<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T13:17:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-003280-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3812">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T13:17:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3812 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-10-2025 / 20-003280-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3812:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3812:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-003280-24 </para>
  <para>Uitspraak	: 14 oktober 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 december 2024, en de herstelbeslissing van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-142769-23 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>wonende [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ (feit 1) en ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’ (feiten 2 en 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de benadeelde partij veroordeeld in de proceskosten, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is integraal toegewezen tot een bedrag van € 9.369,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Bij herstelbeslissing van 8 januari 2025 heeft de rechtbank het vonnis van 2 december 2024 hersteld, in die zin dat de in dat vonnis vermelde artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht als niet vermeld dienen te worden beschouwd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit, nu er sprake is van meerdere vormverzuimen waardoor het verkregen (bewijs)materiaal dient te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman bepleit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman primair bepleit deze niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de herstelbeslissing, met verbetering van de strafmotivering en met aanvulling van de overwegingen die zien op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verbetering van de strafmotivering </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafmotivering als weergegeven in het vonnis op de pagina’s 9 tot en met 11 en die ten grondslag ligt aan de beslissing van de rechtbank, behoeft naar het oordeel van het hof verbetering. Het hof zal derhalve de gehele strafmotivering in het vonnis vervangen door onderstaande strafmotivering.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft, ingeval van een bewezenverklaring, bepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar uit te gaan van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uren alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand op te leggen. De omstandigheid dat de verdachte woonachtig is in Canada, is volgens de raadsman geen reden om niet over te gaan tot oplegging van een taakstraf. De verdachte heeft immers familie in Nederland en is bereid en beschikbaar om een taakstraf in Nederland uit te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennep alsmede de daarmee gepaard gaande diefstal van elektriciteit en water. Door zijn handelen heeft de verdachte de grootschalige handel in softdrugs bevorderd en heeft hij daarmee de volksgezondheid in gevaar gebracht, nu verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Het illegaal afnemen van elektriciteit levert - zeker in een kwekerij - ernstig brandgevaar op. De verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin en heeft zich niets aangetrokken van de volksgezondheid en de veiligheid. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsman van de verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte woonachtig is in Canada. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft ook acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Uitgangspunt voor de op te leggen straf bij een hennepkwekerij van tussen de 100 en 500 hennepplanten is 	een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Daarbij zijn de diefstal van elektriciteit en water niet meegenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, anders dan de oriëntatiepunten voor straftoemeting adviseren, oplegging van een taakstraf in onderhavige zaak niet aangewezen, nu de verdachte woonachtig is in Canada en de uitvoering van een taakstraf hierdoor aanzienlijk zal worden bemoeilijkt. In hetgeen de raadsman daaromtrent naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel passend en geboden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat de verdachte op 14 juni 2022 door de politie is verhoord ter zake het tenlastegelegde. De rechtbank heeft vervolgens op 2 december 2024 vonnis gewezen.  De redelijke termijn is daarmee in eerste aanleg met bijna 6 maanden overschreden. In hoger beroep, waarbij in het onderhavige geval eenzelfde termijn geldt te rekenen vanaf het ingestelde hoger beroep, is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal de overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvulling overweging ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] geconstateerd dat er op 12 juli 2024 een verstekvonnis is gewezen in een civiele procedure en heeft de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Het hof overweegt in aanvulling daarop dat de benadeelde partij reeds niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een bijzondere en schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 51c, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. S. Riemens, voorzitter,</para>
      <para>mr. J. Platschorre en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,</para>
      <para>en op 14 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>