<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:838</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-25T10:05:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/895</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2023:4120" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:4120, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025061101</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1175</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1240</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1280</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/30.17.17</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:838">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:838</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-22T12:37:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-03-2025 / 23/895</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:838:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof kent aan belanghebbende, inwoner van Duitsland, een aanvullende reiskostenvergoeding toe voor de beroepsfase wegens het ophalen van poststukken van de rechtbank op het Nederlandse domicilie-adres. De kantoorkosten komen naar het oordeel van het hof niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:838:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 23/895</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [plaats] (Duitsland),</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 22/1704, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende een beschikking “Niet in Nederland belastbaar inkomen” (hierna: NINBI), zoals bedoeld in artikel 8a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, over het jaar 2019 gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het NINBI lager vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en heeft zij de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 124,32 (reiskosten) aan proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar echtgenoot, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met de nummers 23/911, 23/920 tot en met 23/923, 23/926 en 23/928 tot en met 23/930.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Ter zitting bij de rechtbank is komen vast te staan dat bij de vaststelling van het NINBI ten onrechte geen aftrekposten in aanmerking zijn genomen. In de uitspraak van de rechtbank is overwogen dat partijen het erover eens zijn geworden dat zowel de aftrek eigen woning als de aftrek specifieke zorgkosten voor de helft bij belanghebbende in aanmerking kan worden genomen. De rechtbank heeft dit gezamenlijk standpunt gevolgd en heeft het NINBI nader vastgesteld op € 2.922.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Aangezien het beroep gegrond is verklaard heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en heeft zij de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 124,32 aan proceskosten. Dit bedrag betreft de door belanghebbende gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank het bedrag aan te vergoeden proceskosten te laag heeft vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en tot een verhoging van de proceskostenvergoeding voor de rechtbankfase naar een bedrag van € 314,81. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de rechtbank de inspecteur ten onrechte slechts tot vergoeding van de reiskosten in verband met de zitting heeft veroordeeld. Daarnaast wenst zij aanvullende reiskosten vergoed te zien in verband met het tweemaal ophalen van poststukken van de rechtbank op het Nederlandse domicilie-adres. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in relatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) geeft de belastingrechter de bevoegdheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien het Besluit de te vergoeden reiskosten niet beperkt tot specifieke proceshandelingen en de aanvullende reiskosten zijn gemaakt in verband met een deugdelijke voorbereiding van het beroepschrift<footnote-ref linkend="_9979ee1e-e9bc-4629-a78a-4df341047e38" /> is het hof van oordeel dat ook deze aanvullende reiskosten voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Ingevolge artikel 2, lid 1, letter c, Besluit worden deze reiskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Besluit tarieven in strafzaken 2003. Op grond van dat artikel komen de aanvullende reiskosten van het gebruik van de eigen auto tot € 0,28 per kilometer in aanmerking. De aanvullende reiskostenvergoeding bedraagt dan 320 kilometer x € 0,28 = € 89,60. De inspecteur heeft zich tegen de hoogte van de aanvullende reiskosten overigens niet verzet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt ook dat de rechtbank ten onrechte de inspecteur niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van kantoorkosten. Dit betreffen kosten voor papier, een inkt-cartridge, enveloppen, mappen, ordners en postzegels. Aangezien deze kosten niet zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit en er evenmin sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hof ziet aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. De reiskosten naar de zitting van het hof komen dan voor vergoeding in aanmerking. Deze zijn te bepalen op 2 x 177 kilometer x € 0,28 = € 99,12. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover deze betreft de veroordeling van de inspecteur tot betaling van de proceskosten van belanghebbende;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van € 136 vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank (€ 124,32 + € 89,60) en het hof (€ 99,12) van in totaal € 313,04<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De raadsheer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E. Royakkers	M.E. Smorenburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9979ee1e-e9bc-4629-a78a-4df341047e38" label="1">
    <para> Hoge Raad 13 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5713.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>