<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3543</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T10:02:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/1782 VoVo</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2025:3545" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2025:3545</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2026/135</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3543">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3543</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-21T09:20:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3543 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 10-12-2025 / 25/1782 VoVo</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3543:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Voorlopige voorziening, aanslag IB/PVV.</para>
        <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af voor zover het ziet op de opgelegde aanslag, aangezien geen sprake is van een evident onrechtmatig opgelegde aanslag. Voor zover het verzoek ziet op de ingezette invorderingsmaatregelen, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is namelijk geen sprake van een lopend (hoger) beroep tegen een invorderingszaak waarin de belastingrechter bevoegd is.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3543:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer, optredend als voorzieningenrechter</para>
    <para>Nummer: 25/1782</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst</emphasis>,</para>
      <para>hierna: de inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>betreffende de voor het jaar 2015 aan verzoeker opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2015 (hierna: IB/PVV 2015) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Deze procedure is bij het hof bekend onder zaaknummer 24/1592. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Verzoeker heeft vervolgens een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 verminderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 12 oktober 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer van het hof heeft dit wrakingsverzoek bij beslissing van 16 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, lid 1, Awb in verbinding met het bepaalde in artikel 8:108 Awb, kan de voorzieningenrechter van het hof dat bevoegd is (of kan worden) in de hoofdzaak (vereiste van connexiteit) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:83, lid 3, Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter stelt vast dat belanghebbende bij brief van 7 mei 2025 is meegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening tegelijk met de hoofdzaak in oktober 2025 zal worden behandeld. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat in de voorlopige voorzieningenprocedure - bij omissie - geen uitnodiging voor de zitting op 23 oktober 2025 is gestuurd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding deze omissie te herstellen door belanghebbende alsnog uit te nodigen voor een zitting in deze procedure, omdat, zoals uit het hierna volgende blijkt, is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:83, lid 3, Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Ten tijde van het indienen van het in 1.5. vermelde verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de in 1.1. vermelde aanslag was het hoger beroep van verzoeker aanhangig, zodat ter zake van deze aanslag aan de eis van connexiteit is voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter kan een aanslag schorsen indien de aanslag evident onrechtmatig is opgelegd, wat gevolgen heeft voor de invordering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Voor zover het verzoek van verzoeker zo moet worden begrepen dat de aanslag, zoals verminderd door de rechtbank, moet worden geschorst is het verzoek kennelijk ongegrond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van evidente onrechtmatigheid geen sprake, reeds omdat het hof bij uitspraak van heden het hoger beroep ongegrond heeft verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De verzoeken van verzoeker zien verder op het opheffen van de gevolgen van de vastgestelde aanslag IB/PVV 2015 door het schorsen van de door de ontvanger ingezette invorderingsmaatregelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Aangezien van een lopend (hoger) beroep tegen een invorderingszaak waarin de belastingrechter bevoegd is niet is gebleken, wordt niet voldaan aan de eis van connexiteit en dient het verzoek in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzoek ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2015 kennelijk ongegrond;</para>
    <para>- verklaart het verzoek voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.A. Sijberden, optredend als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>R. Camps	L.B.M. Klein Tank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>