<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T10:03:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/1844</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2023:7638" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:7638, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=20&amp;g=2010-01-01">Algemene wet inzake rijksbelastingen 20</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002320&amp;artikel=5&amp;g=2009-07-01">Algemene wet inzake rijksbelastingen 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:41&amp;g=1998-01-01">Algemene wet bestuursrecht 3:41</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026020305</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2026/173</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0233</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2026/264</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2026/0256</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2026/450 met annotatie van mr. N. Kolste</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2026/12.24.15</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-20T09:40:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3621 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 17-12-2025 / 23/1844</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 20, lid 3, AWR, art. 5, lid 1, AWR, art. 3:41, lid 1, Awb; inspecteur heeft met het verzendrapport aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf, zodat de naheffingsaanslag tijdig op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Aangezien de latere dagtekening binnen de naheffingstermijn valt, is de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren opgelegd. Hoger beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
      <para>Nummer: 23/1844</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende 1] B.V., [belanghebbende 2] B.V. </emphasis>gevestigd in [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 november 2023, nummer BRE 22/3590, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst</emphasis>,</para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 105.000 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is een verzuimboete van € 5.278 opgelegd (de verzuimboete) en is belastingrente in rekening gebracht van € 19.743 (de rentebeschikking).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd. De rentebeschikking is bij uitspraak op bezwaar verminderd naar nihil. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit [belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V. De activiteiten van [belanghebbende 2] B.V. bestaan (onder meer) uit het verzorgen en trainen van, alsmede de handel in paarden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in 2016 de (gedeeltelijke) eigendom van twee paarden verkocht. Belanghebbende heeft op de leveringen het nultarief<footnote-ref linkend="_0985d382-2ead-41fc-bebc-ce4a54910e8a" /> toegepast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met betrekking tot de in 2.2 genoemde leveringen de naheffingsaanslag met dagtekening 29 december 2021 opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In geschil is uitsluitend of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd en meer in het bijzonder of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en de verzuimboete en tot toekenning van een vergoeding van de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt onder verwijzing naar artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dat de naheffingsaanslag niet binnen de naheffingstermijn van vijf jaren is opgelegd, aangezien de naheffingsaanslag op 5 januari 2022 door belanghebbende is ontvangen. De naheffingsaanslag is volgens belanghebbende niet tijdig ter post bezorgd. Doordat de inspecteur niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en belanghebbende de naheffingsaanslag op 5 januari 2022, derhalve buiten de naheffingstermijn heeft ontvangen, is de naheffingsaanslag niet tijdig opgelegd en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, aldus belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren is opgelegd. Aangezien op 19 november 2021 opdracht is gegeven de naheffingsaanslag aan belanghebbende toe te zenden en de naheffingsaanslag deel uitmaakte van een batch die op 23 en 24 december 2021 ter verzending aan PostNL is aangeboden, is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de inspecteur tijdig en op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 20, lid 3, AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Daarbij is de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend voor het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd.<footnote-ref linkend="_20af83ee-880e-4e8b-a55f-c5151043830c" /> Voornoemde regel lijdt uitzondering indien de naheffingsaanslag na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, in welk geval de datum van bekendmaking in de plaats komt van de dagtekening van het aanslagbiljet.<footnote-ref linkend="_33946e0a-9ab5-4ce9-9a77-679c1cd50997" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De bekendmaking van een naheffingsaanslag vindt doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaats door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan belanghebbende. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_ec6a5607-ee19-4bd4-9e02-99df27f98650" /> Voor de terpostbezorging is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf.<footnote-ref linkend="_1818962c-4d7f-4d6f-8c4c-2af7e6a1edd1" /> De bewijslast dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf, rust daarbij op de inspecteur.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De inspecteur heeft een verzendrapport overgelegd, waaruit volgt dat de naheffingsaanslag op 16 december 2021 is verwerkt en is terechtgekomen in een batch documenten met als dagtekening 29 december 2021. Uit het verzendrapport volgt voorts dat de naheffingsaanslag op 17 december 2021 is geregistreerd onder de naam “ [naam] ” en dat de batch documenten waar de naheffingsaanslag toe behoort op 23 en 24 december 2021 is aangeboden voor verzending. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf en dat de naheffingsaanslag daarmee op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien de dagtekening van de naheffingsaanslag na de terpostbezorging is gelegen, dient te worden teruggevallen op de hoofdregel van artikel 5, lid 1, AWR, namelijk dat de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend is voor de vraag of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Gelet op het feit dat de naheffingsaanslag is gedagtekend op 29 december 2021, komt het hof tot het oordeel dat de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren en daarmee tijdig is opgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Er is geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Er zijn geen redenen voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het hoger beroep ongegrond; en</para>
    <para>- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is digitaal ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. Een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>X. Evers	L.D.M.A Reijs</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis></para>
        <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis></para>
        <para>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      </parablock>
      <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
      <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
      <parablock>
        <para>     a. - de naam en het adres van de indiener;</para>
        <para>     b. - de dagtekening;</para>
        <para>     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
        <para>     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_0985d382-2ead-41fc-bebc-ce4a54910e8a" label="1">
    <para> Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in combinatie met post a.2, van de bij de Wet OB behorende tabel II.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20af83ee-880e-4e8b-a55f-c5151043830c" label="2">
    <para> Artikel 5, lid 1, AWR.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33946e0a-9ab5-4ce9-9a77-679c1cd50997" label="3">
    <para> Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec6a5607-ee19-4bd4-9e02-99df27f98650" label="4">
    <para> Vgl. Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1818962c-4d7f-4d6f-8c4c-2af7e6a1edd1" label="5">
    <para> Vgl. Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, r.o. 2.5.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>