<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2026:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T09:31:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/1020</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:137">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T09:04:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2026:137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-01-2026 / 23/1020</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2026:137:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-tijdig overleggen machtiging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2026:137:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</title>
    <parablock>
      <para>Team belastingrecht</para>
      <para>Enkelvoudige Belastingkamer</para>
      <para>Nummer: 23/1020</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Uitspraak op het door [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) ingestelde hoger beroep</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 3 augustus 2023, nummer ROE 23/1513, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW),</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ten aanzien van de ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <para>1. Op 17 oktober 2025 heeft [gemachtigde] raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen.<footnote-ref linkend="_c2262590-6572-48cd-956c-59c16db633d2" /></para>
    <para />
    <para>2. Nadien heeft [gemachtigde] nadere stukken ingediend welke aan de wederpartij zijn doorgezonden.</para>
    <para />
    <para>3. De zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] namens [kantoor] B.V. De heffingsambtenaar heeft laten weten dat hij niet al verschijnen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd.</para>
    <para />
    <para>4. Het hoger beroep is op 7 augustus 2023 namens [kantoor] B.V. ingediend door [gemachtigde] . Blijkens het dossier heeft [gemachtigde] niet namens zichzelf hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>5. In het dossier dat het hof van de rechtbank heeft ontvangen, bevindt zich geen schriftelijke machtiging van belanghebbende.</para>
    <para />
    <para>6. Het hof heeft [gemachtigde] met een brief van 17 augustus 2023 een brief gestuurd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank;</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic">een op uw naam gestelde volmacht in te dienen; niet ouder dan 3 maanden</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 14 september 2023 te herstellen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het hof heeft [gemachtigde] op 19 september 2023 een herinnering gestuurd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Hierbij wijs ik u op mijn bericht van 17 augustus 2023. Voor zover ik kan nagaan, heb ik daarop nog geen reactie ontvangen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het gerechtshof stelt u alsnog in de gelegenheid het hoger beroep aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens. De termijn daarvoor eindigt op 3 oktober 2023.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. [gemachtigde] heeft met brieven gedagtekend op 13 september 2023 en 2 oktober 2023, door het hof beide ontvangen op 6 oktober 2023, op voornoemde verzoeken gereageerd waarbij hij verwijst naar het dossier en verzoekt om verlenging van de termijn voor het aanleveren van een machtiging.</para>
    <para />
    <para>9. [gemachtigde] heeft met een ongedateerde brief, door het hof ontvangen op 26 juni 2025 een machtiging overgelegd. Deze machtiging is gedateerd op 26 april 2024 en ondertekend door belanghebbende.</para>
    <para />
    <para>10. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 Awb een schriftelijke machtiging kan verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.</para>
    <para />
    <para>11. Het hof heeft [gemachtigde] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging van maximaal een half jaar oud over te leggen. Het hof is hiertoe overgegaan omdat in diverse andere zaken waarin [gemachtigde] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen. Aanleiding voor deze twijfels zijn de volgende ambtshalve bekende feiten en omstandigheden: (i) [gemachtigde] heeft in drie recente procedures bij dit hof<footnote-ref linkend="_f44d1d5c-1cfc-468f-8d56-954c80e87c40" />, terwijl sprake was van verschillende belanghebbenden, een identieke schriftelijke machtiging overgelegd, die niet is voorzien van een naam van de volmachtgever en die een handtekening bevat welke niet te herleiden is naar een naam, (ii) de rechtbank Noord-Nederland heeft een dergelijke handelswijze van [gemachtigde] ook al geconstateerd<footnote-ref linkend="_31c3e897-c07a-4abf-b17c-6846139abea3" />, (iii) uit uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant volgt concreet dat [gemachtigde] beroep instelt zonder dat hij daartoe bevoegd is of belanghebbende daarvan op de hoogte is<footnote-ref linkend="_58a8b60c-22db-42d8-861e-45d4cbb700a4" /> en (iv) het hof ambtshalve bekend is met twee hogerberoepszaken waarin de betreffende belanghebbende met een brief van 21 juni 2023 heeft laten weten dat [gemachtigde] namens hem in beide zaken onbevoegd zowel beroep als hoger beroep heeft ingesteld.</para>
    <para />
    <para>12. Het hof volgt [gemachtigde] niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat uit de betaling van het griffierecht ondubbelzinnig volgt dat hij van belanghebbende opdracht heeft gekregen om in hoger beroep als gemachtigde op te treden. [gemachtigde] heeft deze stelling niet nader uitgewerkt en ook niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht. Ook de stelling van [gemachtigde] dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu dit hof andere eisen aan de machtiging stelt dan andere hoven in Nederland, kan hem noch belanghebbende baten. Daargelaten dat [gemachtigde] deze stelling niet heeft onderbouwd kan het hof op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb, mede gelet op het vorenstaande, een recente machtiging verlangen van [gemachtigde] . </para>
    <para />
    <para>13. [gemachtigde] heeft in onderhavige procedure niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn een schriftelijke machtiging overgelegd die maximaal een half jaar oud is. Van een verschoonbare reden is evenmin gebleken. [gemachtigde] heeft binnen de door het hof gestelde termijn slechts verwezen naar het dossier. Ook de verzoeken van [gemachtigde] om uitstel voor het indienen van een machtiging zijn door het hof na afloop van de gestelde termijn ontvangen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat het beroep in eerste aanleg eveneens niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het [gemachtigde] duidelijk moet zijn geweest dat een dergelijke machtiging hoe dan ook een vereiste is die de rechtbank en hof stellen aan de ontvankelijkheid van een (hoger) beroep. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb moet worden aangemerkt en [gemachtigde] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tussenconclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wordt niet toegekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. [gemachtigde] heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Indien degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden.<footnote-ref linkend="_ef7c85c4-f671-4f04-bc1e-d5842930612b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ten aanzien van het griffierecht</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ten aanzien van de proceskosten</title>
    <para />
    <para>17. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold underline">5. Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>J.H.M. van Ooijen	J. Wessels</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het aanwenden van een rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c2262590-6572-48cd-956c-59c16db633d2" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2025:2935</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f44d1d5c-1cfc-468f-8d56-954c80e87c40" label="2">
    <para> De uitspraken van het gerechtshof Den Bosch van 12 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:655, ECLI:NL:GHSHE:2025:659 en ECLI:NL:GHSHE:2025:657.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31c3e897-c07a-4abf-b17c-6846139abea3" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4572.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58a8b60c-22db-42d8-861e-45d4cbb700a4" label="4">
    <para> Zie de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5250, en van 13 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3439.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef7c85c4-f671-4f04-bc1e-d5842930612b" label="5">
    <para> Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660, r.o. 2.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>