<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-11T14:20:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.328.812_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:971">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-11T14:13:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:971 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 08-04-2025 / 200.328.812_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:971:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen feiten gesteld over de wijze van totstandkoming van een overeenkomst die een betalingsverplichting voor de wederpartij</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:971:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.328.812/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 8 april 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: voorheen, mr. I. Bakker te Maastricht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 maart 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in (deels voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in (deels voorwaardelijke) reconventie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De zaak in het kort</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] wil betaling van [geïntimeerde] voor diverse zaken die hij voor haar stelt te hebben gekocht, of teruggave daarvan. Voor toewijzing van de vordering van [appellant] is noodzakelijk dat komt vast te staan dat sprake is van een of meer overeenkomsten tussen partijen die voor [geïntimeerde] een betalingsverplichting aan [appellant] meebrengen of die voor [geïntimeerde] de verplichting tot teruggave meebrengen. [appellant] moet gemotiveerd uitleggen hoe een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen, in het bijzonder door te zeggen wat partijen op welke tijdstippen over en weer hebben verklaard. Dat doet [appellant] niet. Daarom kan zijn vordering niet worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10026425 CV EXPL 22-3438)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de mondelinge behandeling van 24 maart 2025, waarbij [geïntimeerde] spreekaantekeningen heeft overgelegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de bij H12 formulier van 13 september 2024 door [appellant] toegezonden producties 3 en 4, die bij de mondelinge behandeling aan de gedingstukken zijn toegevoegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de e-mailberichten van [appellant] van 11 maart 2025 en 14 maart 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de bij H3 formulier van 18 maart 2025 door [geïntimeerde] aan het hof gezonden akte als bedoeld in artikel 228 Rv met het verzoek om hervatting van de zaak nadat deze van rechtswege is geschorst als bedoeld in artikel 226 Rv.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>Het hof heeft ter zitting aan de orde gesteld dat de zaak op grond van artikel 226 Rv van </para>
      <para>rechtswege is geschorst als gevolg van de omstandigheid dat mr. Bakker de hoedanigheid </para>
      <para>van advocaat heeft verloren. Het hof heeft ter zitting beslist dat de zaak, gelet op de ter </para>
      <para>zitting genomen akte van [geïntimeerde] en de instemming van [appellant] , per 24 maart 2025 </para>
      <para>is hervat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft ter zitting ook beslist dat de producties 3 en 4 van [appellant] aan de </para>
      <para>gedingstukken worden toegevoegd en dat in dit arrest op het bezwaar van [geïntimeerde] </para>
      <para>tegen de inhoud van die stukken wordt beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting een datum voor arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in een door [appellant] gedreven onderneming werkzaamheden verricht. Op enig moment hebben [appellant] en [geïntimeerde] enige relatie met elkaar gekregen. [geïntimeerde] was toen alleenstaande moeder met een zoon.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>In 2017 heeft [appellant] voor [geïntimeerde] een bankstel gekocht. In dat jaar heeft [appellant] ook nog andere inboedelzaken gekocht. In 2018 is, in aanwezigheid van beide partijen, een Ford Ka met bouwjaar 2012 (hierna: de auto), gekocht onder inruiling van een Mercedes. De Ford K stond eerst kort op naam van [appellant] , daarna op naam van diens zoon en per januari 2020 op naam van [geïntimeerde] .</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft drie niet nader gespecificeerde betalingen verricht op de bankrekening van [persoon A] , de vader van [appellant] . Het gaat om de volgende betalingen: op 01-10-2018 € 45,-, op 22-10-2018 € 40,- en op 04-12-2017 € 625,-. De zoon van [geïntimeerde] heeft één niet nader gespecificeerde betaling op die rekening verricht, te weten op 29-04-2019 € 2.178,-.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>Op enig moment, rond oktober 2019, is aan de relatie tussen partijen een einde gekomen. Zij zijn met elkaar gebrouilleerd geraakt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.5.</nr>
        <para>Bij e-mail van 20 september 2021 heeft [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder andere het volgende bericht:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(…) Verder heeft u het over dat ik volgens [geïntimeerde] haar lastig valt of volg, dit is ook weer een leugen van [geïntimeerde] omdat dit niet waar is.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het komt haar wel goed uit als ik niet meer in haar beurt komt omdat zij bij mij een schuld heef die ze niet wil terug betalen, maar dan heeft ze toch een probleem want ik wil het bedrag hoe dan ook terug. Zij heeft geld geleend voor goederen zoals,</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">bankstel 		1000</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">eethoek 		1850</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">koelkast		575</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">auto			2750</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">slaapkamer 		1200</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">magnetron 		125</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">koffiezetapperaat 	45</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">poort 			250</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">laminaatvloer leggen 	350</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">fiets 			250</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">fiets zoon 		100</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">gordijnen 		850</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">reparatie auto 		750</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">kleding 			4500</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Goederen die ze vekocht 450 op markplaats die van mij zijn zonder mij toestemming.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">samen 15045 EURO</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">waarvan ze al 2300 heeft afgelost</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">staat er nog open 12745 EURO</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">dan snap ik wel dat zij bij u komt met de leugens dat ik haar volg, ik wil gewoon het bedrag terug dat zij mij verschuldig is,</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">nu ze u als advocaat heeft kunt u ook wel aan haar doorgeven dat ze het bedrag binne 14 dagen op mijn rekening terug stort,</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">anders ben ik genootzaak om het op een andere manier te komen innen, wat volgens mij niet haar bedoeling kan zijn. (…)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.6.</nr>
        <para>Bij e-mail van 25 oktober 2021 heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder andere het volgende bericht:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(…) Tot mij wendde zich [appellant] . Ik wend mij tot u in uw hoedanigheid van advocaat van [geïntimeerde] . Mocht u mevrouw niet (langer) als advocaat bijstaan, verneem ik dat graag per ommegaande.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Cliënt gaf aan dat hij, ten tijde van de (v)echtscheiding waarin uw cliënte betrokken was, diverse zaken aan haar ter beschikking heeft gesteld met een waarde van in totaal minimaal     € 15.045,-, welke waarde zij aan hem dient te vergoeden. Zij is ook begonnen met betalen. Cliënt stelde mij (delen van) bankafschriften ter beschikking waaruit betalingen van uw cliënte blijken van in totaal € 2.888,00.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verder begreep ik van cliënt dat, toen hij uw cliënte in het voorjaar van 2020 tot betaling aansprak, de relatie tussen partijen subiet verslechterde omdat cliënt uw cliënte tevens aangaf dat hij niet wilde dat haar zoon in de ter beschikking gestelde Ford Ka met kenteken [kenteken A] reed. Uw cliënte gaf simpelweg aan dat cliënt kon oprotten. Cliënt stelde mij uw aan hem gerichte e-mail d.d. 17 september 2021, die werd ontvangen na dit voorval, ter hand.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Mijn cliënt wenst dat uw cliënte haar betalingen hervat. Hij is bereid om met uw cliënte in gesprek te gaan over een betalingsregeling betreffende het thans openstaande bedrag van ten minste € 12.745,-. Hij is daartoe eerder ook bereid geweest, maar een concrete betalingsregeling is nooit overeengekomen. Daarom geldt de hoofdregel in het</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Nederlandse verbintenissenrecht - boter bij de vis - zodat uw cliënte het gehele openstaande bedrag in één keer verschuldigd is.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ik meen dat uw cliënte reeds in verzuim is. Deze brief dient voor zoveel nog nodig als formele ingebrekestelling. Ik verzoek uw cliënte, en voor zover nodig sommeer ik haar, om het openstaande bedrag binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief door u is ontvangen, te voldoen. (…)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.7.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft geen gevolg gegeven aan deze sommatie, waarna [appellant] [geïntimeerde] voor de kantonrechter heeft gedagvaard.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>In deze procedure vorderde [appellant] (in conventie), zo begrijpt het hof de in eerste aanleg geformuleerde vordering - samengevat - primair veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 10.482,06, vermeerderd met rente en kosten en subsidiair ontbinding van ‘de overeenkomst’ en veroordeling van [geïntimeerde] tot afgifte van de auto en de inboedelzaken op straffe van een dwangsom, vermeerderd met kosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft diverse inboedelzaken en een auto gekocht. Hij heeft deze zaken aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld, maar zich de eigendom daarvan voorbehouden. Partijen spraken af dat [geïntimeerde] de waarde van de door [appellant] ter beschikking gestelde zaken zou vergoeden, waarna zij pas eigenaar zou zijn. Ook zou dan pas de tenaamstelling van het kenteken van de auto worden gewijzigd. Omdat het nooit tot volledige betaling door [geïntimeerde] is gekomen is sprake van wanprestatie van [geïntimeerde] , althans dient [geïntimeerde] de zaken aan [appellant] als zijnde de eigenaar af te geven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [geïntimeerde] vorderde voorts in reconventie - samengevat - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 172,00, en voorwaardelijk, voor het geval de vordering van [appellant] die ziet op de auto zou worden toegewezen, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 5.000,00, in beide gevallen vermeerderd met rente en kosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <para>In het bestreden eindvonnis van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] en in reconventie de vordering van [geïntimeerde] afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] .</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] heeft hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld voor zover zijn vordering (in conventie) is afgewezen. [geïntimeerde] heeft geen hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover zijn vordering is afgewezen en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het hof overweegt allereerst naar aanleiding van het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de inhoud van de door [appellant] overgelegde producties 3 en 4 het volgende. De producties betreffen een verklaring van [appellant] over zijn contacten met [geïntimeerde] in diverse jaren en een schrijven van [geïntimeerde] over kwijtschelding van een belastingaanslag over 2019. Anders dan [geïntimeerde] betoogt is geen sprake van strijd met de tweeconclusie-regel. [appellant] heeft deze stukken ingediend als bewijsmiddelen, zo heeft hij ter zitting meegedeeld. Het hof zal de inhoud van deze stukken in zijn beoordeling betrekken indien die inhoud bewijs biedt van stellingen van [appellant] die tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof constateert dat de kantonrechter de vordering van [appellant] heeft afgewezen omdat de kantonrechter van oordeel was dat [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld (aangereikt) om tot toewijzing van zijn vordering te kunnen komen. De Kantonrechter heeft dit in zijn uitspraak zo uitgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.5.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Voor zover [appellant] al gevolgd zou kunnen worden in zijn stelling dat hij het</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">bankstel en een of meer van de overige inboedelzaken heeft betaald, vloeit hieruit nog altijd</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">geen verplichting voor [geïntimeerde] tot terugbetaling of teruggave voort. [appellant] heeft</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">namelijk onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat (een of</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">meerdere van) die zaken [geïntimeerde] slechts in bruikleen zijn gegeven en of dat partijen</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een bedrag ter hoogte van de aankoopprijzen zou</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">terugbetalen. Hiertoe is het volgende van belang geacht.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.6.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere partij een zaak om</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">niet in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt deze na een</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">bepaalde tijd zal teruggeven. Nergens blijkt uit dat [geïntimeerde] zich wilde verbinden tot</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">een overeenkomst van bruikleen. Uit de stellingen en verklaringen van [appellant] vloeit</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">voort dat het de bedoeling is geweest dat [appellant] de inboedelzaken juist voor Van den</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hoek kocht (en niet voor zichzelf, dat ligt hier ook anderszins niet voor de hand). In het</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">schrijven van 21 oktober 2021 maakt [appellant] voor wat betreft het bankstel, de eethoek en</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">dergelijke uitsluitend melding van een geldlening, en niet van een verplichting om de zaken</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">terug te geven.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.7.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De gestelde afspraken over een terugbetaling zijn op geen enkele wijze toegelicht,</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">laat staan onderbouwd. Zo is in het ongewisse of de afspraken eenmalig, of telkens</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">afzonderlijk, zijn gemaakt. Er is ook gesteld noch gebleken dat afspraken zijn gemaakt over</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">de termijnen waarin, en met welk bedrag, zou worden terugbetaald. [appellant] heeft ook niet</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">gesteld dat bijvoorbeeld bij het maken van die afspraak in het midden is gelaten wanneer</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">zou worden terugbetaald of dat de afspraak is gemaakt dat [geïntimeerde] zou terugbetalen</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">wanneer zij daartoe in staat zou zijn (in welk geval sprake zou zijn van een overeenkomst</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">onder opschortende voorwaarde: er is ook niet gesteld dat aan die voorwaarde thans is voldaan). Voorts is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] ter zake van de inboedelzaken énig bedrag heeft terugbetaald. Uit het enkele feit dat op 4 december 2017 een bedrag van                 € 625,00 en op 29 april 2019 een bedrag van € 2.178,00 van de zijde van [geïntimeerde] is overgemaakt naar een bankrekening van een familielid van [appellant] , is niet op te maken dat dit verband houdt met een terugbetaling van die zaken. Zo heeft [geïntimeerde] een verklaring gegeven waarom zij bedragen naar die rekening heeft overgemaakt, te weten dat zij gebruik mocht maken van die rekening c.q. daarvan een bankpasje had, en heeft [appellant] op de mondelinge behandeling verklaard dat er een rekening was van de zoon “die mevrouw ter beschikking had”. Afgezien hiervan betrof het ook niet de rekening van [appellant] , en kan de kantonrechter ook geen verband ontwaren tussen die bedragen, de data en de gestelde specifieke aankopen. [appellant] stelt voorts dat hij [geïntimeerde] in het voorjaar van 2020 voor het eerst erop heeft aangesproken (hetgeen [geïntimeerde] overigens betwist; volgens haar was dit later), maar zoals vooropgesteld was de relatie toen al voorbij. Oftewel, [geïntimeerde] heeft nimmer iets terugbetaald en [appellant] heeft haar daar tijdens de relatie ook nooit op aangesproken.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Tussen partijen is niet in geschil dat de auto in ieder geval al vanaf ergens in 2019</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">alleen nog in de feitelijke macht is geweest van [geïntimeerde] , en niet van [appellant] . Ook</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">hier geldt (evenals bij de inboedelzaken) daarmee het uitgangspunt dat [geïntimeerde]</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">vermoedt wordt bezitter en rechthebbende daarvan te zijn (artikelen 3:109 en 3:119 BW) en</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">dat het aan [appellant] is om dit vermoeden te weerleggen.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor zover al moet worden aangenomen dat [appellant] voor [geïntimeerde] de auto</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">heeft betaald (wat van de Mercedes ook zij), vloeit hieruit nog altijd geen verplichting voor</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [geïntimeerde] tot terugbetaling of teruggave voort. [appellant] heeft, ook in dit kader,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat de auto zijn eigendom</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">is en bij [geïntimeerde] slechts in bruikleen en of dat partijen hebben afgesproken dat Van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">den Hoek de dagwaarde zou terugbetalen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat [appellant] het niet eens is met de beslissingen van de kantonrechter over zowel de inboedelzaken als de auto. [appellant] betoogt dat hij meer dan voldoende heeft gesteld en bewezen om aan te kunnen nemen dat sprake is van een overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] die een betalingsverplichting voor [geïntimeerde] aan hem meebrengt. Daartoe heeft [appellant] in de motivering van de grief aangevoerd dat [geïntimeerde] geen geld had, dat [appellant] aankoopbewijzen en foto’s van de gekochte spullen heeft overgelegd en dat [geïntimeerde] over diverse zaken onwaar heeft verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Het hof constateert dat [appellant] en [geïntimeerde] elkaar over en weer beschuldigen van het verkondigen van leugens. De kantonrechter heeft blijkens zijn overwegingen vastgesteld dat [geïntimeerde] niet altijd de waarheid verklaard. Dit laatste brengt echter nog niet mee dat [appellant] in deze procedure met recht aanspraak op betaling maakt of recht heeft op teruggave van zaken. Hiervoor is in een procedure zoals deze noodzakelijk dat [appellant] aan het hof door het noemen van feiten en omstandigheden uitlegt dat hij met [geïntimeerde] een of meer overeenkomsten heeft gesloten die voor [geïntimeerde] de verplichting meebrengt om de waarde van zaken aan hem te betalen of zaken terug te geven. Niet genoeg is dat [appellant] louter stelt dàt partijen een of meer van dergelijke overeenkomsten hebben gesloten. Dat heeft de kantonrechter ook duidelijk uitgelegd, onder andere in 4.2.7. van zijn vonnis. Een overeenkomst komt tot stand doordat de ene partij aan de andere partij aanbiedt een overeenkomst met een bepaalde inhoud te sluiten en doordat vervolgens die andere partij dit aanbod aanvaardt. Of met andere woorden, voor de totstandkoming van een overeenkomst is wilsovereenstemming van beide partijen nodig. Dit brengt voor [appellant] in dit geval, waarin volgens hem sprake is van mondelinge overeenkomsten, mee dat hij aan het hof uitlegt welk aanbod hij in welke bewoordingen op (bij benadering) welke tijdstippen aan [geïntimeerde] heeft gedaan en welke verklaring(en) in welke bewoordingen op (bij benadering) welke tijdstippen [geïntimeerde] aan hem heeft afgelegd. In de memorie van grieven wordt dat niet gedaan. Het wordt ook niet gedaan in de door [appellant] als productie 4 overgelegde verklaring over zijn contacten met [geïntimeerde] in diverse jaren. Op vragen van het hof ter zitting heeft [appellant] over de inhoud van verklaringen van partijen en de tijdstippen waarop die zijn afgelegd echter geen feiten kunnen noemen die tot het oordeel kunnen leiden dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een of meer overeenkomsten tot stand zijn gekomen die voor [geïntimeerde] de verplichting meebrengen betalingen aan [appellant] te verrichten of zaken aan hem terug te geven. Er zijn het hof niet meer feiten bekend geworden dan die waarover de kantonrechter beschikte en die ontoereikend zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de grief niet slaagt. Een deugdelijke grondslag voor de vordering van [appellant] ontbreekt. Het bestreden vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd, voor zover dat in hoger beroep is aangevochten. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Griffierechten			€ 343,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Salaris advocaat		€ 1.716,00 (2 punt(en) x tarief I)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Nakosten			€ 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Totaal				€ 2.237,00</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het bestreden vonnis van 1 maart 2023, voor zover aangevochten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.237,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij               € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, Z.D. Heesen-Laclé en N.A.J. Purcell en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>