij het ook in een min of meer verwijderde toekomst ; </para>
    <para>dat het Hof tot de aanwezigheid van zodanig, zij het verwijderd gevaar, kon besluiten op grond van de als bewijsmiddel gebezigde verklaring van den getuige [getuige 2] ;</para>
    <para>dat derhalve ook het onderdeel b) ondeugdelijk is ; </para>
    <para>dat het onderdeel c) evenmin doel kan treffen ; </para>
    <para>dat requirante niet betwist, dat het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, dat het feit gepleegd werd op of omstreeks7 Juni 1948, terwijl geen wettelijk voorschrift het Hof verplichtte deze tijdsbepaling nauwkeuriger te omlijnen, dan in de aangevallen uitspraak geschiedde ;</para>
    <para>dat het onderdeel d) ondeugdelijk is om dezelfde redenen, welke tot terzijde stelling van het onderdeel b) leidden, wordende overigens in eerstbedoeld onderdeel beroep gedaan op feitelijke omstandigheden, welke in cassatie niet met vrucht kunnen worden aangevoerd ter bestrijding van s' Hofs beslissing, dat verberging en onttrekking aan de nasporingen van de ambtenaren van Justitie en Politie heeft plaats gevonden ;</para>
    <para>dat het onderdeel e) evenmin kan slagen, omdat artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht niet verlangt, dat de dader zich bewust moet zijn geweest, dat zijn handeling een strafbaar feit was, en het ontbreken van zodanige bewustheid ook geen strafuitsluitingsgrond oplevert, weshalve de door requirante ingeroepen omstandigheid van wijziging ns van jurisprudentie inzake hetgeen in de artikelen 279 en 280 onder onttrekken moet worden verstaan, haar niet kan baten ; </para>
    <para>dat het middel dus niet tot cassatie kan leiden ;</para>
    <para>Verwerpt het beroep ;</para>
    <para>Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren mrs Fick, Vice-President, Feber, Westerouen van Meeteren, Kazemier en Hülsmann, Raden, in bijzijn van den Griffier van Oordt, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negentienden Juni 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, alsmede van den Advocaat-Generaal s' Jacob, met uitzondering echter van den Raadsheer Westerouen van Meeteren, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen. </para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>