<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T11:22:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-000701-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3794">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T11:21:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3794 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-04-2025 / 20-000701-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3794:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3794:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-000701-24 </para>
  <para>Uitspraak	: 25 april 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-073564-22 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 25.000,00 subsidiair 160 dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep</emphasis>
        <?linebreak?>Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 11 maart 2024 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde, namelijk voor wat betreft het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde 2.310,10 gram metamfetamine en 126,17 gram MDMA. Het betreft hier beschermde vrijspraken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dit tegen de hiervoor bedoelde beschermde vrijspraken is gericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank van het tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde 2.310,10 gram metamfetamine en 126,17 gram MDMA en het vonnis waarvan beroep voor het overige zal bevestigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het door de rechtbank bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 62.923 gram cocaïne. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vervanging bewijsoverwegingen </emphasis>
        <?linebreak?>Het hof vervangt de bewijsoverwegingen zoals opgenomen op pagina 2 t/m 7 van het vonnis waarvan beroep door de navolgende overwegingen: <?linebreak?></para>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het door de rechtbank bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 62.923 gram cocaïne. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte deze bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad en ook niet dat dienaangaande sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad niet doorslaggevend is aan wie de drugs toebehoren. Ook is niet vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de loods bij de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] , is op 23 maart 2022 door de politie 62.923 gram cocaïne aangetroffen. De cocaïne zat in vier tassen die op verschillende plekken in de loods stonden. Op de buitenkant van een groene draagtas van ‘Cranenbroek’ met daarin 10 blokken cocaïne werd een bloedspoor van verdachte gevonden en daarnaast werd op een groene sporttas met daarin 30 blokken cocaïne een bloedspoor van verdachte aangetroffen. Van zes blokken cocaïne uit deze groene sporttas werden monsters genomen, waarvan twee monsters het DNA van verdachte bleken te bevatten. Dit was op een blok uit de bovenste laag, maar ook op een blok uit de middelste laag blokken in de tas. Daarnaast werd op de hengsels van deze tas DNA van de verdachte aangetroffen. Op de schouderriem en hengsels van een zwarte sporttas met daarin 19 blokken cocaïne werd eveneens het DNA van verdachte aangetroffen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De verdediging heeft als alternatief scenario naar voren gebracht dat het DNA en het bloed van de verdachte via secundaire overdracht op de hengels van de tassen en op de blokken cocaïne terecht zou kunnen zijn gekomen, dat dit niet wordt uitgesloten door het dossier en dus aannemelijk is. De verdachte zou zich hebben verwond toen hij op weg was naar de buren van medeverdachte [medeverdachte 1] om hulp in te roepen nadat er bij de woning van [medeverdachte 1] was geschoten. Vervolgens zou een andere man het bloed en het DNA van de verdachte hebben opgepikt en hebben achtergelaten op de hengsels van de tassen, op de tassen en op de blokken cocaïne in de tassen in de loods. De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat de zwarte tas en de ‘Cranenbroek’-tas samen in een opbergkist lagen en het dus zeer aannemelijk is dat het DNA, het bloedspoor van verdachte op de buitenzijde van de ‘Cranenbroek’-tas in aanraking is geweest met de zwarte sporttas c.q. de hengsels van de sporttas met daarop een bloedspoor. Daarnaast zou het DNA van de hengsels van de groene sporttas middels secundaire overdracht op de blokken met cocaïne in de sporttas terecht zijn gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Verdachte is op 23 maart 2022 onder verdachte omstandigheden aangehouden in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] op dezelfde avond dat in de loods bij deze woning de tenlastegelegde cocaïne is aangetroffen. Die avond vond rond 20:30 uur een schietpartij plaats in de nabijheid van de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Ter plaatse troffen politieambtenaren op straat medeverdachte [medeverdachte 3] aan en in de woning van [medeverdachte 1] , in de slaapkamers op de eerste verdieping, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] . De cocaïne die in de loods wordt gevonden was verdeeld over vier tassen. Op en in drie van die vier tassen is het bloed en/of DNA van de verdachte aangetroffen. Daarnaast is op de Iphone van de verdachte onder meer een videobestand aangetroffen waarop drie tassen te zien zijn die grote gelijkenis vertonen met de aangetroffen tassen. In de tassen op de video bevinden zich bovendien pakketten die lijken op 1000-grams pakketten cocaïne (zoals die ook in de aangetroffen tassen zaten) met een specifieke opdruk die ook weer overeenkomt met de blokken aangetroffen in de tassen. Bovendien is op een blok cocaïne uit de <emphasis role="italic">middelste</emphasis> laag van blokken in een tas het DNA van de verdachte aangetroffen. Al deze voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwend, mag van de verdachte een deze redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Het alternatieve scenario van de verdediging over de aanwezigheid van het DNA van de verdachte enkel middels secundaire overdracht, volstaat hier niet. Alleen daarom al niet, nu dit alternatieve scenario geen verklaring geeft voor het DNA van de verdachte op het blok uit de middelste laag blokken in de tas. Daarnaast gaat het om een dermate grote hoeveelheid DNA én bloed van de verdachte op niet één, maar verschillende locaties verspreid over drie van de vier tassen, dat de aanwezigheid van het DNA én het bloed van de verdachte enkel als gevolg van secundaire overdracht niet aannemelijk is te achten. Tot slot biedt het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten om dit door de verdediging opgeworpen scenario te ondersteunen. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dan ook niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, vast dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne die in de loods is aangetroffen en dat die zich in zijn machtssfeer bevond, zodat de verdachte de aangetroffen 62.923 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Uit al het voorgaande, in combinatie met het bericht van medeverdachte [medeverdachte 1] aan ene [medeverdachte 2] , vlak na het schietincident, dat “iemand ons wilde beroven” en dat “we moeten tellen”, leidt het hof af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten bij het opzettelijk aanwezig hebben van de 62.923 gram cocaïne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 62.923 gram cocaïne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen straf </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in navolging van de rechtbank, aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 25.000,00 subsidiair 160 dagen hechtenis zal opleggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft, indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen, primair verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Subsidiair is verzocht een gevangenisstraf op te leggen die aansluit bij de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangehaalde jurisprudentie, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de verdediging verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van 62.923 gram cocaïne. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van illegale handel in verdovende middelen, die doorgaans gedreven wordt door criminele organisaties en gepaard kan gaan met andere vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs – en harddrugs in het bijzonder – grote gezondheidsrisico’s voor de gebruikers met zich brengt. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens de verdachte naar voren gebracht dat het de verdachte nog niet gelukt is werk te vinden of bestaand werk te behouden vanwege zijn fysieke beperkingen, dat hij een uitkering ontvangt en dat hij schulden heeft waarvoor betalingsregelingen zijn getroffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft het hof gelet op het reclasseringsrapport van 19 januari 2024, waaruit blijkt dat de reclassering heeft geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht van meer dan 20 kilo uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan 36 maanden. Het hof merkt daarbij op dat deze oriëntatiepunten uitgaan van plegen, en dat er in onderhavige zaak sprake is van medeplegen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu een dergelijke straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte grond om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht daarnaast, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, geen termen aanwezig voor oplegging van een geldboete, mede gelet op het geringe inkomen van de verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van het tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde 2.310,10 gram metamfetamine en 126,17 gram MDMA;  <?linebreak?></para>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden</emphasis>; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. S.C. van Duijn, voorzitter,</para>
      <para>mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. dr. M.M. Koevoets, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,</para>
      <para>en op 25 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>