<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-20T15:25:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002761-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:807">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-09T16:18:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:807 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-02-2025 / 20-002761-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:807:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:807:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-002761-22 </para>
  <para>Uitspraak	: 12 februari 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-330873-21 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot een bedrag van € 5.038,72, bestaande uit € 4.038,72 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2021, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld. De verdachte is voorts veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, begroot op € 1.119,00, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald is dat in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot, zo begrijpt het hof, een bedrag van € 8.886,22, bestaande uit € 5.386,22 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd de proceskosten conform het liquidatietarief toe te wijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair in het verlengde van de vrijspraak bepleit dat deze in het geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair moet worden verwezen naar de burgerlijke rechter. Meer subsidiair heeft de raadsman de vordering (gedeeltelijk) inhoudelijk betwist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de artikelen waarop de beslissing berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de door de rechtbank opgenomen toepasselijke wetsartikelen aanvullen met artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.004,22, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>i. € 25,00 aan reis- en parkeerkosten</para>
      <para>ii. € 245,64 aan ziektekosten</para>
      <para>iii. € 1.347,50 aan huishoudelijke hulp</para>
      <para>iv. € 75,13 aan verlies zelfwerkzaamheid</para>
      <para>v. € 3.680,00 aan kosten verzorging</para>
      <para>vi. € 118,00 aan directe materiële schade (kosten nieuwe bril)</para>
      <para>vii. € 12,95 aan overige materiële schade (kosten staafmixer)</para>
      <para>viii. € 6.500,00 aan immateriële schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 5.038,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de posten i. tot en met v. alsmede ten aanzien van post vii. het standpunt ingenomen dat deze posten volledig voor toewijzing gereed liggen. Voor wat betreft de immateriële schade onder post viii. acht de advocaat-generaal toewijzing tot een bedrag van € 3.500,00 billijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege -zo begrijpt het hof- een onevenredige belasting van het strafgeding en daarom dient te worden verwezen naar de burgerlijke rechter, nu de reflexwerking van het bepaalde in artikel 185 van de Wegenverkeerswet aan toewijzing van de vordering in dit strafproces in de weg staat. Die discussie acht de raadsman niet eenvoudig van aard en dient daarom in een civiele procedure plaats te vinden en niet in het onderhavige strafgeding. Voorts heeft de raadsman inhoudelijk het volgende tegen de vordering ingebracht.</para>
      <para>Ten aanzien van post ii. is bepleit dat de kosten voor de krukken niet leesbaar zijn. Met betrekking tot de kosten voor huishoudelijke hulp (post iii.) en de kosten voor verzorging (post v.) heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is geweest van ingezette professionele hulp en mitsdien geen sprake is van materiële schade die met toewijzing van de vordering zou moeten worden gelijkgetrokken, reden waarom dat deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering dient, voor zover deze ziet op kosten voor een nieuwe bril, eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de opgevoerde kosten niet zijn onderbouwd. Ten slotte dient de gevorderde immateriële schade te worden gematigd, daar het gevorderde bedrag niet past bij een zaak als de onderhavige, maar veeleer bij zedenzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reflexwerking artikel 185 Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
      <para>Van reflexwerking is in deze zaak sprake als de benadeelde partij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Hierbij geldt dat de bestuurder van een gemotoriseerd voertuig in beginsel rekening moet houden met mogelijke fouten van andere verkeersdeelnemers. Alleen als de fout van de verdachte als fietser zo onwaarschijnlijk was dat de benadeelde partij daar bij het bepalen van zijn verkeersgedrag naar redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden, is er sprake van overmacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat er sprake is van overmacht aan de zijde van de benadeelde partij, te weten de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. De verdachte heeft al kijkend op de telefoon in zijn hand plotseling een stuurbeweging gemaakt, waarbij hij op de andere helft van het fietspad terechtkwam en een botsing tussen hem en het slachtoffer [benadeelde] niet meer te voorkomen was. Het slachtoffer [benadeelde] heeft naar het oordeel van het hof naar redelijkheid geen rekening hoeven te houden met de plotselinge beweging van de verdachte waardoor hij op dezelfde rijstrook waar het slachtoffer reed terechtkwam met alle gevolgen van dien. Derhalve is in deze zaak reflexwerking in de hier bedoelde zin niet aan de orde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Materiële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Posten i. tot en met vii.</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof is van oordeel dat de posten i. tot en met vii. geheel toewijsbaar zijn, nu deze voldoende zijn onderbouwd, niet of onvoldoende door de verdediging zijn betwist en in voldoende causaal verband staan tot het bewezenverklaarde. Als het gaat om de vergoeding voor de kosten voor huishoudelijke hulp en de kosten voor de verzorging acht het hof beide posten afzonderlijk toewijsbaar gelet op de Richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschade raad, artikel 6:107 van het Burgerlijk wetboek en het feit dat het verrichten van huishoudelijke klussen naar het oordeel van het hof niet samenvalt met de verzorging van het slachtoffer. Dat er geen professionele hulp is ingezet, doet aan toewijzing van het gevorderde overigens niets af. Tevens is de bril van de benadeelde partij bij het ongeval beschadigd en merkt het hof de factuur voor nieuwe brillenglazen met bijbehorende foto van een beschadigd brillenglas als voldoende onderbouwing hiervoor aan. Derhalve zal het hof een bedrag van € 5.504,22 aan materiële schade toewijzen. De materiële schade is op verschillende tijdstippen ingetreden en niet van alle posten valt vast te stellen wanneer de kosten zijn gemaakt. Het hof zal daarom de ingangsdatum bepalen op het midden van de periode gelegen tussen de datum van het bewezenverklaarde, te weten 29 juli 2021, en de datum van ondertekening van de vordering, gesteld op 29 augustus 2022. De wettelijke rente over de materiële schade zal aldus worden toegewezen vanaf 13 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Post viii.</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte ook rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat, gelet op het door de benadeelde partij opgelopen lichamelijk letsel. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde hiervoor recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 29 juli 2021, tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer gevorderde met betrekking tot deze schadepost zal worden afgewezen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij heeft in eerste aanleg primair een bedrag van € 3.902,26 aan kosten voor rechtsbijstand gevorderd en subsidiair een bedrag van € 1.119,00.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt bij de begroting van de proceskosten voorop dat, zoals gebruikelijk, het liquidatietarief tot uitgangspunt dient. In de aard van de zaak en de omvang van de vordering, noch in hetgeen namens de benadeelde partij op dit punt is aangevoerd, ziet het hof enige grond om de proceskosten op een andere wijze te begroten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de proceskostenveroordeling ten behoeve van de kosten in eerste aanleg aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken (conform tarieven d.d. 1 februari 2021, zoals die golden ten tijde van het wijzen van het vonnis). Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt bij een vordering met een hoofdsom tussen de € 10.000,00 en € 20.000,00 een bedrag van € 373,00 per punt als salaris toegekend. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij in dit verband twee punten toekomt, te weten één punt voor het door haar advocaat indienen van de vordering tot schadevergoeding en één punt voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg. Anders dan de rechtbank acht het hof het slachtoffergesprek bij de officier van justitie geen vergoeding in aanmerking komende proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft de procedure in hoger beroep past het hof het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven toe. Uitgaande van de hoogte van de vordering acht het hof tarief II van toepassing, zijnde € 614,00 per punt. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij in dit verband ook twee punten toekomt, te weten één punt voor het schriftelijk toelichten van de vordering vóór de terechtzitting en één punt voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.</para>
      <para>Op basis van het voorgaande zal het hof de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, derhalve veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op een totaalbedrag van ((2 x € 373,00) + (2 x € 614,00) =)</para>
      <para>€ 1.974,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partijen nog te maken kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schadevergoedingsmaatregel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 6.504,22, bestaande uit € 5.504,22 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op </para>
      <para>te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schadevergoeding met als ingangsdatum 13 februari 2022, alsmede voor wat betreft de immateriële schadevergoeding met als ingangsdatum 29 juli 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening<emphasis role="italic">, </emphasis>nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van <emphasis role="bold">€ 6.504,22 (zesduizend vijfhonderdvier euro en tweeëntwintig cent) </emphasis>bestaande uit € 5.504,22 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schadevergoeding ten bedrage van € 5.504,22 met als ingangsdatum 13 februari 2022 en voor wat betreft de immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,00 met als ingangsdatum 29 juli 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op <?linebreak?><emphasis role="bold">€</emphasis> 1.974,00 (duizend negenhonderd vierenzeventig euro);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.504,22 (zesduizend vijfhonderdvier euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 5.504,22 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en tweeëntwintig cent) aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schadevergoeding met als ingangsdatum 13 februari 2022 en voor wat betreft de immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,00 met als ingangsdatum 29 juli 2021, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. T. van de Woestijne, voorzitter,</para>
      <para>mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A. Muller, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,</para>
      <para>en op 12 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>