<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:721</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-23T17:24:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.434_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBLIM:2024:2105" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2024:2105</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=234&amp;g=2002-01-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 234</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2025/273</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2025-0384</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0384</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:721">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:721</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T09:55:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:721 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-03-2025 / 200.341.434_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:721:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>art 234 Rv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:721:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.341.434/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 18 maart 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen in het incident ex artikel 234 Rv van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] (L),</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J.L. Tacx te Someren,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] , i.h.v. vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>hierna te noemen: de vereffenaar,</para>
      <para>advocaat: mr. J.B. Gubbels te Roermond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/321523 / KG ZA 23-309 gewezen vonnis van 26 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het tussenarrest van 6 augustus 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven van [appellant] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord tevens een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de vereffenaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>antwoordconclusie in het incident van [appellant] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>akte van [appellant] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>antwoordakte van de vereffenaar.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dat vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) te verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken niet van [appellant] zijn en tot de nalatenschap behoren, en ontruimd te houden alsmede de sleutels af te geven aan de vereffenaar op straffe van een dwangsom. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde is afgewezen.</para>
        <para>Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In het onderhavige incident vordert de vereffenaar het bestreden vonnis op de voet van artikel 234 Rv alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vereffenaar heeft daartoe aangevoerd dat in de inleidende dagvaarding per abuis niet is verzocht om de verzochte beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het gevolg is dat door het instellen van het hoger beroep door [appellant] de vereffenaar nog steeds niet verder kan met de vereffening en afwikkeling van de nalatenschap waarvan de erflaatster (moeder van [appellant] ) al 7 jaar geleden is overleden. </para>
        <para>De vereffenaar stelt dat de voorzieningenrechter een belangenafweging heeft gemaakt en hierbij heeft geoordeeld dat het belang van de vereffenaar zwaarder weegt dan het belang van [appellant] . De vereffenaar verwijst naar het hierna genoemde arrest van de Hoge Raad waarin is overwogen dat het een belangrijk gezichtspunt is dat de vorige rechter de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. </para>
        <para>Om verdere vertraging en kosten te voorkomen verzoekt de vereffenaar om het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij stelt dat zij er recht en belang bij heeft om het in het haar voordeel uitgesproken vonnis reeds nu ten uitvoer te kunnen leggen, omdat zij anders (mogelijk) nog lange tijd zal moeten wachten totdat er een arrest is dat kan worden geëxecuteerd en zij betaling kan verkrijgen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Daarop zal in het hiernavolgende worden ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring (artikel 234 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.</para>
      <para>a.	Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. </para>
      <para>b.	Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.</para>
      <para>c.	Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De vereffenaar heeft in eerste aanleg kennelijk verzuimd te vorderen het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De voorzieningenrechter heeft daaromtrent ook geen overwegingen gewijd. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis berust op een feitelijke of juridische misslag.</para>
        <para>Bij de beoordeling van de vordering in het incident komt het dan ook aan op een 'gewone' belangenafweging conform de punten a en b van de hiervoor gegeven maatstaf.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belangenafweging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de voorzieningenrechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Het uitgangspunt is dus dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan de belangen van degene die de veroordeling heeft verkregen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Het belang van de vereffenaar is gericht op het zo spoedig mogelijk vereffenen en afwikkelen van de nalatenschap van erflaatster, die inmiddels 8 jaar geleden is overleden, om onder meer vertraging en kosten te voorkomen. </para>
        <para>Tegenover het belang van de vereffenaar bij ontruiming staat dat van [appellant] om in de woning te kunnen blijven wonen. Dit is een zwaarwegend belang, zeker ook omdat [appellant] heeft gesteld dat hij sinds 1996, eerst samen met zijn ouders, in de woning woont. Een ontruiming van de woning, ook al heeft hij geen recht van bewoning, zou een aantasting zijn van artikel 8 EVRM. Bovendien wenst [appellant] toedeling van de woning aan hem voor het getaxeerde bedrag van € 233.000,- waarbij hij de erfdelen van de zussen bij een notaris wil deponeren. Een ontruiming van de woning brengt in dat kader een onomkeerbare situatie met zich mee.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het belang van de vereffenaar, gegeven het uitgangspunt dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in beginsel ten uitvoer moet kunnen worden gelegd, zwaarder weegt. [appellant] woont immers na het overlijden van erflaatster al gedurende 8 jaar zonder recht of titel in de woning en is door de vereffenaar ten tijde van de procedure in eerste aanleg in de gelegenheid gesteld om de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen, wat tot op heden niet is gebeurd. De procedure in eerste aanleg is (in verband met de door [appellant] gewenste overname) zeven maanden aangehouden geweest. </para>
        <para>Bovendien heeft hij een eigen woning, die weliswaar momenteel verhuurd is, maar waarvan de huurovereenkomsten pas gesloten zijn nadat al duidelijk was dat de vereffenaar van oordeel was dat [appellant] de woning diende te verlaten. Daarnaast heeft [appellant] ook ruimschoots voldoende de tijd gehad om andere woonruimte te zoeken, mede in aanmerking genomen dat het kort geding vonnis inmiddels dateert van 26 april 2024.</para>
        <para>Het hof zal de incidentele vordering van de vereffenaar daarom toewijzen. </para>
        <para>De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>De zaak wordt naar de rol verwezen voor (aanvullend) fourneren overeenkomstig artikel 5.2 LPR in de hoofdzaak door beide partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het tussen partijen gewezen vonnis van 26 april 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de hoofdzaak: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2025 voor (aanvullend) fourneren door beide partijen in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>