<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2026:134</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T09:25:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:134">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:134</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-03T15:48:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2026:134 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-01-2026 / 23/479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2026:134:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat het is ingesteld door een ander dan de belanghebbende.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2026:134:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Enkelvoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 23/479</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: [belanghebbende] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 maart 2023, nummer SHE 20/3599 in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van het waterschap De Dommel,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Namens [belanghebbende] is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Namens [belanghebbende] is tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>
        [gemachtigde] heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 17 oktober 2025 heeft [belanghebbende] raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen.<footnote-ref linkend="_c635273f-e25f-4880-b716-a75be656a87b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Nadien heeft [belanghebbende] nadere stukken ingediend welke aan de wederpartij zijn doorgezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) namens [kantoor gemachtigde] B.V., als gemachtigde van [belanghebbende] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met dagtekening 30 april 2020 heeft de heffingsambtenaar de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2020 ten aanzien van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (hierna: de aanslag) met aanslagnummer [aanslagnummer] bekendgemaakt. De aanslag is opgelegd aan [Vennootschap] BV (hierna: de vennootschap).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Namens de vennootschap heeft [gemachtigde] met dagtekening 4 mei 2020 bezwaar ingesteld tegen de aanslag. Met dagtekening 27 oktober 2020 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Namens [belanghebbende] heeft [gemachtigde] beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep niet is ingediend door of namens de vennootschap. [belanghebbende] , namens wie beroep is ingesteld, is geen belanghebbende. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Met dagtekening 23 maart 2023 heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift is door het hof op 24 maart 2023 ontvangen en vermeldt, voor zover van belang, het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Namens belanghebbende, [belanghebbende] , zie verder het volledige procesdossier terzake de beroepsprocedure, wordt hierdoor tijdig hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 16 maart jl., welke kwestie aldaar bekend is onder het zaaknummer 20/3599. Kopie van die beslissing is aangehecht. De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hogerberoepschrift bevatte geen bijlagen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [belanghebbende] ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde of [belanghebbende] gerechtigd is om hoger beroep in te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Indien het hoger beroep ontvankelijk is, is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [belanghebbende] concludeert dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vooraf en ambtshalve</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid in hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gemachtigde] heeft ter zitting bij het hof gesteld dat [belanghebbende] en de vennootschap – voor wat betreft het instellen van (hoger) beroep – dienen te worden vereenzelvigd. Ook heeft [gemachtigde] ter zitting bij het hof gesteld dat de aanslag aan de verkeerde persoon is opgelegd. Deze had moeten worden opgelegd aan [belanghebbende] in privé. Daarvan uitgaande is het (hoger) beroep namens de juiste persoon ingesteld, aldus [gemachtigde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 27h, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">In afwijking van artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen slechts de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur hoger beroep instellen.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het hof ziet zich daarom voor het antwoord op de vraag of [belanghebbende] gerechtigd was om hoger beroep in te stellen, voor de vraag gesteld of [belanghebbende] gerechtigd was beroep in te stellen bij de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Artikel 26a, lid 1, van de AWR luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">d. de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar in geval van een belastingaanslag die is vastgesteld met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 231 van de Gemeentewet is artikel 26a van de AWR van overeenkomstige toepassing op de heffing van gemeentelijke belastingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [gemachtigde] heeft hoger beroep ingesteld namens [belanghebbende] , onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank. Vast staat dat de aanslag is opgelegd aan de vennootschap. [gemachtigde] heeft ook namens de vennootschap bezwaar ingesteld. Ook de uitspraak op bezwaar is gericht aan de vennootschap. Uit artikel 26a van de AWR volgt dat [belanghebbende] niet gerechtigd was een rechtsmiddel in te stellen tegen de niet aan hem in privé gerichte uitspraak op bezwaar (een bezwaar dat gericht was tegen een niet aan [belanghebbende] opgelegde aanslag). Naar het oordeel van het hof volgt ook niet uit het hogerberoepschrift (zie 2.5) dat het hoger beroep namens de vennootschap is ingediend. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [gemachtigde] een machtiging heeft overgelegd met dagtekening 30 augustus 2022 en op twee verschillende tijdstippen een machtiging met dagtekening 8 juni 2023 namens [belanghebbende] in privé. Geen machtiging is overgelegd namens de vennootschap. Het betoog van [gemachtigde] , inhoudende dat [belanghebbende] en de vennootschap dienen te worden vereenzelvigd, kan hem niet baten. [belanghebbende] en de vennootschap zijn van elkaar te onderscheiden (rechts)personen. Het gegeven dat [belanghebbende] een aandelenbelang had in de vennootschap maakt dit oordeel niet anders. Ook het betoog van [gemachtigde] dat de aanslag niet aan de vennootschap, maar aan [belanghebbende] in privé had dienen te worden opgelegd, slaagt niet. [belanghebbende] heeft deze stelling niet nader onderbouwd of uitgewerkt. In zoverre heeft [belanghebbende] niet voldaan aan zijn stelplicht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] anderszins tot het instellen van het hoger beroep gerechtigd was. Daarvan uitgaande zal het hof het hoger beroep namens [belanghebbende] niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [gemachtigde] heeft het hof namens [belanghebbende] verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Het hof overweegt dat, nu de aanslag was opgelegd aan de vennootschap en niet aan [belanghebbende] , [belanghebbende] geen partij was bij een inhoudelijk dispuut over de hoofdzaak (de aanslag). Naar het oordeel van het hof staat alsdan vast dat geen sprake is van (rechtens te honoreren) spanning en frustratie ervaren vanwege de lange behandelduur van het geschil over de hoofdzaak. Dit leidt er naar het oordeel van het hof toe dat het verzoek tot schadevergoeding afgewezen dient te worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De raadsheer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>J.H.M. van Ooijen	J. Wessels</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c635273f-e25f-4880-b716-a75be656a87b" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2025:2935.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>