<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T12:38:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-000926-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3797">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T12:38:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3797 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-12-2025 / 20-000926-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3797:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3797:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-000926-24 (OWV)</para>
  <para>Uitspraak	: 11 december 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">’s-Hertogenbosch </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 maart 2024 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer  02-253280-21 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte]
    </title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 107.535,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 360 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen, zulks gelet op de in de hoofdzaak bepleite vrijspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust, onder aanvulling van gronden, met uitzondering van de opgelegde betalingsverplichting en het aantal dagen dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, met dien verstande dat het hof de verwijzing onder 4.1 naar het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak vervangt door verwijzing naar het op 11 november 2025 gewezen arrest in de hoofdzaak. Niettegenstaande dat het hof het vonnis van de rechtbank in de strafzaak bij voornoemd arrest heeft vernietigd, blijft de veroordeling in de strafzaak van de rechtbank wegens witwassen in de kern gehandhaafd, zodat de grondslag voor de ontneming in het hoger beroep ongewijzigd blijft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanvulling op de rechtbank overweegt het hof dat de wettelijke grondslag voor de ontneming berust op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het arrest in de hoofdzaak en de daarin vervatte bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de door betrokkene op diens bankrekening gestorte en witgewassen geldbedragen afkomstig zijn uit andere misdrijven.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof legt aan betrokkene een lagere betalingsverplichting op dan de rechtbank. Daartoe overweegt het hof het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de strafzaak jegens betrokkene is bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen door – kort gezegd – in voornoemde periode (middels 110 stortingen) geldbedragen afkomstig uit misdrijf (tot een totaalbedrag van in totaal € 107.535,00) op zijn bankrekeningen te storten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2025, betreffende het justitiële verleden van betrokkene, komt naar voren dat hij bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2015 (onherroepelijk 1 januari 2016) met parketnummer 02-665055-15 wegens overtreding van een in artikel 3 aanhef en onder b van de Opiumwet neergelegde verbod – kort gezegd en naar het hof begrijpt – hennepteelt, is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De bewezenverklaarde datum betreft 25 februari 2014. Blijkens datzelfde uittreksel is ter zake van deze strafzaak een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (deels) toegewezen. Die uitspraak is per 1 januari 2016 onherroepelijk. Uit tot het hof beschikbaar staande informatie blijkt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, althans de betalingsverplichting, is vastgesteld op een bedrag van € 50.000,- en dat de executie van de maatregel heeft plaatsgevonden in de periode van januari 2016 tot en met juli 2023 en dat de maatregel volledig is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019, waarbinnen betrokkene voormelde stortingen heeft gedaan op zijn bankrekeningen, valt die bewezenverklaarde periode deels samen met de periode waarin voornoemde ontnemingsmaatregel is voldaan. Bij die stand van zaken kan het hof niet met een voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat de desbetreffende stortingen afkomstig zijn uit wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft verkregen uit voormelde strafzaak en dat dit voordeel hem in het kader van de aan die strafzaak verbonden ontnemingszaak reeds is ontnomen. Teneinde het risico uit te sluiten dat aan betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel dat hem reeds is ontnomen, zal het hof – in het voordeel van betrokkene – de betalingsverplichting verminderen met het voornoemde bedrag van bedrag van € 50.000,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mitsdien wordt aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van een bedrag van </para>
      <para>(€ 107.535,00 - € 50.000,00) = € 57.535,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gijzeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd en doet in zoverre opnieuw recht: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 57.535,- (zevenenvijftigduizend vijfhonderdenvijfendertig)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">1080 dagen</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,</para>
      <para>mr. M.C.C. van de Schepop en mr. Y. van Setten, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,</para>
      <para>en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. van Setten voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>