<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-03T07:23:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.336.611_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2023:6704" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:6704</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2025/246</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2025-0344</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0344</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:514">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T10:07:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:514 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-02-2025 / 200.336.611_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:514:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>erfrecht; nietige verdeling; invloed van rekening en verantwoording bewindvoerders tijdens leven van erflaatster op de vordering tot vaststelling van de nalatenschap</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:514:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH    </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.336.611/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 25 februari 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [persoon A] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</title>
    <para>hierna aan te duiden als [persoon A] ,</para>
    <para>2. <emphasis role="bold">[persoon B]</emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,</para>
    <para>hierna aan te duiden als [persoon B] ,</para>
    <para>3. <emphasis role="bold">[persoon C]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] , [gemeente B] ,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [persoon C] ,</para>
    </parablock>
    <para>4. <emphasis role="bold">[persoon D] ,</emphasis><?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <parablock>
      <para>hierna aan te duiden als [persoon D] ,</para>
      <para>appellanten in principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna gezamenlijk aan te duiden als de broers en zussen,</para>
      <para>advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] , [gemeente C] ,</para>
      <para>geïntimeerde in principaal hoger beroep,</para>
      <para>appellante in incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.G. Hees te Laren,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 13 december 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 september 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de broers en zussen als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/394500 / HA ZA 22-72)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 15 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep  met een eiswijziging en producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de op 29 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de met een rolformulier op 14 januari 2025 toegestuurde productie 32, die de broers en zussen bij de mondelinge behandeling in het geding hebben gebracht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de met een rolformulier op 20 januari 2025 toegestuurde productie 12, die [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van productie 32 door de broers en zussen. Het hof ziet geen processuele bezwaren tegen het in het geding brengen van dit document. Deze productie zal dus onderdeel uitmaken van het procesdossier. Het hof ziet echter totaal niet in wat de relevantie is van dit door de broers en zussen zelf opgestelde verhaal over [geïntimeerde]. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd dat dit onnodig polariserend is. Het hof acht het ongepast om een dergelijk document in het geding te brengen, waarvan het (de advocaat) op voorhand volstrekt duidelijk is dat het geen enkele relevantie heeft voor de beoordeling van het geschil. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De samenvatting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de verdeling van de nalatenschap van moeder die op 3 februari 2018 is overleden. De broers en zussen hebben de nalatenschap verdeeld. De andere zus, [geïntimeerde], heeft niets gekregen omdat [geïntimeerde] volgens de broers en zussen nog een schuld had aan moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.2.</nr>
      <para>Het hof komt tot het oordeel dat de verdeling nietig was omdat [geïntimeerde] niet bij de verdeling betrokken is geweest. De nalatenschap moet dus alsnog worden verdeeld. Daartoe moet de nalatenschap worden vastgesteld, dus wat het vermogen was van moeder toen zij overleed. Het hof zal over enkele geschilpunten een knoop doorhakken. Daarbij zal aan de orde komen wat de invloed is van het door [persoon A] en [persoon B] gevoerde meerderjarigenbewind over de goederen van moeder voorafgaand aan haar overlijden. Het hof kan nog geen eindoordeel geven. De broers en zussen moeten eerst nog nadere informatie geven. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het hof zal in dit hoger beroep uitgaan van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>Partijen zijn de kinderen van [moeder] (hierna afwisselend aangeduid als moeder en als erflaatster) en [vader] (hierna: vader).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 11 april 2013 is over de goederen van moeder een beschermingsbewind uitgesproken (artikel 1:431 BW) met benoeming van [persoon A] en [persoon B] als haar bewindvoerders.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>Op 28 mei 2013 hebben [persoon A] en [persoon B] een ‘leenoverzicht’ aan [geïntimeerde] gestuurd waarop meerdere bedragen staan vermeld, sluitend op een totaalbedrag van € 24.112,57. [geïntimeerde] heeft niet op dit overzicht gereageerd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <para>Op 3 februari 2018 is moeder overleden. Moeder had net als haar eerder overleden echtgenoot een testament opgemaakt inhoudende een ouderlijke boedelverdeling. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5.</nr>
        <para>
          [persoon A] heeft met een e-mail van 14 november 2018 laten weten dat iedere erfgenaam behalve [geïntimeerde], een bedrag van € 15.000,00 zou ontvangen uit de erfenis. Deze bedragen zijn uitgekeerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.6.</nr>
        <para>Bij brief van 11 december 2018, met als onderwerp ‘<emphasis role="italic">Eindrekening’</emphasis> heeft de kantonrechter in Den Haag aan [persoon A] en [persoon B] laten weten dat de door hen ingediende stukken over het gevoerde bewind over de goederen van moeder zijn ‘gezien’ en dat het dossier wordt gesloten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.7.</nr>
        <para>Op 30 mei 2019 heeft [persoon A] aan alle erfgenamen een overzicht van verdeling toegezonden. Daarbij was een Excel-sheet gevoegd met de titel ‘<emphasis role="italic">Copy of eindverantwoording na overlijden 2018-2019 30-05</emphasis>’ en bijbehorende bankafschriften. In de begeleidende e-mail is onder andere vermeld: <emphasis role="italic">‘[geïntimeerde] had 25.000 schuld, door voorschot 15.000 erfenis in mindering gebracht, rest nog 10.000’</emphasis>. Op 27 november 2019 heeft [persoon A] aan alle erfgenamen een nadere toelichting gegeven. Daarin is onder andere vermeld: ‘<emphasis role="italic">Gedeeld door 4 levert een bedrag ‘per kindsdeel Eur 4.350,47 op. Dat heb ik zojuist overgemaakt. Ditzelfde bedrag wordt van schuld [geïntimeerde] in mindering gebracht.</emphasis>’ Op 1 december 2019 heeft [persoon A] aan alle erfgenamen een document genaamd ‘<emphasis role="italic">eindverantwoording ma 1-12-2019</emphasis>’, met bijbehorende bankafschriften toegezonden. Met een e-mail van 19 februari 2021 heeft [persoon A] aan alle erfgenamen een laatste overzicht toegestuurd, waarin [geïntimeerde] wordt verzocht aan ieder van de erfgenamen € 1.056,00 te betalen. Per e-mail van 19 februari 2021 heeft [geïntimeerde] afwijzend op dit verzoek gereageerd. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De vorderingen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank (samengevat) gevorderd:</para>
        <para>a. a) dat de broers en zussen worden veroordeeld om de nalatenschap van erflaatster met haar te verdelen;</para>
        <para>b) dat [persoon A] en [persoon B] worden veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde bewind over de goederen van erflaatster.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>De broers en zussen hebben op hun beurt gevorderd (samengevat):</para>
        <para>a. a) [geïntimeerde] te veroordelen om aan ieder van hen – of aan een aangewezen goed doel – € 1.056,00 te voldoen;</para>
        <para>b) [geïntimeerde] te veroordelen om zich te onthouden van negatieve uitlatingen over hen aan derden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <para>De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] deels toegewezen in die zin dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van erflaatster heeft bevolen ten overstaan van een notaris. Verder heeft de rechtbank [persoon A] en [persoon B] veroordeeld tot afgifte van bepaalde stukken, waarover partijen tijdens de mondelinge behandeling waren overeengekomen dat [persoon A] en [persoon B] die stukken aan [geïntimeerde] zouden afgeven. De rechtbank heeft de vorderingen van de broers en zussen om aan ieder € 1.056,00 te voldoen, afgewezen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>De broers en zussen zijn in hoger beroep gekomen. Zij willen met het hoger beroep bereiken dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en hun vorderingen alsnog toewijst. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.5.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [geïntimeerde] is ook in hoger beroep gekomen. Zij heeft haar vorderingen in hoger beroep gewijzigd. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof (samengevat): </para>
          <para>I. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om aan haar de afgelegde rekening en verantwoording over te leggen over de periode 11 april 2013 tot en met 31 december 2014; </para>
          <para>II. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om mede aan haar eindrekening en verantwoording af te leggen;</para>
          <para>III. bepaalt dat [geïntimeerde] uit de nalatenschap € 10.000,00 moet ontvangen wegens een gift;</para>
          <para>IV. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om € 7.405,75 aan de nalatenschap te betalen;</para>
          <para>V. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om een kopie van de verzekeringspolis te verstrekken op basis waarvan een uitkering ter zake ‘schade interpolis sieraden’ is gedaan en de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek;</para>
          <para>VI. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om € 22.453,81 aan de nalatenschap te betalen;</para>
          <para>VII. [persoon A] veroordeelt om € 20.000,00 aan de nalatenschap te betalen;</para>
          <para>VIII. [persoon B] veroordeelt om € 16.000,00 aan de nalatenschap te betalen;</para>
          <para>IX. de broers en zussen ieder veroordeelt om € 19.888,47 per persoon aan de nalatenschap te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente over € 15.000,00 vanaf 30 november 2018 en over € 4.350,47 vanaf 27 november 2019;</para>
          <para>X. [persoon A] en [persoon B] veroordeelt om (specifiek in de memorie genoemde) bankafschriften te verstrekken, alsmede een factuur van de uitvaart;</para>
          <para>XI. de verdeling van de nalatenschap vaststelt, althans de wijze van verdeling gelast op de wijze zoals in de memorie aangegeven;</para>
          <para>XII. de broers en zussen veroordeelt om de ervenrekeningen te doen opheffen en bewijs daarvan te verstrekken;</para>
          <para>XIII. de broers en zussen veroordeelt in de proceskosten. </para>
          <para>
            [geïntimeerde] heeft gevorderd dat het hof aan de vorderingen I, II, V, X en XII een dwangsom verbindt als de veroordeling daartoe niet wordt nagekomen. Verder heeft zij gevorderd dat het hof het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaart. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.6.</nr>
        <para>De broers en zussen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Het hof ziet geen reden om zelf te bepalen dat de eiswijziging niet mag worden beoordeeld wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal dus de gewijzigde eis beoordelen.</para>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Rekening en verantwoording (vordering I van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.1.</nr>
        <para>Zoals hiervoor al is vermeld (zie 3.2.2) is bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 11 april 2013 een bewind ingesteld over de goederen van moeder. [persoon A] en [persoon B] zijn tot bewindvoerders benoemd. Dit meerderjarigenbewind is ingesteld op grond van artikel 1:445 BW, omdat bij moeder de diagnose Alzheimer/dementie was gesteld en zij niet meer in staat was haar belangen zelf ten volle waar te nemen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.2.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft gevorderd dat [persoon A] en [persoon B] worden veroordeeld tot het overleggen van de afgelegde rekening en verantwoording over het in de periode 11 april 2013 tot en met 31 december 2014 door hen gevoerde bewind. Het hof is van oordeel dat die vordering niet toewijsbaar is om de volgende redenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.3.</nr>
        <para>Het hof is van oordeel dat het bewind was ingesteld om het belang van moeder te behartigen. Nu moeder inmiddels is overleden, is er geen sprake meer van een rechtens te beschermen belang van moeder. Gelet op de aard en het doel van het beschermingsbewind is de bevoegdheid van moeder om nogmaals rekening en verantwoording te verlangen (art. 1:445 lid 2 tweede zin) na haar overlijden niet van rechtswege overgegaan op haar erfgenamen onder algemene titel. Het hof sluit zich aan bij hetgeen het gerechtshof Amsterdam hierover heeft overwogen in zijn beschikking van 26 april 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4751). Van een verplichting van de bewindvoerders om de afgelegde rekening en verantwoording vanuit de administratie van moeder ook aan [geïntimeerde] te overhandigen, is geen sprake.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.4.</nr>
        <para>Ten aanzien van het beroep op artikel 843a Rv overweegt het hof dat een exhibitievordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden: (i) degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben bij inzage, afschrift of uittreksel, en (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden, (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is. Het ligt op de weg van de partij die exhibitie verlangt om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat hij een rechtmatig belang heeft. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer. De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn. Dat wil zeggen voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, teneinde een ‘fishing expedition’ te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts een vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen. Uit de toelichting van [geïntimeerde] volgt dat zij de stukken in haar bezit wenst te verkrijgen omdat er “alle reden voor [geïntimeerde] bestaat” om kritisch te kijken naar de uitvoering van de bewindvoerderstaken. Daarmee is niet aan bovengenoemde voorwaarden voldaan. Bovendien heeft zij haar belang bij deze vordering niet voldoende toegelicht. Het hof betrekt bij dat oordeel dat [geïntimeerde] op grond van het vonnis waarvan beroep, mede gelet op het oordeel hierna in rov. 3.13.4 over de nog te verstrekken bankafschriften, geacht wordt na overlegging van de nog ontbrekende stukken over de volledige financiële administratie te beschikken. Wat een rekening en verantwoording daar dan nog aan toevoegt is niet duidelijk. Het verzoek komt niet voor toewijzing in aanmerking.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Eindrekening en verantwoording (vordering II van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>Aan de bewindvoering is een einde gekomen door het overlijden van moeder. In lid 5 van artikel 1:445 BW wordt verwezen naar (onder andere) de artikelen 1:373 en 1:374 BW. Daaruit volgt dat de rekening en verantwoording na overlijden moet worden afgelegd aan de erfgenamen, ten overstaan van de kantonrechter. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>
          [persoon A] en [persoon B] hebben een eindrekening en verantwoording over 2015 tot 3 februari 2018 bij de kantonrechter ingediend. [geïntimeerde] beschikt daarover. Zij heeft deze eindrekening en verantwoording zelf overgelegd als productie 5 bij haar memorie. Haar vordering om [persoon A] en [persoon B] te veroordelen om alsnog aan haar eindrekening en verantwoording af te leggen, is daarom niet toewijsbaar. Dat [geïntimeerde] het (blijkbaar) niet eens is met de wijze waarop [persoon A] en [persoon B] het bewind hebben gevoerd, betekent niet dat [persoon A] en [persoon B] in deze procedure (nog eens) rekening en verantwoording moeten afleggen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <para>De broers en zussen lijken zich op het standpunt te stellen dat het feit dat [persoon A] en [persoon B] een eindrekening en verantwoording bij de kantonrechter hebben ingediend betekent dat alles wat daarin staat leidend moet zijn voor de verdeling van de nalatenschap. Het hof verwerpt dat standpunt. [geïntimeerde] heeft niet ingestemd met die eindrekening en verantwoording en overigens heeft de kantonrechter slechts laten weten dat de stukken zijn ‘gezien’ en dat het ‘dossier is gesloten’. [geïntimeerde] had tegen de wijze waarop het bewind is gevoerd kunnen opkomen bij de kantonrechter. Dat zij dat niet heeft gedaan, betekent echter niet dat alles wat in die eindrekening wordt vermeld, zonder meer het uitgangspunt moet vormen bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap. [persoon A] en [persoon B] hebben als bewindvoerders geldzaken geregeld en de administratie van moeder gedaan. Dat zij daarvan opgave hebben gedaan aan de kantonrechter, betekent niet dat daardoor de omvang van de nalatenschap in rechte is komen vast te staan. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Uitgangspunt voor wat betreft de geschillen met betrekking tot de nalatenschap</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat het testament van zowel erflaatster als dat van haar eerder overleden echtgenoot (de vader van partijen) een ouderlijke boedelverdeling inhield. Tussen partijen is niet in geschil dat, door het vooroverlijden van de vader, het testament van erflaatster geen werking heeft en het wettelijk versterferfrecht van toepassing is op de nalatenschap van erflaatster. Dat betekent dat de broers en zussen en [geïntimeerde] de erfgenamen zijn van erflaatster, ieder voor gelijke delen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat alle partijen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Nietige verdeling (grief 1 van de broers en zussen / vorderingen IX en XI van [geïntimeerde])</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.7.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een nietige verdeling, omdat de broers en zussen (te voorbarig) bedragen uit de nalatenschap hebben opgenomen en onderling hebben verdeeld, zonder dat [geïntimeerde] aan de verdeling heeft deelgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdeling van de nalatenschap alsnog moet plaatsvinden. </para>
          <para>Volgens de broer en zussen is dit oordeel van de rechtbank onjuist. In hun toelichting op de grief voeren zij aan dat het de keuze is geweest van [geïntimeerde] om niet te willen reageren op de berichten die [persoon A] daarover heeft gestuurd. De meerdere e-mails die hierover aan haar zijn gestuurd, hebben haar volgens de broers en zussen wel bereikt. Dat betekent volgens de broer en zussen dat [geïntimeerde] wel bij de verdeling was betrokken. Verder hebben zij in hun toelichting op de grief aangevoerd dat de rechtbank ook heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] geen bezwaar had tegen de door [persoon A] en [persoon B] ingediende eindrekening en verantwoording. Het oordeel dat de eindrekening en verantwoording wél akkoord is, maar de verdeling niet, terwijl in beide situaties sprake is van een zwijgen van [geïntimeerde], achten de broer en zussen tegenstrijdig.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.2.</nr>
        <para>Het hof verwerpt deze grief van de broers en zussen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft deelgenomen aan de verdeling. Weliswaar zijn aan [geïntimeerde] meerdere keren e-mails gestuurd over dit onderwerp, maar van enige daadwerkelijke deelname van [geïntimeerde] aan de verdeling van de bestanddelen van de nalatenschap blijkt daar niet uit. Of die berichten haar hebben bereikt kan daarom in het midden blijven. Het bericht van 28 mei 2013 kan sowieso niet bijdragen aan de vraag of [geïntimeerde] heeft deelgenomen aan de verdeling omdat erflaatster pas (ongeveer) vijf jaar later is overleden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de berichten van 14 november 2018, 30 mei 2019, 27 november 2019, 1 december 2019 en 19 februari 2021 niet blijkt van deelname aan de verdeling door [geïntimeerde]. Het hof is van oordeel dat de rechtbank daarover terecht heeft overwogen dat het eenzijdige berichten zijn. Op geen enkele wijze is gebleken van een betrokkenheid van [geïntimeerde]. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de broers en zussen zich tot de rechtbank hadden moeten wenden om de (wijze van) verdeling vast te laten stellen op grond van artikel 3:185 BW. Het hof is van oordeel dat uit het uitblijven van een reactie niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] heeft deelgenomen aan de verdeling. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.3.</nr>
        <para>Het standpunt van de broers en zussen dat het oordeel van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig is gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de eindrekening en verantwoording, gaat niet op. Of sprake is geweest van verdeling van de nalatenschap van erflaatster moet volgens een ander criterium worden beoordeeld dan de vraag of [persoon A] en [persoon B] eindrekening en verantwoording hebben afgelegd van hun bewindvoering over de goederen van erflaatster.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.4.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat sprake is geweest van een nietige verdeling (artikel 3:195 lid 1 BW). Dat heeft tot gevolg dat de verdeling ongedaan moet worden gemaakt. Daarop heeft vordering IX betrekking. Die vordering is deels toewijsbaar om de volgende reden. </para>
          <para>Voor de betalingen die uit de nalatenschap zijn gedaan aan de broers en zussen bestond geen rechtsgrond. De vordering tot terugbetaling is toewijsbaar omdat de betalingen onverschuldigd zijn verricht (artikel 6:203 BW). De broers en zussen dienen ieder € 19.888,47 aan de nalatenschap te voldoen. Deze vorderingen op hen als deelgenoten zullen bij de door het hof in het eindarrest vast te stellen (wijze van de) verdeling van gemeenschap worden betrokken. Het hof geeft de broers en zussen in overweging om deze bedragen met verschenen rente alvast op de ervenrekening te storten, zodat voorkomen wordt dat de rente verder oploopt.</para>
          <para>
            [geïntimeerde] heeft gevorderd dat daarover ook wettelijke rente moet worden betaald, vanaf de tijdstippen van de betalingen (over € 15.000,- vanaf 30 november 2018 en over € 4.350,47 vanaf 27 november 2019). Het hof acht dat niet toewijsbaar vanaf die tijdstippen. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat de broers en zussen de betalingen uit de nalatenschap te kwader trouw hebben aangenomen (artikel 6:205 BW). Het hof kan er dus niet vanuit gaan dat de broers en zussen zonder ingebrekestelling in verzuim zijn gekomen. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd wanneer zij de broers en zussen in gebreke heeft gesteld. Het hof zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 28 mei 2024, de datum waarop de memorie is genomen waarin is vermeld dat de broers en zussen moeten terugbetalen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.5.</nr>
        <para>De rechtbank heeft de verdeling bevolen ten overstaan van een notaris. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar eis in dit opzicht gewijzigd. Zij heeft (primair) gevorderd dat het hof de nalatenschap vaststelt. Dat zal het hof gaan doen. Of dat geheel op de door [geïntimeerde] voorgestane wijze zal gebeuren, zal deels hierna en deels in een volgend arrest worden beslist. Het hof zal beslissingen gaan nemen die betrekking hebben op de omvang van de nalatenschap. Dat zal hierna aan de orde komen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.6.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de inboedel onderdeel is geweest van de nietige verdeling. Ook dat zou ongedaan gemaakt moeten worden, maar dat is niet mogelijk aangezien de inboedel is verkocht. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het haar bij gebrek aan gegevens hierover voorkomt dat het redelijk is om uit te gaan van een opbrengst van € 5.000,-. De broers en zussen hebben dit niet betwist. Op het standpunt van [geïntimeerde] dat in dit opzicht sprake is van opzettelijke verzwijging als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, hebben zij niet gereageerd. Dat zou volgens [geïntimeerde] betekenen dat de broers en zussen hun aandeel in de gemeenschap van inboedel hebben verbeurd. Het hof begrijpt dat dit volgens [geïntimeerde] ertoe zou moeten leiden dat de broers en zussen € 5.000,- aan haar (en dus niet aan de nalatenschap) zouden moeten betalen, althans dat [geïntimeerde] heeft bedoeld dat de broers en zussen dit bedrag moeten inbrengen in de nalatenschap, waarna deze post aan haar moet worden toegedeeld zonder verrekening wegens overbedeling. Het hof zal van dat laatste uitgaan. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Schuld aan de nalatenschap (het eerste deel van grief 2 van de broers en zussen / vordering III van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.1.</nr>
        <para>De broers en zussen menen dat [geïntimeerde] een schuld heeft aan de nalatenschap van € 24.112,57. De rechtbank heeft de verdeling door een notaris bevolen en is daarom niet meer toegekomen aan de vraag of [geïntimeerde] al dan niet een schuld heeft aan de nalatenschap. Aangezien het hof in het kader van de gevorderde verdeling de omvang van de nalatenschap moet vaststellen, zal het hof beoordelen of op het aandeel van [geïntimeerde] een schuld aan de nalatenschap moet worden toegerekend (artikel 3:184 lid 1 BW).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Partijen twisten over het bestaan van een schuld. Volgens de broers en zussen staat vast dat [geïntimeerde] geld aan de nalatenschap verschuldigd is op grond van een met moeder gesloten overeenkomst van geldlening. Volgens de broers en zussen staat dat vast omdat dit zo is opgenomen in een ‘leenoverzicht’ dat onderdeel uitmaakte van de in 2013 opgemaakte en aan de kantonrechter gestuurde rekening en verantwoording over de bewindvoering en dat dit ook onderdeel was van de in 2018 opgemaakte en aan de kantonrechter gestuurde eindrekening en verantwoording, waarop [geïntimeerde] niet heeft gereageerd. Het hof verwerpt dat standpunt. De kantonrechter heeft niet vastgesteld dat [geïntimeerde] een schuld had aan erflaatster. Het uitblijven van een reactie op het leenoverzicht betekent niet dat [geïntimeerde] een vordering van erflaatster heeft erkend (zie ook hiervoor in 3.5.3). </para>
          <para>
            [geïntimeerde] heeft betwist dat zij geld heeft geleend van erflaatster. Aangezien de broers en zussen zich beroepen op het bestaan van een geldlening, rust de bewijslast daarvan op hen. De broers en zussen hebben echter geen daarop gericht bewijsaanbod gedaan, zodat het hof niet aan bewijslevering toekomt. Het hof kan dus niet uitgaan van het bestaan van deze schuld van [geïntimeerde]. Ook om andere redenen, die daar los van staan, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Daartoe overweegt het hof het volgende.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.3.</nr>
        <para>De broers en zussen hebben aangevoerd dat zij op 28 mei 2013 een leningoverzicht hebben gestuurd aan [geïntimeerde] en haar hebben verzocht om te starten met de aflossing. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd dat dit moet worden aangemerkt als ‘opeising’, waardoor de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW is aangevangen. De broers en zussen hebben dat niet betwist. De broers en zussen hebben daar niets tegen ingebracht. Zij hebben niet aangevoerd dat zij de verjaringstermijn hebben gestuit. Dat heeft tot gevolg dat de (beweerdelijke) vordering van erflaatster 28 mei 2018 was verjaard. Er zijn wel e-mails gestuurd, maar die zijn te laat gestuurd, terwijl overigens niet valt in te zien waarom die e-mails zouden moeten worden beschouwd als aanmaning of mededeling waarin ondubbelzinnig het recht op nakoming wordt voorbehouden (artikel 3:317 lid 1 BW). Voor zover de broers en zussen hebben bedoeld dat het afleggen van rekening en verantwoording over de bewindvoering moet worden beschouwd als het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging, verwerpt het hof dat standpunt (zie 3.5.3). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.4.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft gevorderd dat zij uit de nalatenschap € 10.000,- dient te ontvangen, althans dat het hof moet bepalen dat zij (eerst) dat bedrag uit de nalatenschap dient te ontvangen (vordering III). Daartoe heeft zij aangevoerd dat tijdens het leven van erflaatster aan alle kinderen € 10.000,- is geschonken, behalve aan haar, omdat dit is ‘verrekend’ met haar ‘schuld’. Zij heeft dat afgeleid uit een e-mail van [persoon A] van 17 december 2019, maar zij weet niet wanneer dit is gebeurd. De broers en zussen hebben niet betwist dat dit zo is gebeurd. De broers en zussen hebben niet aangevoerd dat of waarom de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is als het hof hun standpunt met betrekking tot de schuld niet volgt. Anders gezegd, ook aan [geïntimeerde] is € 10.000,- geschonken, maar zij heeft het geld feitelijk niet ontvangen. Aangezien het hof er op grond van het voorgaande vanuit moet gaan dat dit bedrag ten onrechte niet aan haar is uitgekeerd, dient dit bedrag, voordat tot verdeling wordt overgegaan, eerst aan haar te worden voldaan.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Uitkering van de verzekeringsmaatschappij vanwege gestolen sieraden (vorderingen IV en V van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.1.</nr>
        <para>Toen moeder nog leefde zijn er sieraden gestolen. De verzekeringsmaatschappij heeft schade vergoed. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit de bankafschriften blijkt dat er maar € 17.594,25 aan schadevergoeding is betaald door de verzekeringsmaatschappij, terwijl de van erflaatster gestolen sieraden waren verzekerd tot een bedrag van € 25.000,00. Het verschil dienen [persoon A] en [persoon B] aan de nalatenschap te voldoen, aldus [geïntimeerde]. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.2.</nr>
        <para>Uit het bij memorie van antwoord overgelegde bankafschrift en een e-mail van de verzekeringsmaatschappij blijkt dat aan erflaatster € 25.000,00 is uitgekeerd en dat het verzekerde bedrag daarop was gemaximeerd. Het hof zal de vordering daarom afwijzen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.3.</nr>
        <para>Nadat de hiervoor genoemde documenten bij memorie van antwoord waren overgelegd, heeft [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende, toegelicht, waarom zij nog belang heeft bij afgifte van de verzekeringspolis en de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek. Overigens ziet het hof niet in op welke grond [persoon A] en [persoon B] daartoe gehouden zouden zijn, gelet op de datum waarop de verzekeringsmaatschappij de schade heeft vergoed (in 2014). Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen over het afleggen van rekening en verantwoording. Het hof zal dus ook deze vordering afwijzen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.4.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft nog gesuggereerd dat de broers en zussen enkele niet gestolen sieraden van erflaatster hebben gestolen / verduisterd / zich hebben toegeëigend. [geïntimeerde] heeft echter ook vermeld dat zij inmiddels enkele sieraden heeft verkregen via [persoon D] en [persoon C]. Verder heeft [geïntimeerde] zelf opgemerkt dat [persoon A] heeft laten weten dat moeder tijdens leven een collier heeft geschonken aan [persoon B]. Volgens [geïntimeerde] is dat echter niet gebleken, maar dat acht het hof te vaag. Het hof is van oordeel dat het standpunt van [geïntimeerde] te veel in suggesties blijft steken. Het hof komt daarom op dit onderdeel niet toe aan bewijslevering.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Verkoopopbrengst woning (vordering VI van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.1.</nr>
        <para>Volgens [geïntimeerde] is in 2015 ter zake de verkoop van de woning € 52.453,81 ontvangen. Volgens [geïntimeerde] is het vermogen blijkens de aangifte IB in 2017 gedaald tot € 30.000,-, terwijl niet is gebleken dat dit geld aan moeder ten goede is gekomen. Ook in dit opzicht wekt [geïntimeerde] de suggestie dat er geld is toegeëigend door [persoon A] en [persoon B], of dat dit wordt achtergehouden, zodat de omvang van de nalatenschap groter is dan is voorgespiegeld. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.2.</nr>
        <para>De broers en zussen hebben daarop toegelicht dat bij het doen van aangifte rekening is gehouden met het fiscaal vrijgestelde bedrag aan vermogen. Het hof is van oordeel dat dit een afdoende toelichting is op het verschil. Het hof ziet bij de huidige stand van zaken geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het vermogen van de nalatenschap hoger is om redenen die verband houden met de verkoopopbrengst van de woning. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Reserveringen ten behoeve van kosten uitvaart (vorderingen VII en VIII van [geïntimeerde])</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.1.</nr>
        <para>In 2015 is van de bankrekening van moeder € 20.000,00 overgemaakt aan [persoon A] en € 16.000,00 aan [persoon B] met als omschrijving ‘zorg’. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] bedoelt dat deze bedragen ten onrechte door [persoon A] en [persoon B] aan het vermogen van moeder, althans aan de nalatenschap zijn onttrokken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.2.</nr>
        <para>Volgens de broers en zussen had dat te maken met de kosten van de uitvaart die naar verwachting hoog zouden zijn mede in verband met het verrichten van Hindoestaanse rituelen. Er was een uitvaartverzekering maar de verwachting was dat die bij lange na niet alle kosten zou dekken. Aangezien de bankrekeningen van erflaatster na haar overlijden zouden worden bevroren, leek het praktisch om deze bedragen te reserveren voor die kosten, zodat deze niet door de erfgenamen voorgeschoten zouden hoeven worden. Na het overlijden bleek de uitkering uit de uitvaartverzekering inderdaad niet toereikend te zijn, aldus de broers en zussen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.3.</nr>
        <para>Het hof overweegt dat de kosten van de uitvaart ten laste komen van de nalatenschap. Wanneer het standpunt van de broers en zussen juist is, dan moeten zij geacht worden te kunnen aantonen dat de hiervoor genoemde bedragen zijn gebruikt om de kosten van de uitvaart te betalen. Het hof zal de broers en zussen opdragen om inzicht te geven in de kosten van de uitvaart en aan te tonen dat die kosten zijn voldaan uit de hiervoor genoemde reserveringen, dus onder overlegging van bewijsstukken (facturen, betaalbewijzen, afschriften van bankrekeningen).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Voorlopige conclusie met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de nalatenschap</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van een nietige verdeling en dat de broers en zussen de bedragen die zij hebben ontvangen uit de nalatenschap moeten terugbetalen (ieder € 19.888,47) te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 28 mei 2024 tot de dag van terugbetaling, althans dat die schulden aan de nalatenschap op hun respectievelijke aandelen zullen worden toegerekend.</para>
        <para>Het hof zal bij het eindarrest de verdeling van de nalatenschap gaan vaststellen. Daarvoor is eerst nog nadere informatie nodig (zie 3.11.3). Bovendien valt niet uit te sluiten dat [geïntimeerde] in de door haar te ontvangen documenten nog aanleiding ziet om nader te preciseren wat tot de nalatenschap behoort (zie hierna in 3.13).</para>
        <para>Om deze redenen zal het hof alle verdere beslissingen aanhouden.</para>
        <para>Tot slot overweegt het hof nog het volgende. In het door [geïntimeerde] opgestelde overzicht van de omvang van de nalatenschap wordt nog melding gemaakt van de vordering van de nalatenschap op oom Djieto van € 10.000,-. Aangezien ongewis is of deze vordering bestaat of inbaar zal zijn, zal deze vordering buiten de verdeling blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Afgifte van documenten (grief 3 van de broers en zussen; vordering X van [geïntimeerde])</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.13.1.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg afgifte gevorderd van allerlei documenten, zoals opgesomd in haar akte eiswijziging. Partijen zijn vervolgens tijdens de in eerste aanleg op 17 januari 2023 gehouden mondelinge behandeling overeengekomen dat de broers en zussen de documenten aan [geïntimeerde] zouden afgeven die in het proces-verbaal van die mondelinge behandeling zijn opgesomd. Vervolgens heeft de rechtbank de broers en zussen veroordeeld om laatstgenoemde documenten aan [geïntimeerde] af te geven.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.2.</nr>
        <para>De broers en zussen willen dat het hof het vonnis op dat onderdeel vernietigt omdat die stukken al integraal aan [geïntimeerde] waren verstrekt. Volgens de broers en zussen ‘achtte de kantonrechter [hof: rechtbank] het dienstig dat [geïntimeerde] wederom allerlei stukken zou krijgen’. Het hof is van oordeel dat de broers en zussen het vonnis op dit punt niet begrijpen. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] beperkt toewijsbaar geacht (alleen de documenten waarover overeenstemming was bereikt). De rechtbank heeft in de tussen partijen op de zitting tot stand gekomen overeenkomst een grondslag gezien voor toewijzing van de vordering. De grief faalt daarom.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij sommige documenten nog steeds niet heeft ontvangen, ondanks de overeenstemming en ondanks het vonnis. </para>
          <para>Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de broers en zussen alle documenten hebben verstrekt. De broers en zussen komen niet verder dan het herhalen van hun standpunt dat [geïntimeerde] de stukken kan opvragen bij de rechtbank Den Haag. Gelet op de bereikte overeenstemming zijn de broers en zussen echter verplicht om zelf die stukken af te geven aan [geïntimeerde]. Volgens de broers en zussen hebben zij niet (meer) alle stukken. In dat geval dienen zij deze documenten bij de diverse banken en/of bij de rechtbank op te vragen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.4.</nr>
        <para>Het hof zal de broers en zussen gebieden om de volgende documenten aan (de advocaat van) [geïntimeerde] te verstrekken:</para>
        <para />
        <para>a. a) alle afschriften van [rekeningnummer A] vanaf 11 april 2013;</para>
        <para />
        <para>b) van [rekeningnummer B] de volgende afschriften:</para>
        <parablock>
          <para>2013: april tot en met december;</para>
          <para>2014: januari en februari; juli tot en met december;</para>
          <para>2016: januari, 31 december;</para>
          <para>2017: januari, 30 en 31 december;</para>
          <para>2018: 1 tot en met 3 februari;</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>c) van [rekeningnummer C]:</para>
        <parablock>
          <para>2013: april tot en met december;</para>
          <para>2014: januari tot en met december;</para>
          <para>2015: januari tot en met juli;</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>d) de documenten die betrekking hebben op de uitvaartkosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof wijkt daarmee op een enkel onderdeel af van de vordering van [geïntimeerde]. </para>
          <para>Het hof ziet (vooralsnog) geen reden om de broers en zussen te veroordelen tot afgifte van alle documenten die betrekking hebben op de inbraak waarbij sieraden van moeder zijn weggenomen en alle documenten die betrekking hebben op de verkoop van het appartement van moeder. Het hof acht de vordering wat dat betreft te vaag (‘alle’ documenten). Verder ziet het hof (bij de huidige stand van zaken) geen reden om deze documenten te laten afgeven gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 3.9 en 3.10.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Uitlatingen jegens derden (het tweede deel van grief 2 van de broers en zussen)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.14.1.</nr>
        <para>De broers en zussen hebben gevorderd dat [geïntimeerde] zich onthoudt van negatieve en onjuiste uitlatingen tegenover derden met de bedoeling de broers en zussen in een kwaad daglicht te stellen. Volgens de broers en zussen heeft [geïntimeerde] eind december 2020 de werkgevers van [persoon A] en [persoon B] (en een echtgenote) aangeschreven met valse en onheuse integriteitsmeldingen. [geïntimeerde] heeft dat betwist. De rechtbank heeft de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Volgens [persoon A] en [persoon B] moet die vordering alsnog worden toegewezen. Zij hebben twee producties overgelegd waarmee zij hun vordering nader onderbouwen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.14.2.</nr>
        <para>Het hof is van oordeel dat de vordering te vaag is om te kunnen toewijzen (‘negatief’, ‘onjuist’ is te zeer voor interpretatie vatbaar). Overigens overweegt het hof nog het volgende. Als het juist is dat [geïntimeerde] de Fiod en/of werkgevers van [persoon A] en/of [persoon B] heeft benaderd, dan acht het hof (ook) dat onnodig polariserend (net als productie 32, zie 2.2). </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Proceskosten van de eerste aanleg (grief 4 van de broers en zussen)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.1.</nr>
        <para>De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd omdat partijen familieleden van elkaar zijn. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Volgens de broers en zussen had de rechtbank [geïntimeerde] moeten veroordelen in de proceskosten. Zij vinden zelfs dat [geïntimeerde] nodeloos heeft geprocedeerd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.2.</nr>
        <para>Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen (de verdeling) is in het voordeel van [geïntimeerde] beslist. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de verdeling nietig was. [geïntimeerde] heeft dus terecht een procedure aanhangig gemaakt. Het hof zal dus ofwel de compensatie van de proceskosten in stand laten, ofwel de broers en zussen alsnog veroordelen in de proceskosten. Er is in ieder geval geen reden om [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg te veroordelen. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De wijze waarop partijen verder moeten procederen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.1.</nr>
        <para>Het hof draagt de broers en zussen op om:</para>
        <para>- een akte te nemen met de in 3.11.3 bedoelde toelichting met bewijsstukken;</para>
        <para>- de in 3.13.4 genoemde gegevens met een akte <emphasis role="underline">ter griffie te deponeren</emphasis> (akte depot) onder gelijktijdige afgifte daarvan aan (de advocaat van) [geïntimeerde]. Dit bevel zal worden gegeven op grond van artikel 22 lid 1 Rv. Wanneer de broers en zussen niet aan dit bevel voldoen, dan zal het hof in overweging nemen om de broers en zussen tot betaling van dwangsommen te veroordelen totdat zij alsnog de betreffende documenten hebben afgegeven. Het hof wijst erop dat het ook de mogelijkheid heeft om uit een weigering de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht (artikel 21 Rv). Als zij hebben voldaan aan de suggestie van het hof om de onverschuldigd betaalde aandelen van elk € 19.888,47 plus rente al aan de nalatenschap te restitueren, dan zullen zij dat eveneens dienen aan te geven onder overlegging van de bankafschriften waaruit zulks blijkt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol van 11 maart 2025.</para>
          <para>Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om twee weken daarna een akte te nemen waarin zij laat weten of alle gegevens zijn overgelegd. </para>
        </parablock>
        <para> Wanneer [geïntimeerde] meent dat de broers en zussen niet alle gegevens hebben overgelegd, dan kan zij in haar akte aangeven welke gevolgen het hof daaraan volgens haar moet verbinden. In dat geval mogen de broers en zussen in een antwoordakte daarop reageren.</para>
        <para>Of: </para>
        <para> Wanneer [geïntimeerde] meent dat de broers en zussen wel alle gegevens hebben overgelegd dan kan zij een rolverwijzing vragen voor het nemen van een memorie uitlating vaststelling van de verdeling van de nalatenschap. [geïntimeerde] dient dan een overzicht te geven van de omvang van de nalatenschap (met inachtneming van hetgeen hiervoor al is beslist) en een voorstel doen over de wijze van verdeling. Daarbij kan zij dan eventuele nieuwe informatie uit de overgelegde documentatie betrekken. Vervolgens zullen de broers en zussen een antwoordmemorie mogen nemen, waarin ook zij een voorstel kunnen doen over de wijze van verdeling. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.3.</nr>
        <para>Het hof geeft partijen uitdrukkelijk in overweging om nadat de gegevens zijn verstrekt (in plaats van het nemen van nadere memories) met elkaar in overleg te gaan om zelf de nalatenschap vast te stellen en te verdelen. Zodoende kunnen zij verdere proceskosten besparen. Wanneer het nodig is om een overeenstemming vast te leggen in een proces-verbaal dan kunnen partijen om een (enkelvoudige) mondelinge behandeling vragen. Ook als partijen menen dat zij hulp nodig hebben bij het bereiken van een schikking, dan kunnen zij om een enkelvoudige mondelinge behandeling vragen. Tijdens zo’n zitting kan alleen een schikking worden beproefd. Er kunnen geen nadere inlichtingen worden verstrekt. Het hof zal zo’n zitting uitsluitend houden op eenparig verzoek van partijen. Partijen kunnen een dergelijk verzoek op iedere willekeurige roldatum indienen, waarna een zitting zal worden gepland in overleg met beide advocaten. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.4.</nr>
        <para>Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">op het principaal en incidenteel hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de broers en zussen </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bij akte de in 3.11.3 bedoelde toelichting geven, voorzien van bewijsstukken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de in 3.13.4 genoemde documenten ter griffie deponeren onder gelijktijdige verstrekking van die documenten aan (de advocaat van) [geïntimeerde];</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de zaak daartoe zal worden verwezen naar de rol van 11 maart 2025;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [geïntimeerde] twee weken daarna een akte mag nemen waarin zij zich zal uitlaten zoals in 3.16.2 is overwogen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het hof daarna, ofwel de zaak zal verwijzen naar de rol voor een antwoordakte door de broers en zussen, ofwel de zaak zal verwijzen naar de rol voor een memorie uitlating vaststelling van de nalatenschap door [geïntimeerde] (waarna de broers en zussen een antwoordmemorie mogen nemen); </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.J.M. van Lanen en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>