<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-13T10:17:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.329.817_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:647">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-13T10:13:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:647 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-03-2025 / 200.329.817_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:647:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Personen en familierecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:647:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.329.817/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 11 maart 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. H.M.J. van den Hurk te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [geïntimeerde],<?linebreak?>wonende te [woonplaats],</title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[de B.V.],</emphasis><?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de man, respectievelijk de BV, respectievelijk tezamen als de man c.s.,</para>
      <para>advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 3 juli 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 april 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man c.s. als gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/378776 / HA ZA 22-63)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord tevens houdende antwoord op vermeerdering van eis, met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>spreekaantekeningen die tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 januari 2023 zijn overgelegd van de zijde van de vrouw;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H12-formulier van de zijde van de vrouw d.d. 8 november 2024 met producties 19 tot en met 22</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H12-formulier van de zijde van de man c.s. d.d. 11 november 2024 met productie 5;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H16-formulier van de zijde van de vrouw d.d. 20 november 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H16-formulier van de zijde van de man d.d. 20 november 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H16-formulier van de zijde van de vrouw d.d. 20 december 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een H16-formulier van de zijde van de man d.d. 23 december 2024.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>De man en de vrouw zijn van 21 april 1995 tot 15 juni 2015 gehuwd geweest onder huwelijkse voorwaarden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een door beiden op 21 februari 2015 ondertekend echtscheidingsconvenant tevens houdende</para>
          <para>vaststellingsovereenkomst. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>Bij inleidende dagvaarding vordert de vrouw om de man c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de kosten:</para>
        <para>1. Te verklaren voor recht dat eiseres aanspraak heeft op:</para>
        <parablock>
          <para>	a. Ouderdomspensioen ingaand vanaf 1 april 2028:		€ 10.690,-- p/j</para>
          <para>	b. TOP (tussen 60 en 65 jaar): 					€   3.110,-- p/j</para>
          <para>	c. Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar: 				€   9.550,-- p/j</para>
          <para>	d. Bijzonder nabestaandenpensioen: 				€  28.336,--p/j</para>
          <para>	(alle bedragen zijn bruto);</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>2. Te verklaren voor recht dat de aanspraken sub 1. op grond van artikel 2 van de pensioenovereenkomst 2006 na ingang waardevast worden gehouden, waarmee eiseres aanspraak heeft op deze (voorwaardelijke) indexering;</para>
        <para />
        <para>3. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van de verplichting tot afstorting, binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis, en wel in die zin, dat de man c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot afstorting van een, door een door vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij of pensioenuitvoerder op het moment van afstorting te bepalen, koopsom onder die verzekeringsmaatschappij of pensioenuitvoerder, ten behoeve van de financiering van de pensioenaanspraken van de vrouw op het verevende deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen en tijdelijke ouderdomspensioen (50% van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen en tijdelijke ouderdomspensioen), te vermeerderen met de (voorwaardelijke) indexering vanaf de pensioendatum van 1 april 2028 respectievelijk 1 april 2033 uitgaande van 2% per jaar, dan wel een door Uw rechtbank te bepalen vast jaarlijks indexatiepercentage, alsmede ten behoeve van de financiering van het aan de vrouw toekomende bijzonder nabestaandenpensioen;</para>
        <para />
        <para>4. En voorts de man te veroordelen al die handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de BV het hierboven gevorderde te laten uitvoeren;</para>
        <para />
        <para />
        <para>5. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van</para>
        <parablock>
          <para>€ 14.747,34, exclusief BTW en kantoorkosten, ter zake de door de vrouw reeds</para>
          <para>noodzakelijk gemaakte kosten van (juridische) bijstand, vermeerderd met de</para>
          <para>wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop dit vonnis wordt gewezen,</para>
          <para>althans de man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de</para>
          <para>buitengerechtelijke (incasso)kosten op grond van het rapport BGK-integraal 2013</para>
          <para>vermeerderd met rente van de kosten op grond van het rapport, althans de man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een zodanige tegemoetkoming aan de vrouw in de door haar reeds gemaakte kosten van (juridische) bijstand als Uw rechtbank in goede justitie geraden acht;</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>6. Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor elke dag dat de man c.s. of één of meerderen van hen na genoemde termijnen niet voldoen aan de veroordeling in het in deze te wijzen vonnis;</para>
        <para />
        <para>7. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Met veroordeling van de man in de (proces)kosten en nakosten van deze procedure. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <para>Aan deze vordering heeft de vrouw, zeer kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De man heeft in hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder (DGA), gedurende de huwelijkse periode (ouderdoms)pensioen opgebouwd. De pensioenopbouw vond 'in eigen beheer' plaats en wordt uitgevoerd door de BV. De vrouw wenst te komen tot afwikkeling van de pensioenverevening, maar heeft er geen vertrouwen (meer) in dat de man de verplichtingen uit het convenant nakomt. Daarom heeft zij haar vordering, zoals hierboven weergegeven, ingesteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5.</nr>
        <para>De man c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.6.</nr>
        <para>In het tussenvonnis van 13 april 2022 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.7.</nr>
        <para>In het eindvonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank:</para>
        <para>- voor recht verklaard dat de vrouw aanspraak heeft op:</para>
        <para>a. Ouderdomspensioen ingaand vanaf 1 april 2028: 	€ 10.690,-- per jaar;</para>
        <para>b. TOP (tussen 60 en 65 jaar): 				€   3.110,-- per jaar;</para>
        <para>c. Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar: 			€   9.550,-- per jaar;</para>
        <para>d. Bijzonder nabestaandenpensioen : 			€ 28.336,-- per jaar;</para>
        <para>(alle bedragen zijn bruto);</para>
        <para>- het meer of anders gevorderde afgewezen;</para>
        <para>- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De vrouw heeft in hoger beroep, tevens houdende vermeerdering van eis, zes grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het navolgende onder (1) en tot vernietiging van het vonnis, voor zover haar vorderingen zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende ter zake voormeld, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de kosten in beide instanties alsnog: </para>
      <para>1. Te verklaren voor recht dat de vrouw aanspraak heeft op:</para>
      <para>a. Ouderdomspensioen ingaand vanaf 1 april 2028: 	€ 10.690,- per jaar;</para>
      <para>b. TOP (tussen 60 en 65 jaar): 				€   3.110,-- per jaar;</para>
      <para>c. Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar: 			€   9.550,-- per jaar;</para>
      <para>d. Bijzonder nabestaandenpensioen : 			€ 28.336,-- per jaar;</para>
      <para>(alle bedragen zijn bruto);</para>
      <para />
      <para>2. Te verklaren voor recht dat de aanspraken sub 1. op grond van artikel 2 van de</para>
      <para>pensioenovereenkomst 2006 na ingang waardevast worden gehouden, waarmee appellante aanspraak heeft op deze (voorwaardelijke) indexering;</para>
      <para />
      <para>3. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van de verplichting tot afstorting, binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis, en wel in die zin, dat de man c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot afstorting van een, door een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij of pensioenuitvoerder op het moment van afstorting te bepalen, koopsom onder die verzekeringsmaatschappij of pensioenuitvoerder, ten behoeve van de financiering van de pensioenaanspraken van de vrouw op het verevende deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen en tijdelijke ouderdomspensioen (50% van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen en tijdelijke ouderdomspensioen), te vermeerderen met de (voorwaardelijke) indexering vanaf de pensioendatum van 1 april 2028 respectievelijk 1 april 2033 uitgaande van 2% per jaar, dan wel een door Uw Gerechtshof te bepalen vast jaarlijks indexatiepercentage, alsmede ten behoeve van de financiering van het aan de vrouw toekomende bijzonder nabestaandenpensioen;</para>
      <para />
      <para>4. En voorts de man te veroordelen al die handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om</para>
      <para>de BV het hierboven gevorderde te laten uitvoeren;</para>
      <para />
      <para>5. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 54.738,34 exclusief BTW en kantoorkosten, ter zake de door de vrouw reeds noodzakelijk gemaakte kosten van (juridische) bijstand voor ook de vaststelling van haar schade en aansprakelijkheid (6:96 lid 2 BW), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop dit vonnis wordt gewezen, althans de man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke (incasso)kosten op grond van het rapport BGK-integraal 2013 vermeerderd met rente van de kosten op grond van het rapport, althans de man c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een zodanige tegemoetkoming aan de vrouw in de door haar reeds gemaakte kosten van (juridische) bijstand als Uw Gerechtshof in goede justitie geraden acht en akte vragend van haar eisvermeerdering;</para>
      <para />
      <para>6. Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor elke dag dat de man c.s. of één of meerderen van hen na genoemde termijnen niet voldoen aan de veroordeling in het in deze te wijzen vonnis;</para>
      <para />
      <para>7. Een onafhankelijke deskundige te benoemen, waaraan (bij nadere akte nader geformuleerde) opdracht zal worden gegeven de omvang en mogelijkheden om over te gaan tot afstorting van de aan de vrouw toekomende pensioenaanspraken vast te stellen, waarbij wordt toegespitst op de mogelijkheden kapitaal liquide te maken, dan wel welke financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn dan wel wat de mogelijkheden zijn liquide middelen van elders te betrekken;</para>
      <para />
      <para>8. De man c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De man c.s. hebben verweer gevoerd. Zij vorderen, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren, met bekrachtiging van het bestreden vonnis, met compensatie van proceskosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij afzonderlijke H16-formulieren van 20 november 2024 hebben partijen het hof bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt, dat de mondelinge behandeling – die op 20 november 2024 stond gepland – geen doorgang hoeft te vinden. Tevens hebben partijen verzocht om de zaak aan te houden, waarbij zij tevens uitdrukkelijk vermelden dat het géén royement betreft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Bij H16-formulier van 20 december 2024 heeft de vrouw de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst aan het hof toegezonden. In aansluiting op dit bericht heeft de man bij H16-formulier van 23 december 2024 het hof bericht dat ook hij de vaststellingsovereenkomst graag opgenomen ziet in een (het hof begrijpt:) arrest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen (onder i):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“i. Partijen komen overeen het geschil bij minnelijke regeling te beëindigen op basis van de navolgende afspraken. Alvorens tot royement over te gaan, zal de procedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.329.817/01 worden aangehouden tot het moment van algehele voldoening van de uit deze vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>alsook (onder 4.1, 4.2 en 4.4):</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De tussen partijen lopende procedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.329.817/01 zal worden aangehouden tot [de B.V.]. of de man hebben voldaan aan hun verplichtingen uit deze overeenkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Indien [de B.V.]. of de man (of een voor hen afzonderlijk of gezamenlijk in de plaats tredende) een van de door hen aangegane verplichtingen in deze vaststellingsovereenkomst niet nakomt, staat het de vrouw vrij om voort te procederen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4. (…)</nr>
      <para>Nadat alle verplichtingen uit deze vaststellingsovereenkomst door de daarvoor verantwoordelijke(n) zijn nagekomen, zullen partijen zich gezamenlijk tot het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wensen en om royement van de procedure verzoeken.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Het hof stelt vast dat aanhouding van de zaak niet mogelijk is. Wellicht beogen partijen onder een gelijktijdige daartoe strekkende wijziging van eis, te vorderen dat zij over en weer veroordeeld worden tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst – waarmee de zaak definitief is afgedaan – of beogen zij royement (= doorhaling van de procedure). Het hof merkt daarbij op dat, voor zover partijen kiezen voor een veroordeling tot nakoming van hetgeen zij zijn overeengekomen, de bepalingen in de vaststellingsovereenkomst zich daartoe wel moeten kunnen lenen. Veroordeling van hetgeen zij, zoals hierboven weergegeven onder (i), 4.1, 4.2 en 4.4 zijn overeengekomen, is naar de aard van de bepaling immers niet mogelijk.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten (uitsluitend) over de voortgang van de procedure (waarover rov. 3.8). Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 25 maart 2025 voor akte uitlaten voortprocederen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 25 maart 2025 voor het door elk van partijen nemen van de hiervóór in rov. 3.8-3.9 bedoelde akte;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en T.A. Gladpootjes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>