<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3511</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T09:24:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.339.072_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2022:1974" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:1974</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3511">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3511</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T09:18:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3511 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-12-2025 / 200.339.072_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3511:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overheidsaansprakelijkheid. Partijperikelen. Verjaring. Onrechtmatig besluit. Causaal verband. Schadeperiode. Schadebegroting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3511:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.339.072/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 9 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F.,<?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</title>
    <para>2. <emphasis role="bold">[appellant sub 2] ,</emphasis><?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>3. <emphasis role="bold">[appellant sub 3] ,</emphasis><?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <parablock>
      <para>appellanten in principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en afzonderlijk als respectievelijk Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ,</para>
      <para>advocaat: mr. W.H. Lindhout te Bergen op Zoom,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gemeente [A] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in principaal hoger beroep,</para>
      <para>appellante in incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de gemeente,</para>
      <para>advocaat: mr. N.D. Niederer te Breda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 april 2022 en 13 december 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellanten] als eisers en de gemeente als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/380038 / HA ZA 20-752)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties 92 tot en met 95;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 10 tot en met 16;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie 96;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de bij H12-formulier van 26 september 2025 door [appellanten] toegezonden productie genummerd 92 (‘Reactiebrief d.d. 13 juni 2024 van [persoon B] met handtekening’), die [appellanten] bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de bij H3-formulier van 26 september 2025 door de gemeente toegezonden productie 17 tot en met 22, die de gemeente bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in principaal en incidenteel hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In rov. 2.1 tot en met 2.37 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellanten] heeft daartegen geen grief gericht. Volgens de gemeente kan van deze feitenvaststelling niet zonder meer in hoger beroep worden uitgegaan. De rechtbank overweegt namelijk meermaals dat <emphasis role="italic">[appellanten]</emphasis> (dus zowel Tuinhoutspecialist [XX] als [appellant sub 2] als [appellant sub 3] ) de bestuursrechtelijke procedure heeft doorlopen, terwijl dat niet steeds het geval is. Het hof heeft de feitenvaststelling van de rechtbank wat dat aangaat verbeterd. Met inachtneming van deze verbeteringen, vormen de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal die feiten hierna, vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.37, weergeven.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>Tuinhoutspecialist [XX] exploiteert een groothandel in tuinhout en aanverwante artikelen. Op 10 november 2007 hebben [appellant sub 3] en [appellant sub 2] het perceel aan [adres B] (hierna ook: het perceel) gekocht met de bedoeling de verkoopactiviteiten van Tuinhoutspecialist [XX] van de [adres A] te verhuizen naar het op het perceel gelegen bedrijfspand. Op het perceel bevindt zich tevens een bedrijfswoning, waarin [appellant sub 3] thans woont. De huidige eigenaar van het perceel is [appellant sub 3] .</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>Bij brief van 22 november 2007 heeft [appellanten] het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [A] (hierna: het college) het volgende geschreven:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Geacht college,</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hierbij willen wij u mededelen dat wij met ons bedrijf verhuizen naar [adres B] (ook industrie).</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Volgens informatie verhuist onze detailhandelvergunning niet mee.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Daarom willen wij dit hierbij aanvragen.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Wij zouden graag medio maart 2008 openen. (...)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 22 januari 2008 heeft het college [appellanten] geschreven dat de</para>
          <para>activiteiten die [appellanten] op het perceel wil gaan ontplooien in strijd zijn met het ter</para>
          <para>plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied 1998. Het college schrijft verder onder</para>
          <para>andere:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(...) U heeft een verzoek ingediend tot bestemmingsplanwijziging voor [adres B] .</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Momenteel wordt bekeken of uw verzoek past in het gemeentelijk en provinciaal beleid. Hierover hebben wij aanstaande donderdag overleg met beleidsmedewerkers ruimtelijke ordening van de provincie. Daarna zullen wij een besluit nemen over eventuele principemedewerking aan uw verzoek.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>Bij brief van 22 februari 2008 heeft het college [appellanten] een voornemen tot handhaven gestuurd, omdat het college was gebleken dat [appellanten] , kort gezegd, activiteiten uitvoerde ter inrichting van een tuinhoutcentrum. Het college deelt mede dat detailhandel op het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1998”.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.5.</nr>
        <para>In de tegen dat voornemen ingediende zienswijze, bij de gemeente ingekomen op 29 februari 2008, heeft [appellanten] aangegeven verbaasd te zijn over het voornemen tot handhaving terwijl er een vrijstellingsverzoek bij de gemeente in behandeling is. Ook is in de zienswijze opgenomen dat niet om wijziging van de bestemming op het perceel naar detailhandel is gevraagd. Voorgesteld wordt om het vrijstellingsverzoek te behandelen en het voornemen tot handhaving op te schorten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 28 februari 2008, verzonden op 3 maart 2008, heeft het college</para>
          <para>
            [appellanten] onder andere het volgende geschreven:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Op 28 november 2007 stuurde u ons een brief. U vroeg hierin of het mogelijk is om detailhandel te bedrijven op het perceel aan [adres B] . Met deze brief geven wij antwoord op uw vraag.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Detailhandel niet mogelijk binnen huidige bestemming</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het perceel [adres B] (...) valt binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 1998 " en de daarbij behorende "artikel 30+ herziening". Het perceel heeft de bestemming "niet-agrarische bedrijven " en valt daarin binnen de categorie "niet-buitengebied gebonden bedrijven”. In de lijst van niet-buitengebied gebonden bedrijven is het perceel bestempeld als transportbedrijf. Detailhandel past dus niet binnen de huidige bestemming van het perceel.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Detailhandel ook met vrijstelling of wijziging niet mogelijk</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">In het bestemmingsplan worden een aantal wijzigingsbevoegdheden genoemd. Binnen de categorie niet-buitengebied gebonden bedrijven kan in sommige gevallen de functie worden gewijzigd. Hierbij wordt echter expliciet aangegeven dat detailhandel niet mogelijk is.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Detailhandel past daarnaast niet in het provinciale beleid. Hierin wordt namelijk aangegeven dat detailhandel primair gevestigd dient te worden in het stedelijk gebied. Detailhandel in een aantal specifieke branches kan zich ook vestigen direct aansluitend aan het stedelijk gebied. [adres B] heeft echter in geen geval aansluiting op bestaand stedelijk gebied.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Detailhandel is dus nu en in de toekomst niet toegestaan op het perceel aan [adres B] .</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Mogelijkheid van opslag</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het bestemmingsplan biedt wél de mogelijkheid om opslag plaats te laten vinden op het perceel. Hiervoor dient een procedure ex artikel 11 WRO doorlopen te worden. (...) Graag vernemen wij van u of u het perceel wenst te gebruiken voor de opslag van tuinhout en of u de daarvoor benodigde procedure wilt opstarten. (...)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.7.</nr>
        <parablock>
          <para>Het college heeft in haar brief van 10 maart 2008, waarin zij Tuinhoutspecialist</para>
          <para>
            [XX] bericht naar aanleiding van een door haar ingediende zienswijze tegen een voornemen tot handhaving, herhaald dat per brief van 28 februari 2008 is meegedeeld dat detailhandel op het perceel [adres B] niet mogelijk is en ook met vrijstelling of wijziging niet mogelijk is.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Het verzoek tot functiewijziging</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.8.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] heeft na ontvangst van deze brief op 12 maart 2008 een aanvraag</para>
          <para>gedaan om functiewijziging van het perceel van ‘Transportbedrijf’ naar ‘Opslag’.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.9.</nr>
        <para>Bij brieven van 23 en 27 mei 2008, met als opschrift: ‘voortzetting dwangsomprocedure’, schrijft het college onder andere dat opslag van goederen is toegestaan. Daarbij mag de toegang alleen geopend zijn voor laad- en losactiviteiten van goederen voor leveranciers.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.10.</nr>
        <para>Bij brief van 29 juni 2009 heeft de projectleider vergunningen van de gemeente [appellanten] bericht dat het in beginsel mogelijk is om een binnenplanse wijziging op grond van artikel 3.6, lid 1 sub a, Wro door te voeren, mits wordt voldaan aan een aantal gestelde voorwaarden. In de brief staat dat [appellanten] schriftelijk dient te verklaren geen detailhandel te gaan uitvoeren op het perceel.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.11.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 23 juli 2009 heeft [appellanten] via haar advocaat geschreven niet</para>
          <para>beter te weten dan dat opslag reeds is toegestaan, onder verwijzing naar de brieven van 23</para>
          <para>mei en 27 mei 2008, waarin staat dat opslag is toegestaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.12.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brieven van 17 augustus 2009 en 11 september 2009 herhaalt het college de</para>
          <para>voorwaarde van de schriftelijke verklaring geen detailhandel te gaan uitvoeren.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.13.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 25 september 2009 heeft [appellanten] de verzochte verklaring</para>
          <para>verstrekt, met de opmerking dat dit natuurlijk uitzondering leidt voor het geval dat</para>
          <para>detailhandel ter plaatse (planologisch) zal worden toegestaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.14.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college medewerking verleend aan de</para>
          <para>verzochte functiewijziging.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De handhavingsprocedure</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.15.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het college [appellanten] gelast binnen drie</para>
          <para>dagen na de verzenddatum van dit besluit alle detailhandelsactiviteiten, inclusief alle</para>
          <para>activiteiten naar aanleiding van internetverkoop, op het perceel [adres B]</para>
          <para>(hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een last onder</para>
          <para>dwangsom van € 2.500,- per week met een maximum van € 25.000,-.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.16.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij dwangbevel van 9 december 2008, aan [appellanten] betekend op 23 december</para>
          <para>2008, heeft de gemeente aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen tot het maximale</para>
          <para>bedrag van € 25.000,- over de periode van 10 weken.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.17.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college het door [appellanten] tegen het</para>
          <para>dwangsombesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft het [appellanten]</para>
          <para>opnieuw gelast onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,- per week met een</para>
          <para>maximum van € 25.000,-, binnen zes weken na de verzenddatum van dit besluit alle</para>
          <para>detailhandelsactiviteiten, inclusief alle activiteiten naar aanleiding van internetverkoop, op</para>
          <para>het perceel te staken en gestaakt te houden.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.18.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij uitspraak van 26 oktober 2009 heeft de rechtbank Breda het door [appellanten]</para>
          <para>daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.19.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij uitspraak van 29 september 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van de rechtbank Breda vernietigd, voor zover het beroep van [appellanten] tegen de bij besluit van 19 december 2008 gehandhaafde last onder dwangsom van 29 mei 2008 ongegrond is verklaard, en tevens het besluit op bezwaar van</para>
          <para>het college van 19 december 2008 vernietigd, voor zover daarbij een nieuwe last onder</para>
          <para>dwangsom is opgelegd, omdat Tuinhoutspecialist [XX] haar detailhandelsactiviteiten op</para>
          <para>die datum reeds duurzaam had beëindigd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.20.</nr>
        <para>
          [appellanten] is tevens opgekomen tegen de invorderingsbeslissing van 9 december 2008. Dit hof heeft bij arrest van 5 juli 2011 het dwangbevel buiten effect gesteld vanaf 7 juli 2008 en geoordeeld dat [appellanten] slechts € 10.000,- aan dwangsommen had verbeurd. [appellanten] heeft dwangsommen van € 2.500,- per week verbeurd vanaf 9 juni 2008, de ingangsdatum van het dwangbevel, tot 7 juli 2008, de datum waarop [appellanten] het voornoemde verhuisbord heeft verwijderd. In totaal heeft [appellanten] derhalve € 10.000,- aan dwangsommen verbeurd. Deze dwangsommen zijn intussen voldaan.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De bestemmingsplanwijziging</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.21.</nr>
        <para>Bij brief van 2 december 2008 hebben [appellant sub 2] en [persoon A] de gemeenteraad van de gemeente [A] (hierna: de gemeenteraad) verzocht het bestemmingsplan Buitengebied 1998 aldus te wijzigen, dat op het perceel de vestiging van een tuinhoutbedrijf met detailhandel zou worden toegelaten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.22.</nr>
        <para>De gemeenteraad heeft de aanvraag bij besluit van 12 februari 2009 afgewezen, in navolging van het advies van het college van 3 februari 2009 daartoe. Het college overweegt in zijn advies dat [appellant sub 2] en [persoon A] een beroep hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar Tuinhoutcentrum [B] en [bedrijf x] in [C] . Het college overweegt dat [B] is gesitueerd in een kernrandzone, dicht bij de kern [D] . Ruimtelijk gezien kan er gesproken worden van een zekere aansluiting met het stedelijke gebied, waardoor deze locatie passend is in het provinciaal beleid.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.23.</nr>
        <para>Het bezwaar van 5 mei 2009 van [appellant sub 2] en [persoon A] tegen deze beslissing is bij besluit van 25 februari 2010 ongegrond verklaard. Overwogen is onder andere:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“ [adres C] heeft de bestemming "tuincentrum”. In de Paraplunota wordt in paragraaf 3.4 aangegeven dat tuincentra worden beschouwd als een bijzondere vorm van detailhandel die specifiek bestemd moet worden. Voor de vestiging van een tuincentrum geldt dat vestiging op een bedrijventerrein vanuit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik ongewenst is en dat de vestiging in een kernrandzone de voorkeur verdient. Hoewel [adres C] niet binnen de planologisch bebouwde kom is gelegen (de afstand bedraagt ca. 160m), is er sprake van zichtbaar samenhangende bebouwing langs de straat. Er kan dan ook worden gesteld dat er sprake is van een kernrandzone of lint aan de rand van het stedelijk gebied. Dit kan niet worden gesteld voor [adres B] . (...)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.24.</nr>
        <para>
          [appellant sub 2] , [persoon A] , [appellant sub 3] en de vennootschap onder firma Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F. zijn in beroep gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van 16 maart 2011 heeft de ABRvS het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 3] en de vennootschap onder firma Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F., niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige gegrond verklaard. Voorts heeft de ABRvS de beslissing op bezwaar vernietigd, omdat hieraan een motiveringsgebrek kleefde. De ABRvS overwoog dat ter zitting vast is komen te staan dat de afstand van het perceel [adres C] tot de bebouwde kom niet wezenlijk kleiner is dan de afstand van het perceel [adres B] tot de bebouwde kom en dat in beide gevallen geen sprake is van zichtbaar aanwezige samenhangende bebouwing. De gemeenteraad heeft desgevraagd niet kunnen weerspreken dat het bedrijf op het perceel [adres C] een concurrent van het bedrijf van [appellant sub 2] en [persoon A] is met vrijwel dezelfde activiteiten. Derhalve was de ABRvS van oordeel dat niet inzichtelijk is waarom de situatie bij het perceel [adres C] zodanig verschilt van de voorliggende situatie dat van gelijke gevallen geen sprake zou kunnen zijn.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Nieuwe aanvraag toestaan detailhandel</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.25.</nr>
        <para>Twee weken voor de uitspraak van de ABRvS, namelijk op 2 maart 2011, heeft [appellanten] een aanvraag ingediend voor een detailhandelsvergunning ‘conform het nieuwe Provinciaal beleid art. 11 lid 6 punt f’. Het college heeft de aanvraag op 11 maart 2011 ontvangen en [appellanten] bij brief van 30 maart 2011 geschreven geen detailhandelsvergunning toe te kennen, maar te zullen beoordelen of op het perceel detailhandel is toegestaan. [appellanten] werd gevraagd aanvullende gegevens te verstrekken, hetgeen zij op 4 augustus 2011 heeft gedaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.26.</nr>
        <para>Bij brief van 28 september 2011 heeft het college [appellanten] meegedeeld dat de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant de mogelijkheid biedt om in het buitengebied kleinschalig detailhandel uit te oefenen, nu in artikel 3.6 van de betreffende verordening staat aangegeven dat er bij een niet-agrarische ontwikkeling in het buitengebied sprake mag zijn van een zelfstandige detailhandelsvoorziening van maximaal 200 m2 vloeroppervlakte. Het college schrijft dat buitenopslag hierbij in principe meetelt, behalve als het is afgeschermd zodat het winkelend publiek hier niet bij kan komen. [appellanten] overschrijdt deze vloeroppervlakte volgens het college.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.27.</nr>
        <para>Bij brief van 16 november 2011 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant [appellanten] geschreven het aspect van de buitenopslag nogmaals te hebben bekeken en tot de conclusie te zijn gekomen dat dit aspect te streng is beoordeeld. Dit betekent dat [appellanten] op basis van het provinciale beleid, binnen de bestaande loods aan [adres B] 200 m2 kan aanwenden als verkoopvloeroppervlakte en dat de buitenopslag hierin niet mee hoeft te worden geteld. Het college heeft bij brief van 8 december 2011 laten weten de provincie hierin te volgen en [appellanten] gevraagd om een aangepaste situatieschets waaruit blijkt dat maximaal 200 m2 van de bestaande loods gebruikt wordt als verkoopvloeroppervlakte. Ook is medegedeeld dat als het college akkoord zou zijn met deze tekeningen, [appellanten] een adviesbureau opdracht zou kunnen geven voor het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan dan wel een ruimtelijke onderbouwing.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Nieuwe beslissing op bezwaar</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.28.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 15 februari 2012, opnieuw verzonden op 16 maart 2012, schrijft het</para>
          <para>college [appellanten] onder andere:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“</emphasis>
            <emphasis role="bold italic">Uitspraak Raad van State</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Wij wijzen u er op dat wij gezien de uitspraak van de Raad van State, nog een besluit dienen te nemen op uw aanvraag inzake de vestiging van detailhandel aan [adres B] . Door de Raad van State is het besluit van de gemeenteraad van 25 februari 2010 vernietigd. Dit betekent dat de gemeenteraad opnieuw zal moeten besluiten over uw aanvraag voor detailhandel aan [adres B] .</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Op 11 maart 2011 hebben wij echter een brief van u ontvangen voor de vestiging van detailhandel aan [adres B] conform het provinciale beleid. Wij beschouwen deze brief als een nieuwe aanvraag en gaan ervan uit dat hiermee de eerdere aanvraag van 3 december 2008 vervalt. (...)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] wordt een nadere termijn gesteld voor het indienen van een situatieschets.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.29.</nr>
        <para>Bij brief van 11 april 2012 heeft [appellanten] een situatieschets verstuurd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.30.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college de aanvraag van 2 maart 2011 op</para>
          <para>grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat [appellanten] geen situatietekening zou hebben ingediend waaruit blijkt dat haar verzoek past binnen de kaders uit de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant. Ook schrijft het college:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“</emphasis>
            <emphasis role="bold italic">Uitspraak Raad van State</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">In eerdere correspondentie hebben wij reeds aangegeven dat wij nog een besluit moeten nemen op de aanvraag inzake de vestiging van detailhandel aan [adres B] . Wij hebben tevens aangegeven uw verzoek van 11 maart 2011 </emphasis>(opmerking hof: dit betreft het verzoek gedateerd 2 maart 2011, ontvangen 11 maart 2011)<emphasis role="italic"> als aanvraag daarvoor te zien. (...)”</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.31.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] heeft ook tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en onder andere</para>
          <para>herhaald dat zij ingevolge de uitspraak van de ABRvS hetzelfde behandeld wil worden als</para>
          <para>aanverwante bedrijven. Het college wordt verzocht zich aan de uitspraak te houden. Op dit bezwaar is nog niet beslist.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Het bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan buitengebied’</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.32.</nr>
        <parablock>
          <para>De raad heeft bij besluit van 17 februari 2011 in het kader van een reguliere</para>
          <para>herziening het bestemmingsplan “Actualisatie bestemmingsplan buitengebied” vastgesteld. [appellanten] is hiertegen in beroep gegaan. De ABRvS heeft in de uitspraak van 31 oktober 2012 op het beroep beslist en heeft daartoe het volgende overwogen:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Het beroep van Tuinhoutspecialist [XX] en anderen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">25. Tuinhoutspecialist [XX] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld, voor zover op het plandeel met de bestemming “Bedrijf” voor het perceel aan [adres B]</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic"> detailhandel niet is toegestaan. Daartoe voeren zij aan dat het perceel geschikt is voor detailhandel en dat de mogelijkheid van detailhandel is toegezegd door ambtenaren van de gemeente [A] . Voorts betogen zij dat het plandeel in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, nu op het perceel [adres C] detailhandel wel is toegestaan. Ter ondersteuning van dit betoog wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011 in zaak nr. 201005268/1/R3 (...) in het kader van de wijziging van het vorige bestemmingsplan ten behoeve van de vestiging van een tuinhoutbedrijf met detailhandel op het perceel [adres B] . Verder voeren zij aan dat de raad ten onrechte vasthoudt aan het besluit van 30 maart 2010 tot wijziging van het vorige bestemmingsplan ten behoeve van de mogelijkheid van opslag zonder detailhandel op het perceel [adres B] .</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>25.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De raad stelt zich op het standpunt dal het perceel [adres B] voor opslag zonder detailhandel is bestemd overeenkomstig het voornoemde besluit van 30 maart 2010. Volgens het bestreden besluit verzet de Verordening ruimte Noord-Brabant zich tegen detailhandel op het perceel.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>25.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De raad heeft niet betwist dat Tuinhoutspecialist [XX] en anderen ten tijde van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vaststelling van het plan concrete plannen hadden voor detailhandel op het perceel aan de [adres B] . Dat volgens de raad het bedrijf op het perceel [adres C] reeds onder het vorige bestemmingsplan als zodanig was bestemd en derhalve verschilt van de aan de orde zijnde situatie, neemt niet weg dat de raad deugdelijk had moeten motiveren waarom voor het perceel van Tuinhoutspecialist [XX] en anderen niet is voorzien in de mogelijkheid van detailhandel. Het standpunt van de raad dat hij het perceel overeenkomstig het besluit van 30 maart 2010 heeft kunnen bestemmen kan niet worden gevolgd, nu niet is gebleken dat de raad in het kader van dat besluit een afweging over de mogelijkheid van detailhandel op het perceel heeft gemaakt. Verder heeft de raad ter zitting zijn standpunt dat de Verordening ruimte Noord-Brabant zich tegen detailhandel verzet, genuanceerd. Hij acht niet onmogelijk dat de Verordening ruimte Noord-Brabant detailhandel op dit perceel niet geheel uitsluit. Het betoog slaagt.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>25.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In hetgeen Tuinhoutspecialist [XX] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het ontbreken van een aanduiding voor detailhandel voor het perceel aan [adres B] , niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van Tuinhoutspecialist [XX] en anderen is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>25.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen en daartoe een termijn te stellen. (...)”</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.33.</nr>
        <parablock>
          <para>De gemeenteraad heeft op 9 oktober 2013 het ontwerpbestemmingsplan</para>
          <para>“Actualisatie bestemmingsplan buitengebied 3e herziening” gepubliceerd, waartegen</para>
          <para>
            [appellanten] een zienswijze heeft ingediend. In dit ontwerpbestemmingsplan was het</para>
          <para>perceel voorzien van de bestemming ‘specifieke vorm van detailhandel - detailhandel in</para>
          <para>tuinhout’ en in de planregels was bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding detailhandel was toegestaan met een maximale verkoopoppervlakte van 200 m2. De gemeenteraad heeft vervolgens bij besluit van 27 februari 2014 het bestemmingsplan “Buitengebied 3e herziening” gewijzigd vastgesteld, en de Nota zienswijzen Actualisatie bestemmingsplan buitengebied (hierna: de Nota zienswijzen) vastgesteld, welke nota aan [appellanten] in concept is toegezonden op 28 januari 2014. Hierin staat onder andere: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Ter plaatse van de [adres B] wordt een bedrijf geëxploiteerd dat is gericht op het verkopen en plaatsen van tuinhout, tuinhuisje en verwante artikelen. Het gebruik wijkt feitelijk niet af van het gebruik aan [adres C] zoals ook door de gemeente erkend in een zitting bij de Raad van State op 5 januari 2011. Zowel in een uitspraak van de Raad van State op 16 maart 2011 als op 31 oktober 2012 concludeert de Afdeling dat op de percelen [adres C] en [adres B] sprake is van vergelijkbare bedrijfsactiviteiten en dat de gemeente niet overtuigend heeft gemotiveerd dat detailhandel aan [adres B] moet worden uitgesloten.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Gelet op alle eerder in de beroepsprocedures door ons en andere partijen aangevoerde argumenten en de overwegingen die vervolgens door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot deze argumenten zijn verwoord hebben wij geen overtuigende argumenten meer om detailhandel voor het bedrijf aan [adres B] uit te sluiten.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De opgenomen regeling in het ontwerpbestemmingsplan is ingegeven door de brief die reclamant van de provincie Noord-Brabant heeft ontvangen, gedateerd op 16 november 2011. De brief is een reactie op de vraag van reclamant om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheden voor een handel in tuinhout aan [adres B] . De provincie geeft aan dat de Verordening Ruimte, art 11.6.1 onder f van toepassing is waardoor er 200 m2 verkoopvloeroppervlakte kan worden toegestaan. Bij nader inzien gaat de provincie hierbij ook naar onze mening voorbij aan de beide uitspraken van de Raad van State en het provinciale beleid zoals dat gold op het moment van de afwijzing van het eerste verzoek in 2010. Gelet op de beide uitspraken van de Raad van State zijn wij bij nader inzien van mening dat wij het bedrijf aan [adres B] moeten voorzien van een bestemming, vergelijkbaar met de bestemming van het perceel [adres C] . Ter plaatse zal op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel in tuinhout' vervangen worden door de aanduiding 'tuincentrum’. De artikelen 7.1 onder w en 7.5.1 onder f zoals opgenomen in het ontwerp, worden niet vastgesteld.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Naar aanleiding van de zienswijze is gebleken dat het bepaalde in artikel 7.5.l.a in combinatie met 7.5.l.b vragen oproept over de toelaatbaarheid van detailhandel bij een tuincentrum. Dit kan worden voorkomen door aan het bepaalde in lid a toe te voegen dat er nog een uitzondering is op de regel namelijk indien er sprake is van hetgeen vermeld onder b.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel - detailhandel in tuinhout’ op het perceel [adres B] wordt op de verbeelding vervangen door de aanduiding ‘tuincentrum’. Artikel </emphasis>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="italic">7.1 onder w (zoals opgenomen in het ontwerpplan: bestemmingsomschrijving voor detailhandel in tuinhout) en artikel 7.5.1 onder f (gebruiksregel voor detailhandel in tuinhout) worden niet vastgesteld. Naar aanleiding van de zienswijze wordt aan artikel 7.5.1.a de volgende zinsnede toegevoegd ‘met in acht name van het bepaalde onder b’.”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Overige correspondentie</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.34.</nr>
        <parablock>
          <para>De advocaat van [appellanten] heeft de gemeente bij brief van 10 februari 2014</para>
          <para>onder andere het volgende geschreven:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(...) Cliënten, te weten Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F., haar vennoten [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , alsmede [persoon A] , hebben schade geleden en lijden nog immer schade vanwege het feit dat tot op heden, ondanks de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2011 en 31 oktober 2012, het gedachte tuinhoutcentrum (detailhandel) ter plaatse van [adres B] tot op heden niet planologisch mogelijk is gemaakt dan wel anderszins is toegestaan.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">U bent gehouden deze schade aan cliënten te vergoeden. Door deze wordt u door cliënten nogmaals voor de schade voormeld aansprakelijk gesteld.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De onderhavige brief dient tevens beschouwd te worden als een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:317 BW. (...)”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.35.</nr>
        <para>De gemeente heeft de brief doorgeleid aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Centraal Beheer Achmea (hierna: Achmea). Achmea heeft de advocaat van [appellanten] bij brief van 22 april 2014 onder andere gevraagd op welke onrechtmatige daad de aansprakelijkstelling precies berust.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.36.</nr>
        <para>Bij brief van 7 februari 2019, gericht aan de gemeente en aan Achmea, schrijft de advocaat van [appellanten] de gemeente namens cliënten per brief van 10 februari 2014 nogmaals aansprakelijk te hebben gesteld voor de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg van de in die brief aangegeven onrechtmatige overheidsdaden en de verjaring van de rechtsvorderingen van cliënten te hebben gestuit. Tevens staat in de brief dat binnenkort een schaderapport zal worden toegestuurd aan Achmea, en dat in de tussentijd de verjaring opnieuw wordt gestuit.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.37.</nr>
        <para>Bij brief van 26 november 2019 heeft [appellanten] de gemeente en Achmea bericht dat haar schade € 521.205,92 bedraagt en de gemeente gesommeerd binnen zes weken over te gaan tot erkenning van aansprakelijkheid voor de zijdens de gemeente gepleegde onrechtmatige daden en de daaruit voortvloeiende schade.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Geschil in eerste aanleg</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>In eerste aanleg vorderde [appellanten] , samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:</para>
          <para>(i) voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig jegens Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] , [persoon A] en [appellant sub 3] heeft gehandeld en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , in hoedanigheid van vennoten in de vennootschap onder firma althans als erfgenamen van [persoon A] althans voor zich, te vergoeden;</para>
          <para>(ii) de gemeente veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ten titel van schadevergoeding aan Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] te voldoen het totaalbedrag van € 532.597,92, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW overeen bedrag van € 462.036,29 vanaf 1 december 2020 tot aan de dag van volledige betaling; en</para>
          <para>(iii) de gemeente veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ter hoogte van € 157,- zonder betekening respectievelijk € 239,- met betekening, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proces- en nakosten als de gemeente niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft betaald.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>Aan deze vorderingen heeft [appellanten] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, door een reeks onrechtmatige besluiten te nemen en onrechtmatig onjuiste mededelingen te doen. De onjuistheid van de besluiten en de mededelingen van de organen van de gemeente volgt uit het besluit van 27 februari 2014 waarbij de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied 3e herziening” gewijzigd heeft vastgesteld, alsmede de daarbij vastgestelde Nota zienswijzen en de uitspraken van de ABRvS van 16 maart 2011 en van 21 oktober 2012. Als gevolg hiervan heeft [appellanten] schade geleden, bestaande uit een bedrag aan winstderving van € 141.864,-, hogere exploitatiekosten van € 286.438,- en buitengerechtelijke kosten ter hoogte van in totaal € 33.734,29 exclusief btw. De wettelijke rente dient te worden vergoed en is over de periode van 27 februari 2014 tot en met 30 november 2020 opgelopen tot het bedrag van €70.561,63, aldus – steeds – [appellanten]</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>De gemeente heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De gemeente heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de rechtsvorderingen zijn verjaard. Voorts heeft zij betwist, samengevat, dat de gestelde gedragingen (allemaal) onrechtmatig zijn en dat er sprake is van causaal verband met de gevorderde schade. De gevorderde schadeposten worden eveneens betwist. [appellanten] heeft voorts eigen schuld aan het ontstaan van de schade en voordeel genoten van het feit dat uiteindelijk een ruimere bestemming aan het perceel is toegekend, aldus – steeds – de gemeente.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <parablock>
          <para>In het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 heeft de rechtbank het beroep op verjaring van de gemeente verworpen.</para>
          <para>Vervolgens heeft de rechtbank de gestelde onrechtmatigheden beoordeeld. Allereerst heeft de rechtbank de stelling van [appellanten] dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste mededelingen te doen, verworpen. Daarna heeft de rechtbank de stellingen van [appellanten] verworpen dat de gemeente ten onrechte handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik van het perceel voor detailhandel door middel van het opleggen van een last onder dwangsom en dat de gemeente ten onrechte de wijzigingsprocedure ex artikel 3.6 Wro heeft laten doorlopen. Tot slot heeft de rechtbank de door [appellanten] gestelde onrechtmatigheid van de besluiten van 12 februari 2009 (het primaire besluit), 25 februari 2010 (de beslissing op bezwaar) en het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 beoordeeld. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat zij het primaire besluit van 12 februari 2009 thans voor rechtmatig moet houden. De vernietiging van de beslissing op bezwaar van 25 februari 2010 geeft volgens de rechtbank evenmin aanspraak op schadevergoeding. Wel staat de onrechtmatigheid van het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 (het door de gemeenteraad op 17 februari 2011 vastgestelde bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan buitengebied’) jegens [appellanten] vast, aldus de rechtbank.</para>
          <para>Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat ter bepaling van de schade een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie waarbij de bestemming ‘tuincentrum’ pas aan het perceel is toegekend op 27 februari 2014, en de hypothetische situatie waarin dit zou zijn gebeurd ter gelegenheid van de eerste gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan per 17 februari 2011.</para>
          <para>Daarop heeft de rechtbank [appellanten] opgedragen – bij nadere conclusie na tussenvonnis – haar schade opnieuw te begroten, en zich daarbij te beperken tot de periode tussen begin april 2011 en medio april 2014.</para>
          <para>In het kader van de schadebegroting heeft de rechtbank in het tussenvonnis ook al het beroep op voordeelstoerekening alsmede het beroep op eigen schuld van de gemeente verworpen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5.</nr>
        <para>Daarop heeft [appellanten] een nadere conclusie na tussenvonnis genomen, waarna de gemeente een antwoordconclusie na tussenvonnis heeft genomen. Ook heeft [appellanten] een “akte overlegging producties, verzoek om heroverweging en provisionele vordering” ingediend, waarop de gemeente bij brief heeft gereageerd. Vervolgens heeft op 4 oktober 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Vervolgens heeft de rechtbank het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 gewezen. Daarin heeft de rechtbank eerst het verzoek van [appellanten] tot heroverweging afgewezen. [appellanten] stelde zich op het standpunt dat de rechtbank er in het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 aan voorbij is gegaan dat de gemeente de onrechtmatigheid van het primaire besluit heeft erkend. De rechtbank is [appellanten] echter niet in dit standpunt gevolgd. </para>
          <para>Ten aanzien van de schadebegroting heeft de rechtbank overwogen dat [appellanten] , onder verwijzing naar een door haar overgelegd nader schaderapport van [persoon B] (hierna ook: [persoon B] ) van 31 mei 2022, stelt dat de totale schade, rekening houdend met de door de rechtbank vastgestelde schadeperiode, uitkomt op een totaalbedrag van € 264.685,32, exclusief btw + PM. Dit totaalbedrag bestaat uit: € 75.079,- aan winstderving, € 120.805,- aan hogere exploitatiekosten, € 33.734,29 aan buitengerechtelijke kosten en € 35.076,03 aan wettelijke rente tot 30 november 2020.</para>
          <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de door [appellanten] gegeven toelichting</para>
          <para>niet kan worden vastgesteld dat er in de schadeperiode sprake was van winstderving. Met betrekking tot de post ‘hogere exploitatiekosten’ heeft [appellanten] aangevoerd dat Tuinhoutspecialist [XX] in de schadeperiode hogere exploitatiekosten heeft gehad in verband met het aanhouden van twee locaties ( [adres B] en [adres A] ). De rechtbank heeft de in redelijkheid gemaakte kosten voor [adres A] in de schadeperiode begroot op gemiddeld € 10.000,- per jaar, in totaal (36 maanden) op € 30.000,-. Wat de gevorderde buitengerechtelijke kosten betreft heeft de rechtbank het redelijk geacht om het gevorderde bedrag aan juridische bijstand toe te wijzen tot een bedrag van € 12.000.-. De gevorderde vergoeding van de kosten van de door [appellanten] ingeschakelde deskundige [persoon B] is volledig toewijsbaar geacht (€ 7.620.-). Voor toewijzing van de vordering van [appellanten] van € 2.025.- (vermogensschade geleden in de vorm van haar eigen tijdsinvestering) bestaat geen grond, aldus de rechtbank.</para>
          <para>De rechtbank heeft geconcludeerd dat, naast de gevorderde verklaring voor recht, als schadevergoeding een bedrag van € 49.620,- (€ 30.000,- + € 12.000,- + € 7.620.-) zal worden toegewezen. Tot slot heeft de rechtbank beslist over de toewijsbaarheid van de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wettelijke rente over € 30.000.- met ingang van 27 februari 2014 zal worden toegewezen en de wettelijke rente over de overige toegewezen bedragen met ingang van 27 november 2019. De rechtbank heeft het beroep op matiging van de wettelijke rente verworpen.</para>
          <para>De rechtbank heeft geen grond gezien om de provisionele vordering van [appellanten] toe te wijzen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.7.</nr>
        <para>Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank bij vonnis waarvan beroep van 13 december 2023, verkort weergegeven, voor recht verklaard dat de gemeente onrechtmatig jegens Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] , [persoon A] en [appellant sub 3] heeft gehandeld en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan [appellanten] te vergoeden alsmede de gemeente veroordeeld om ten titel van schadevergoeding aan [appellanten] te betalen het bedrag van € 49.620,- vermeerderd met wettelijke rente. Voorts is de gemeente in de proceskosten veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard door de rechtbank. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Geschil in hoger beroep</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>
          [appellanten] heeft in (principaal) hoger beroep elf grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd (zie hierna rov. 3.3.2). [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het toewijzen van haar vorderingen zoals vermeerderd in hoger beroep.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <parablock>
          <para>In hoger beroep heeft [appellanten] haar eis vermeerderd. De eisvermeerdering ziet op de volgende twee posten: compensatie rentederivaten ABN AMRO Bank (van in totaal € 38.997,-) en de aanvullende factuur [persoon B] van € 3.000,- (voor het als productie 92 door [appellanten] overgelegde rapport).</para>
          <para>Na eisvermeerdering vordert [appellanten] , verkort weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens [appellanten] en [persoon A] heeft gehandeld en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan [appellanten] te vergoeden en de gemeente te veroordelen om ten titel van schadevergoeding aan [appellanten] te voldoen, voor zover dat nog niet is betaald, het totaalbedrag ad € 577.550,50, vermeerderd met wettelijke rente, en een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met wettelijke rente, een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <para>De gemeente heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van [appellanten] Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>In incidenteel hoger beroep heeft de gemeente negen grieven aangevoerd. De gemeente heeft geconcludeerd tot vernietiging van ‘het vonnis in eerste aanleg’ (naar het hof begrijpt, gezien de grieven van de gemeente: zowel het vonnis van 6 april 2022 als het vonnis van 13 december 2023). Voorts heeft de gemeente geconcludeerd dat het hof [appellanten] niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen c.q. de vorderingen van [appellanten] afwijst, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Ook heeft de gemeente gevorderd dat [appellanten] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 65.835,56, dat de gemeente op basis van het vonnis in eerste aanleg (hof: het vonnis van 13 december 2023) aan [appellanten] heeft moeten betalen, inclusief wettelijke rente.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Plan van behandeling</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.1.</nr>
        <para>Met de grieven worden veel van de hiervoor in rov. 3.2.4 en 3.2.6 van dit arrest weergegeven overwegingen en beslissingen van de rechtbank bestreden. Deels gaan de grieven van [appellanten] en de gemeente over dezelfde onderwerpen. Het hof ziet hierin aanleiding de grieven niet afzonderlijk te behandelen, maar de zaak per onderwerp te bespreken. Het hof zal hierna de in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerpen aanduiden alsmede de volgorde aangeven waarin deze onderwerpen zullen worden besproken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.2.</nr>
        <para>Het eerste onderwerp laat zich samenvatten onder de noemer ‘partijperikelen’. Dit is het onderwerp van grief 2 van de gemeente. Daarna zal het hof ingaan op het verjaringsverweer van de gemeente (grief 1 van de gemeente). Vervolgens lenen de grieven 1 tot en met 4 van [appellanten] zich voor gezamenlijke behandeling. Deze gaan over onrechtmatigheid. Daarna komt het onderwerp ‘causaal verband’ aan de orde (grieven 3 en 4 van de gemeente). Grief 5 van [appellanten] en grief 6 van de gemeente hebben betrekking op de schadeperiode. Daarna komt het onderwerp ‘schadebegroting’ aan de orde. Hierop zien de grieven 6 tot en met 10 van [appellanten] en grief 5, 7, 8 en 9 van de gemeente. Hierbij zullen ook de posten van de eisvermeerdering van [appellanten] betrokken (compensatie rentederivaten ABN AMRO bank en aanvullende factuur [persoon B] ). Grief 11 van [appellanten] , tot slot, is een veeggrief die geen zelfstandige betekenis heeft en dus geen afzonderlijke bespreking behoeft.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Partijperikelen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>Naar aanleiding van grief 2 van de gemeente overweegt het hof allereerst dat de gemeente er terecht op heeft gewezen dat [appellant sub 2] , appellant sub 2, in 2022 is overleden, als gevolg waarvan hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hoger beroep. Uit de overgelegde akte blijkt dat [appellant sub 2] is overleden op 6 juni 2022, terwijl – gezien de dagvaarding in hoger beroep – op 11 maart 2024 mede namens hem hoger beroep is ingesteld. Het hof zal [appellant sub 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>Voorts stelt de gemeente zich bij grief 2 op het standpunt dat de V.O.F., appellante sub 1, niet-ontvankelijk is in het onderhavige hoger beroep. Dit standpunt deelt het hof niet. Niet in geschil tussen partijen is dat de V.O.F. ontbonden is en uitgeschreven is in het Handelsregister. Onomstreden is voorts dat [appellant sub 3] , Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F. na het overlijden van [appellant sub 2] heeft voortgezet als eenmanszaak Tuinhoutspecialist [XX] . Dat betekent evenwel niet dat de V.O.F. geen hoger beroep kon instellen. De gemeente heeft niet althans onvoldoende betwist dat de V.O.F. nog niet is vereffend.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <para>Verder is ook [appellant sub 3] ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep. Voorts is van belang dat [appellant sub 3] de enige (uiteindelijke) erfgenaam van [appellant sub 2] en [persoon A] is. Daarom kan hij zich ook beroepen op de uitspraak van 16 maart 2011 van de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.1.24). Bovendien heeft [appellanten] in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak van 31 oktober 2012 van de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.1.32) ter ondersteuning van haar betoog verwezen naar die uitspraak van 16 maart 2011 en heeft de ABRvS in hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd, aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het ontbreken van een aanduiding voor detailhandel voor het perceel aan de [adres B] , niet berust op een deugdelijke motivering. Op grond daarvan heeft de ABRvS geoordeeld dat het beroep van [appellanten] gegrond is en het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd (zie rov. 25.3 van de uitspraak van 31 oktober 2012). Bij de beoordeling van de andere grieven zal blijken in hoeverre de namens [appellant sub 3] ingestelde vorderingen toewijsbaar zijn. In aansluiting op het partijdebat, zal het hof appellanten bij die beoordeling gezamenlijk [appellanten] blijven noemen (hoewel hiervoor al is geoordeeld dat [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is in hoger beroep).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <para>De gemeente richt zich met deze grief ook tegen de beslissing van de rechtbank dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de V.O.F., [appellant sub 2] , [appellant sub 3] en [persoon A] . Voor zover de rechtbank voor recht heeft verklaard dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, acht het hof de grief in elk geval juist. [persoon A] was immers geen partij in eerste aanleg. Het hof zal de gevorderde verklaring voor recht voor zover deze [persoon A] betreft alsnog afwijzen (dit valt onder de afwijzing van het ‘meer of anders gevorderde’ in het dictum van dit arrest). Of de gevorderde verklaring voor recht voor het overige in stand kan blijven, zal blijken bij de beoordeling van de andere grieven.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Beroep op verjaring van de gemeente</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.1</nr>
        <para>Grief 1 houdt in dat de rechtbank in rov. 4.1 tot en met 4.5 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 tot het oordeel is gekomen dat het beroep op verjaring door de gemeente faalt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.2.</nr>
        <para>Tussen partijen staat niet ter discussie dat de inhoud van de brief van 10 februari 2014 (productie 64 bij de inleidende dagvaarding, hiervoor gedeeltelijk weergegeven in rov. 3.1.34) beslissend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van verjaring. De gemeente betwist niet dat de brief van 7 februari 2019 (productie 68 bij de inleidende dagvaarding) als stuitingshandeling kwalificeert. Dientengevolge moet worden beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, de inhoud van de brief van 10 februari 2014 als een stuitingshandeling dient te worden aangemerkt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.3.</nr>
        <para>Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 10 februari 2014 als een stuitingshandeling kwalificeert. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.3 en 4.4 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022. De rechtbank heeft daar de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over stuiting van verjaring door een schriftelijke mededeling weergegeven en toegepast op het voorliggende geval. Het hof acht deze overwegingen juist en maakt die tot de zijne. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.4.</nr>
        <para>Dit betekent dat de vordering voor zover die betrekking heeft op het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 (het door de gemeenteraad op 17 februari 2011 vastgestelde bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan buitengebied’) – dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, onrechtmatig is – niet is verjaard. Hieruit volgt dat de grief in zoverre faalt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.5.</nr>
        <parablock>
          <para>De gemeente heeft aangevoerd dat de rechtbank in ieder geval heeft miskend dat sprake is van gedeeltelijke verjaring van de door [appellanten] ingestelde vordering, te weten voor zover de vordering betrekking heeft op de brieven van 28 februari 2008 en 10 maart 2008, de handhavingsbesluiten van 29 mei 2008 en 19 december 2008, en de beweerdelijk door de gemeente opgelegde verplichting om de wijzigingsprocedure te doorlopen d.d.</para>
          <para>17 augustus 2009 en 11 september 2009.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.6.</nr>
        <para>Het hof constateert dat de gemeente in zoverre bij de grief geen belang heeft aangezien, zoals hierna – in rov. 3.7 – zal blijken, de gemeente gelijk heeft dat geen van de genoemde aan het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 voorafgaande besluiten en handelingen van de gemeente onrechtmatig is. Wegens gebrek aan belang zal het hof verder niet op het verjaringsverweer van de gemeente ingaan.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Onrechtmatigheid</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.1.</nr>
        <para>De grieven 1 tot en met 4 van [appellanten] , die gericht zijn tegen de beoordeling door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 van de door [appellanten] gestelde onrechtmatigheden, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.2.</nr>
        <para>Zoals hiervoor in rov. 3.2.4 is weergegeven, heeft de rechtbank vastgesteld dat het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 jegens [appellanten] onrechtmatig is. Voor het overige heeft de rechtbank de stellingen van [appellanten] dat de gemeente jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en beslist, verworpen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Allereerst heeft de rechtbank de stelling van [appellanten] dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste mededelingen te doen, verworpen. [appellanten] wenst dat het hof deze stelling in hoger beroep opnieuw beoordeelt. </para>
          <para>
            [appellanten] heeft daartoe aangevoerd dat niet juist waren de mededelingen van het college in de brieven van 28 februari 2008 en 10 maart 2008 (zie respectievelijk rov. 3.1.6 en 3.1.7 van dit arrest) dat detailhandel op het perceel [adres B] niet alleen niet is toegestaan, maar ook niet met een vrijstelling of wijziging (van het bestemmingsplan) zou kunnen worden toegestaan.</para>
          <para>In reactie hierop heeft de gemeente er onder meer op gewezen dat [appellanten] heeft nagelaten gemotiveerd aan te geven waarom zij door toedoen van de vermeende onjuiste informatie op het verkeerde been zou zijn gezet.</para>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof aan de orde gesteld waarin de onrechtmatigheid van genoemde mededelingen volgens [appellanten] is gelegen. Hierop heeft (de advocaat van) [appellanten] verwezen naar 4.2 van de inleidende dagvaarding.</para>
          <para>Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] de onderhavige stelling daarmee onvoldoende toegelicht. Daarnaast hebben, zoals de gemeente heeft opgemerkt, de brieven van 28 februari 2008 en 10 maart 2008 [appellanten] niet ervan weerhouden om detailhandel uit te oefenen op het perceel. Dat in 2008 detailhandel op het perceel is uitgeoefend, wordt door [appellanten] ook niet betwist. Daarmee ontbreekt het causaal verband tussen de genoemde mededelingen en de door [appellanten] gestelde schade.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] wil in hoger beroep alsnog ingang doen vinden dat eerdere besluiten van de gemeente dan het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 ook onrechtmatig waren. </para>
          <para>Volgens [appellanten] heeft de rechtbank miskend dat, kort gezegd, van meet af aan [appellanten] detailhandel had moeten worden toegestaan op het perceel. Omdat de situatie gelegaliseerd had moeten worden, had dus ook niet handhavend opgetreden mogen worden en is [appellanten] nodeloos aangezet om de procedure van artikel 3.6 Wro te doorlopen, aldus [appellanten] </para>
          <para>Het hof volgt [appellanten] hierin niet. Uitsluitend het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 is in de bestuursrechtelijke procedure onrechtmatig geoordeeld door de bestuursrechter. Dat geldt niet voor de eerdere besluiten waarop [appellanten] in deze civielrechtelijke procedure de aansprakelijkheid van de gemeente voor de door haar gestelde schade baseert, te weten de besluiten van 12 februari 2009 (rov. 3.1.22) en 25 februari 2010 (rov. 3.1.23). Gelet op de leer van de formele rechtskracht moet het hof als civiele rechter die besluiten thans voor rechtmatig houden (vgl. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, rov. 3.4). De gemeente kan in de onderhavige procedure dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor schade die volgens [appellanten] is veroorzaakt door deze besluiten.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.5.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] heeft bepleit dat een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht moet worden gemaakt op de grond dat de gemeente de onrechtmatigheid heeft erkend. </para>
          <para>Daartoe heeft [appellanten] aangevoerd dat tijdens de zitting van 5 januari 2011 bij de ABRvS de gemeenteraad van de gemeente [A] heeft erkend dat het gebruik bij Tuinhoutspecialist [XX] feitelijk niet afwijkt van dat van Tuincentrum [B] . Zij verwijst daarbij naar overweging 2.6 van de ABRvS in de uitspraak van 16 maart 2011 (zie productie 33 bij de inleidende dagvaarding).</para>
          <para>Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de tijdens die zitting door de procesgemachtigde van de gemeenteraad gedane uitlatingen geen uitzondering op de leer van de formele rechtskracht. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat in de overwegingen van de ABRvS waarnaar [appellanten] verwijst slechts is vermeld dat de raad desgevraagd <emphasis role="italic">niet heeft kunnen weerspreken</emphasis> (cursivering hof) dat het bedrijf op het perceel [adres C] een concurrent van het bedrijf van [XX] en [persoon A] is met vrijwel dezelfde bedrijfsactiviteiten. Van een (voldoende duidelijke) erkenning van de onrechtmatigheid van enig besluit is geen sprake.</para>
          <para>Voorts heeft [appellanten] verwezen naar de Nota zienswijzen van de gemeente [A] (zie rov. 3.1.33 van dit arrest). Ook daarin leest het hof, anders dan [appellanten] betoogt, geen (voldoende duidelijke) erkenning van de onrechtmatigheid van de besluiten van 12 februari 2009, 25 februari 2010 en 17 februari 2011.</para>
          <para>Hier komt bij dat de gemeente erop gewezen heeft dat, aangenomen dat sprake is van erkenning van de onrechtmatigheid, dit een posterieure erkenning is, welke niet kan leiden tot een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.6.</nr>
        <para>Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 tot en met 4 van [appellanten] falen. Het hof zal er in het navolgende van uitgaan dat uitsluitend het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 jegens [appellanten] onrechtmatig is. De vraag is vervolgens of er sprake is van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) met de door [appellanten] gestelde schade. Dit onderwerp zal het hof nu bespreken, in rov. 3.8.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Causaal verband</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.1.</nr>
        <para>Volgens de gemeente heeft de rechtbank in rov. 4.20 tot en met 4.22 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 ten onrechte geoordeeld dat een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 en de door [appellanten] gestelde vertragingsschade.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.2.</nr>
        <para>Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het hof af dat in een geval als het onderhavige beoordeeld moet worden hoe het bevoegd gezag zou hebben gehandeld of besloten op de peildatum van het onrechtmatige besluit indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen, veronderstellende dat het op dat moment wist van het gebrek dat aan het besluit kleefde, waarbij de peildatum is het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen en bij deze beoordeling dus moet worden uitgegaan van dat tijdstip. Het hof verwijst in het bijzonder naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, rov. 3.2. Zie ook de arresten van de Hoge Raad van 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:115, rov. 3.2.1, en 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1334, rov. 3.2.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.3.</nr>
        <para>De vraag is dus of de gemeente op 17 februari 2011 rechtmatig had kunnen beslissen om detailhandel niet toe te staan op het perceel en dat zij dit ook zou hebben gedaan. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Dat betekent dat het vereiste condicio sine qua non-verband aanwezig is. Aan de betwisting van dit causaal verband door de gemeente bij haar grief 3 gaat het hof dus voorbij. Ter motivering dient het volgende.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.4.</nr>
        <para>Volgens de gemeente kon zij op 17 februari 2011 niet rechtmatig detailhandel toestaan op het perceel omdat toen de Paraplunota gold. Het hof overweegt dat de Paraplunota beleidsregels (als bedoeld in artikel 4:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht) van de provincie Noord-Brabant behelzen. In de Paraplunota is vermeld dat tuincentra worden beschouwd als een bijzondere vorm van detailhandel, die specifiek bestemd moet worden. Weliswaar is in de Paraplunota opgenomen dat voor de vestiging van een tuincentrum geldt dat, gelet op het specifieke karakter en de grootschaligheid daarvan (veelal groter dan I ha), vestiging op een bedrijventerrein vanuit oogpunt van zuinig ruimtegebruik ongewenst is en vestiging in een kernrandzone de voorkeur verdient, maar naar het oordeel van het hof sluiten de beleidsregels in de Paraplunota niet uit dat een tuincentrum als bijzondere vorm van detailhandel wordt toegestaan in een landelijke omgeving. Het hof verwijst verder naar de formuleringen hieromtrent in de Paraplunota op blz. 34 en 35 (overgelegd bij productie 58 door [appellanten] ). In het licht daarvan, heeft de gemeente haar stelling dat op grond van de Paraplunota detailhandel op het perceel (in het geheel) niet was toegestaan onvoldoende toegelicht. Deze stelling passeert het hof daarom.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Voorts betoogt de gemeente dat zij op 17 februari 2011 niet detailhandel op het perceel zou hebben toegestaan omdat er ‘zeker discussie mogelijk’ is (memorie van de gemeente, randnummer 5.3.9) over de vraag of het tuincentrum op het perceel aan [adres C] en tuincentrum op het perceel aan [adres B] planologisch gezien hetzelfde zouden moeten worden behandeld.</para>
          <para>Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het perceel aan [adres C] vergelijkbare bedrijfsactiviteiten werden verricht als [appellanten] op het perceel aan [adres B] wilde verrichten.</para>
          <para>Voorts kan uit de uitlatingen zijdens de gemeente, in het bijzonder tijdens de zitting van 5 januari 2011 bij de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.7.5), worden afgeleid dat de voorafgaande aan haar besluit van 17 februari 2011 het relevante verschil in planologisch opzicht tussen het perceel aan [adres C] en het perceel aan [adres B] niet goed kon uitleggen. Het hof gaat er daarom van uit dat, nu de gemeente detailhandel in de vorm van een tuincentrum heeft toegestaan op het perceel aan [adres C] , zij dat op 17 februari 2011 ook op [adres B] zou hebben toegestaan als zij had geweten dat aan het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 op dit punt een motiveringsgebrek kleefde. Dit heeft zij ook in 2014 gedaan, bij haar besluit van 27 februari 2014 (zie hiervoor rov. 3.1.33). Uit de Nota zienswijzen volgt dat de gemeente dit besluit mede heeft gebaseerd op de overweging dat op het perceel aan [adres C] ook detailhandel in de vorm van een tuincentrum is toegestaan.</para>
          <para>Dat zij in de onderhavige procedure als verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling door [appellanten] thans het standpunt inneemt dat het perceel aan [adres C] en het perceel aan [adres B] geen gelijke gevallen betreffen, kan niet op zichzelf tot een ander oordeel leiden.</para>
          <para>Het vorenstaande brengt mee dat het onderhavige betoog faalt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.8.7.</nr>
        <parablock>
          <para>De gemeente heeft tot slot ook het standpunt ingenomen – bij haar grief 4 – dat het causaal verband in het geheel afwezig is aangezien de gemeente het vermoeden heeft dat het bedrijf van [appellanten] reeds in 2012 is verhuisd.</para>
          <para>De gemeente baseert dit standpunt op de volgens haar tegenstrijdige verklaringen van [appellanten] over het moment van verhuizing naar het nieuwe perceel (van [adres A] naar [adres B] ). Daarbij verwijst de gemeente naar het eerste rapport van [persoon B] d.d. 30 september 2019 (productie 77 bij de inleidende dagvaarding). Daarin stelt [persoon B] onder ‘feiten en omstandigheden’ dat het bedrijf in 2018 is verhuisd naar de nieuwe locatie. Op bladzijde 6 van hetzelfde rapport wordt echter aangegeven dat de afwaardering van de incourante voorraad in 2012 samenhangt met de verhuizing naar de nieuwe locatie. Daardoor acht de gemeente niet geloofwaardig dat de verhuizing in 2018 heeft plaatsgevonden. Ook verwijst de gemeente naar de facebookpagina ‘Tuinhoutspecialist [XX] ’ alsmede naar foto’s van het perceel aan [adres B] . Ook op basis daarvan rijst bij de gemeente het vermoeden dat het bedrijf reeds in 2012 is verhuisd.</para>
          <para>Het hof heeft dit punt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde gesteld. Vaststaat dat [appellanten] op 10 november 2007 het perceel aan [adres B] heeft gekocht (zie hiervoor rov. 3.1.1). Gelet op onder meer het zojuist genoemde rapport van [persoon B] gaat het hof ervan uit dat de nieuwe locatie aan [adres B] een woning, een showroom, een werkplaats en opslagruimte omvat. Uit de antwoorden van [appellant sub 3] op de vragen van het hof leidt het hof af dat hij in 2007 de werkplaats op de nieuwe locatie in gebruik heeft genomen, voor onder meer timmerwerkzaamheden. Ook is hij kort daarop in de woning op de locatie gaan wonen. Verder heeft hij magazijnstellingen waar het hout in komt te liggen verplaatst van [adres A] naar [adres B] . Ook heeft hij hout opgeslagen op de nieuwe locatie. [appellant sub 3] heeft desgevraagd ontkend dat hij vanuit de nieuwe locatie diensten verleende aan particulieren. Volgens hem is detailhandel op de nieuwe locatie nooit van de grond gekomen. Er heeft nooit winkelend publiek rondgelopen. Dit komt door gebrek aan financiële middelen. Het is [appellanten] dus nooit gelukt om een tuincentrum ‘weg te zetten’ op de locatie aan [adres B] zoals de bedoeling was met de aankoop van het perceel. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [appellant sub 3] op dit punt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep.</para>
          <para>Daarom gaat het hof voorbij aan het standpunt van de gemeente dat het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 in het geheel geen schade heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat ook grief 4 van de gemeente faalt.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Schadeperiode</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.1.</nr>
        <para>Met zowel grief 5 van [appellanten] als grief 6 van de gemeente wordt de bij de schadebegroting te hanteren schadeperiode aan de orde gesteld. Het hof stelt daarover het volgende vast.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Voor wat betreft de ingangsdatum van de schadeperiode verwijst [appellanten] naar haar grieven 1 tot en met 4. [appellanten] had begin 2008 detailhandel moeten kunnen uitoefenen op het perceel. Het jaar 2008 was dan het opstartjaar geweest. De schadeperiode gaat dan in op 1 januari 2009. Aldus – steeds – [appellanten]</para>
          <para>Aan dit standpunt gaat het hof voorbij. Zoals hiervoor is overwogen, falen de grieven 1 tot en met 4.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.3.</nr>
        <parablock>
          <para>De gemeente heeft naar voren gebracht dat uit het daadwerkelijk feitenverloop is gebleken dat [appellanten] haar verzoek op 11 maart 2011 (toestaan van detailhandel op het nieuwe perceel, aan [adres B] ) nog lang niet had uitgewerkt. Volgens de gemeente had [appellanten] daarom pas in het seizoen 2012 een aanvang kunnen maken met de uitoefening van detailhandel op het perceel.</para>
          <para>Naar het oordeel van het hof kan inderdaad worden aangenomen dat in de hypothetische situatie dat op 17 februari 2011 een rechtmatig besluit zou zijn genomen, [appellanten] medio april 2011 nog geen aanvang had kunnen maken met de uitoefening van detailhandel op het perceel. Er was in elk geval onvoldoende tijd geweest om voorbereidingen te treffen om in 2011 een tuincentrum te exploiteren op het perceel. Het hof gaat er daarom vanuit dat in de hypothetische situatie in 2011 geen sprake zou zijn van de exploitatie van een tuincentrum op het perceel.</para>
          <para>Het hof stelt daarom vast dat de schadeperiode aanvangt met het seizoen 2012. Dit vindt ook steun in de verklaringen van [appellant sub 3] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Hij heeft, gevraagd naar het opstartjaar, geantwoord dat het seizoen in maart begint, dus dat als je dan pas te horen krijgt dat je mag beginnen, je al te laat bent. Specifiek heeft het hof gevraagd: ‘Dus dat was in 2012 geweest?’. Hij heeft daarop geantwoord: ‘Ja. Aanloop van een jaar heb je wel nodig’.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.4.</nr>
        <para>Het vorenstaande is ook van betekenis voor de einddatum van de schadeperiode. In werkelijkheid is [appellanten] bij besluit van 27 februari 2014 toegestaan detailhandel uit te oefenen van het perceel. Toen was het seizoen 2014 feitelijk al verloren. Voorbereidingen om een tuincentrum te exploiteren in 2014 waren niet meer goed mogelijk. Dus geldt – in de werkelijke situatie – uiteindelijk 2015 als opstartjaar, zoals [appellanten] ook heeft gesteld. Van [appellanten] mocht niet worden verwacht dat zij eerder met de voorbereidingen, waaronder investeringen, was begonnen dan dat zij zeker wist dat detailhandel alsnog zou worden toegestaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.5.</nr>
        <para>Het hof zal bij de schadebegroting dan ook uitgaan van een schadeperiode van (seizoenen) 2012, 2013 en 2014. Daarmee komt het hof in het kader van de beoordeling van de onderhavige grieven op grond van de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verhandelde tot een andere schadeperiode dan de rechtbank. De rechtbank was gekomen tot een schadeperiode van begin april 2011 tot medio 2014 (rov. 4.25 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2023). In beide gevallen gaat het om (ongeveer) drie jaren, maar het hof gaat uit van seizoenen (met de nadruk – gelet op de aard van de bedrijfsuitoefening – op het voorjaar en de zomer) en de exacte data verschillen. Zoals hierna zal blijken (in rov. 3.10), is dat relevant voor de schadebegroting.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Schadebegroting</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.1.</nr>
        <para>Het hof zal nu overgaan tot de schadebegroting. Daarbij zullen de grieven 6 tot en met 10 van [appellanten] en grief 5, 7, 8 en 9 van de gemeente aan de orde komen, alsook de posten van de eisvermeerdering van [appellanten] (compensatie rentederivaten ABN AMRO bank en aanvullende factuur [persoon B] ).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.2.</nr>
        <para>Het hof stelt bij deze schadebegroting het volgende voorop. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade begroot op een wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, deze wordt geschat. Voorts geldt dat de schade steeds wordt vastgesteld door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (het feitelijke scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (het hypothetische scenario). Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (zie recent HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388). Tot slot rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op de benadeelde (artikel 150 Rv). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.3.</nr>
        <para>De door [appellanten] gestelde schade bestaat qua hoofdsom uit winstderving, hogere exploitatiekosten en buitengerechtelijke kosten. Met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 3.10.2 is vooropgesteld, zal het hof deze (deel)onderwerpen thans achtereenvolgens bespreken.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Winstderving</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.4.</nr>
        <para>Het hof acht het voldoende aannemelijk dat er sprake is van winstderving. [appellanten] heeft immers gedurende drie jaren – 2012, 2013 en 2014 – geen detailhandel in de vorm van een tuincentrum kunnen uitoefenen op het perceel. Die winstderving bestaat hoofdzakelijk uit het missen van verkopen aan particulieren, en voor een kleiner deel uit het missen van verkopen aan bedrijven (hoveniers en bouwbedrijven). De vraag is wat de omvang van die schade is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.5.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] heeft zich beroepen op de rapporten van haar partijdeskundige [persoon B] (producties 77, 87 en 92). Het als productie 77 overgelegde rapport d.d. 30 september 2019 betreft het initiële schaderapport van [persoon B] . Bij zijn schadeberekening is [persoon B] in dit rapport uitgegaan van een schadeperiode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2015. Daarvan uitgaande heeft [persoon B] de schade begroot op € 141.864,-.</para>
          <para>Nadat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 [appellanten] had opgedragen haar schade opnieuw te begroten en zich daarbij te beperken tot de periode tussen begin 2011 en medio april 2014, heeft [appellanten] een nader schaderapport overgelegd van [persoon B] . Dat is het als productie 87 overgelegde rapport d.d. 31 mei 2022. Daarin heeft [persoon B] het schadebedrag over de periode april 2011 en medio 2014 berekend op € 75.079,-.</para>
          <para>Bij het als productie 92 overgelegde rapport – de reactiebrief d.d. 13 juni 2024 – heeft [persoon B] de schadeberekening in zijn rapport d.d. 31 mei 2022 gehandhaafd en nader toegelicht. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.6.</nr>
        <para>Hiertegenover heeft de gemeente zich beroepen op de rapporten van Lengkeek, die in opdracht van Centraal Beheer Achmea – de verzekeraar van de gemeente – zijn opgemaakt, overgelegd als producties 8 en 9 van de gemeente. Lengkeek berekent de gederfde winst over de periode tussen begin 2011 en medio april 2014 op € 24.356,-.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.7.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof acht de rapporten van [persoon B] en Lengkeek deels bruikbaar voor de schadebegroting. Daarbij merkt het hof allereerst op dat zowel [persoon B] als Lengkeek uitgaat van de schadeperiode tussen begin 2011 en medio april 2014, terwijl – zoals het hof hiervoor in rov. 3.9 heeft vastgesteld – de relevante schadeperiode de jaren/seizoen 2012, 2013 en 2014 betreft.</para>
          <para>Voorts is voor de invulling van de hypothetische situatie in het bijzonder relevant wat de financieringsmogelijkheden waren van [appellanten] Mede op basis van het tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verhandelde, kan worden aangenomen dat die vrij beperkt waren. Met name gelet op de uitlatingen van [appellant sub 3] gaat het hof ervan uit dat [appellanten] in 2011 niet de middelen had om, beginnend in 2012, een compleet tuincentrum te exploiteren. Ook later was dit nimmer het geval. Hiervoor is al overwogen (in 3.8.7), dat het [appellanten] nooit is gelukt om een tuincentrum weg te zetten op de locatie aan [adres B] zoals de bedoeling was met de aankoop van het perceel.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.8.</nr>
        <para>Dat neemt niet weg dat als [appellanten] al in het seizoen 2012 wel detailhandel op en vanuit het perceel had kunnen uitoefenen, redelijkerwijs te verwachten was dat hij wel aan particulieren zou hebben verkocht. Hij had daar al zijn werkplaats, waar hij timmerwerkzaamheden verrichtte. Hij had dan op het perceel ook een winkel kunnen hebben. Wellicht had hij een deel van wat door partijen de ‘incourante voorraad’ wordt genoemd, in de winkel kunnen verkopen, al dan niet met korting. Althans had hij de opbrengst van die voorraad (inclusief van de showmodellen) kunnen investeren om nieuwe producten voor de tuin voor particulieren te vervaardigen en te verkopen, zoals tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest. Het hof verwijst ook naar hetgeen over de marktontwikkelingen in de tuinhoutbranche is vermeld in de rapporten van [persoon B] d.d. 30 september 2019 en 31 mei 2022, in het bijzonder dat er – na de financiële crisis – vanaf 2011 sprake is een stijgende omzet.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.9.</nr>
        <para>Gelet op de genoemde onzekerheden kan het hof de schade aan winstderving niet nauwkeurig vaststellen. Het hof zal daarom overgaan tot een grove schatting daarvan. Gelet op de door [persoon B] en Lengkeek in hun rapporten genoemde bedragen, ligt de schade in de orde van grootte van tienduizenden euro’s. In totaal acht het hof alles overwegende een schadevergoeding van € 45.000,- op zijn plaats. Er is daarbij geen voordeel van [appellanten] te verrekenen en evenmin is sprake van eigen schuld van [appellanten] Hetgeen de gemeente verder over winstderving heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In zoverre slagen de grieven van [appellanten]</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hogere exploitatiekosten</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.10.</nr>
        <para>Het hof acht het ook voldoende aannemelijk dat er sprake is van hogere exploitatiekosten. [appellanten] heeft immers in de schadeperiode exploitatiekosten gehad in verband met het aanhouden van twee locaties ( [adres B] en [adres A] ). [appellanten] bleef op de oude locatie om haar bedrijfsactiviteiten, waaronder de webshop, van daaruit te verrichten. Tegelijkertijd kon zij niet vanaf 2012 met detailhandel beginnen op de nieuwe locatie.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.11.</nr>
        <para>De schade die [appellanten] daardoor heeft geleden kan naar het oordeel van het hof aan de onrechtmatige besluitvorming van de gemeente worden toegerekend. Als [appellanten] vanaf 2012 met detailhandel op de locatie aan [adres B] had kunnen beginnen, had zij de locatie aan [adres A] kunnen verkopen of, zoals zij later heeft gedaan zoals [appellant sub 3] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard, verhuren. Het betreft vermogensschade die aldus in causaal verband als bedoeld in artikel 6:98 BW staat met het onrechtmatige vaststellingbesluit van 17 februari 2011. De norm die de gemeente heeft geschonden door de onrechtmatige besluitvorming, strekt ook ter bescherming van deze vermogensschade van [appellanten] Dat betekent dat ook voldaan is aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW. Dat [appellanten] het perceel reeds in 2007 heeft aangekocht, maakt het voorgaande niet anders.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.12.</nr>
        <para>Ook de schade aan hogere exploitatiekosten kan op basis van de verstrekte gegevens niet nauwkeurig worden vastgesteld, en moet dus worden geschat. De rechtbank heeft de in redelijkheid gemaakte kosten voor de Voltweg 7-9 begroot op gemiddeld € 10.000,- per jaar, in totaal (36 maanden) op € 30.000,-. In hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om de schade op een hoger dan wel lager bedrag te schatten. De stelling van [appellanten] dat zonder het onrechtmatig handelen van de gemeente een hypothecaire financiering voor de nieuwe locatie (in het geheel) niet nodig zou zijn geweest, is door de gemeente voldoende gemotiveerd betwist. Voorts leiden de rapporten van Lengkeek, waarop de gemeente in hoger beroep nogmaals heeft gewezen, evenmin tot een ander oordeel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat nu [appellanten] de locatie aan [adres A] heeft moeten aanhouden naast de locatie aan [adres A] , kan worden aangenomen dat er in de schadeperiode sprake is van dubbele lasten bestaande uit energiekosten en afschrijvingskosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.13.</nr>
        <para>Alles afwegende, verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank om wegens hogere exploitatiekosten een schadevergoeding van € 30.000,- toe te wijzen. De grieven van partijen die gericht zijn tegen deze beslissing van de rechtbank falen dus. Dat de rechtbank van een andere schadeperiode is uitgegaan (namelijk: tussen begin 2011 en medio april 2014) dan het hof doet (de jaren 2012, 2013 en 2014), doet daaraan niet af.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke kosten</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.14.</nr>
        <para>
          [appellanten] heeft ook een vergoeding van de gemeente gevorderd voor de buitengerechtelijke kosten die zij heeft gemaakt. Deze post bestaat uit kosten rechtsbijstand, expertisekosten en kosten wegens de eigen tijdsinvestering van [appellanten]</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.15.</nr>
        <para>Naar het oordeel van het hof komen de gevorderde kosten rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het gaat om kosten die [appellanten] heeft gemaakt in verband met de werkzaamheden van Haans Advocaten. Het hof verwijst naar de als productie 78, 80 en 81 bij de inleidende dagvaarding overgelegde facturen met urenspecificaties, over de periode 1 juni 2016 tot en met 17 december 2019. Uit de overgelegde facturen kan worden afgeleid dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht om te komen tot voldoening van de vordering buiten rechte. Dit zijn geen kosten die onder instructie van de zaak vallen en dus begrepen zijn de in artikel 241 Rv bedoelde proceskosten. Het hof maakt de overwegingen van de rechtbank in rov. 2.21 tot en met 2.24 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 dienaangaande tot de zijne, met dien verstande dat het hof een hoger bedrag aan schadevergoeding zal toewijzen dan de rechtbank heeft gedaan zodat ook een hoger bedrag aan kosten rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt. Mede gelet op het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding wegens gederfde winst (€ 45.000,-) en hogere exploitatiekosten (€ 30.000,-) van in totaal € 75.000,-, acht het hof een vergoeding van € 20.000,- redelijk. Het hof benadrukt dat [appellanten] deze kosten heeft moeten maken omdat de gemeente zich, zoals uit de onderhavige procedure blijkt, ten onrechte tegen aansprakelijkheid en schadeplichtigheid bleef verzetten. Dit bedrag zal het hof dan ook toewijzen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.16.</nr>
        <para>De post expertisekosten heeft betrekking op de kosten die [appellanten] heeft gemaakt voor het vaststellen van de omvang van de schade door [persoon B] . Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. [appellanten] heeft € 7.620,- excl. btw gevorderd voor het als productie 77 overgelegde rapport. Voorts vordert zij, gezien de eisvermeerdering in hoger beroep, € 3.000,- excl. btw voor het als productie 92 overgelegde rapport. [appellanten] heeft de betreffende facturen van [persoon B] overgelegd als respectievelijk producties 82 en 94. Het hof acht het zonder meer wel nuttig dat [appellanten] deze deskundige onderzoek heeft laten doen naar de omvang van haar schade. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de rapporten van [persoon B] evenwel niet volledig bruikbaar zijn voor het bepalen van de aan [appellanten] toekomende schadevergoeding. Het hof acht het redelijk om de onderhavige vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 7.500,-.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.17.</nr>
        <para>De kosten wegens de eigen tijdsinvestering van [appellanten] komen niet voor vergoeding in aanmerking. [appellanten] heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd en de gemeente heeft die ook gemotiveerd betwist. Voor toewijzing van deze vordering bestaat dus geen grond. De rechtbank heeft de vordering inzake buitengerechtelijke kosten in zoverre dus terecht afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.18.</nr>
        <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van (€ 20.000,- + € 7.500,- =) in totaal € 27.500,-. In zoverre slagen de grieven van [appellanten] , specifiek grief 9, en falen de grieven van de gemeente, specifiek grief 9, wat deze schadepost betreft.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Overig</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.19.</nr>
        <parablock>
          <para>De gemeente heeft op verschillende plaatsen in haar processtukken gesteld dat [appellanten] artikel 21 Rv heeft geschonden. Zij heeft dit gedaan in het kader van grief 4, waar het gaat om het moment van verhuizing door [appellanten] van de oude naar de nieuwe locatie, en in het kader van grief 5, waar zij stelt dat in het initiële schaderapport van [persoon B] d.d. 30 september 2019 bij het bepalen van de Ist-positie cijfers zijn gehanteerd die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. [appellanten] heeft over een en ander tekst en uitleg gegeven. Het hof overweegt dienaangaande dat niet gebleken is van het bewust verkeerd voorlichten van het hof door [appellanten] Het hof ziet geen aanleiding de gestelde schending van artikel 21 Rv op enigerlei wijze te sanctioneren.</para>
          <para>Het hof voegt hieraan toe dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep randnummer 8.2.4. van de memorie van grieven van [appellanten] aan de orde is geweest. [appellant sub 3] heeft op vragen van het hof verduidelijkt dat de omzetstijging vanaf 2012 is te verklaren door de toegenomen verkopen aan particulieren via de webshop vanaf de oude locatie. Ook op dit punt acht het hof zich, rekening houdend met deze verduidelijking van [appellant sub 3] , niet bewust verkeerd voorgelicht. Naar het hof begrijpt, is het standpunt van [appellanten] dat er vanaf 2012 vraag was bij particulieren naar de producten van [appellanten] en dat zij schade heeft geleden doordat zij niet reeds vanaf 2012 detailhandel in de vorm van een tuincentrum, met onder meer een (fysieke) winkel, heeft kunnen uitoefenen vanaf de nieuwe locatie. Zoals uit het voorgaande blijkt, volgt het hof [appellanten] in haar standpunt dat zij hierdoor winst heeft gederfd (zie onder rov. 3.10.8).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.20.</nr>
        <para>
          [appellanten] heeft haar eis vermeerderd met een bedrag van € 38.997,- terzake compensatie rentederivaten ABN AMRO Bank. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [persoon B] in zijn schaderapport van 30 september 2019 de van de ABN AMRO bank ontvangen compensatie van in totaal € 38.997,- voor gebruikte rentederivaten op basis van onjuiste advisering door die bank, ten onrechte op de schade in mindering heeft gebracht. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente, valt niet in te zien dat de schade die [appellanten] door de onjuiste advisering van de ABN AMRO bank heeft geleden voor rekening van de gemeente dient te komen. De vermeerderde eis van € 38.997,- zal dan ook worden afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.21.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellanten] heeft gegriefd tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Voor zover [appellanten] betoogt dat aan haar een hogere proceskostenveroordeling in eerste aanleg moet worden toegekend omdat de rechtbank een te laag bedrag aan schadevergoeding heeft toegekend, slaagt dit betoog gegeven de omstandigheid dat het hof een hoger bedrag aan schadevergoeding zal toekennen dan de rechtbank heeft gedaan (in hoger beroep in totaal (€ 45.000,- + € 30.000,- + € 27.500,- =) € 102.500,-). Voorts klaagt [appellanten] terecht dat haar door de rechtbank geen liquidatiepunt voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 4 oktober 2023 is toegekend. Zij heeft immers kosten hiervoor moeten maken, die nu de gemeente in eerste aanleg door de rechtbank – gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep: terecht – in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, voor rekening van de gemeente dienen te komen.</para>
          <para>Een en ander leidt ertoe dat het hof, in plaats van tarief IV (€ 1.183,- per punt) zoals de rechtbank heeft gedaan, voor de proceskostenveroordeling tarief V (€ 1.880,- per punt) zal hanteren. Verder zal één punt (van tarief V) voor genoemde mondelinge behandeling worden geliquideerd. Daarmee komt het hof aan te liquideren salaris advocaat in eerste aanleg tot een totaal van 3½ punten van € 1.880,- per punt = € 6.580,-, in plaats van in totaal 2½ punten van € 1.183,- = € 2.957,50 zoals de rechtbank (zie rov. 2.35 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023). Het hof zal het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 (ook) op dit punt vernietigen en de proceskostenveroordeling ten laste van de gemeente toewijzen zoals hierna in het dictum is vermeld.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.22.</nr>
        <para>Tot slot vordert [appellanten] wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het schadebedrag. Bij brief van 10 februari 2014 heeft [appellanten] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade (productie 64 bij de inleidende dagvaarding, hiervoor gedeeltelijk weergegeven in rov. 3.1.34). Uit het voorgaande volgt dat de schade is geleden over de periode 2012 tot en met 2014. De onderhavige vordering ter zake winstderving en hogere exploitatiekosten was derhalve opeisbaar per 1 januari 2015. Daarom zal het hof de wettelijke rente over de betreffende schadebedragen (€ 45.000,- + € 30.000,- = € 75.000,-) toewijzen met ingang van die datum. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank toewijsbaar geacht met ingang van 27 november 2019 (zie rov. 2.29 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023). Daartegen hebben partijen niet gegriefd, dus het hof zal daarvan ook uitgaan. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is er geen sprake van eigen schuld van [appellanten] en is er ook geen aanleiding voor matiging van de wettelijke rente op grond van artikel 6:106 BW.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Slotsom en afwikkeling</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.1.</nr>
        <para>Met het voorgaande zijn alle grieven besproken, behalve grief 11 van [appellanten] Zoals hiervoor is overwogen, is dit een veeggrief die geen zelfstandige betekenis heeft en dus geen afzonderlijke bespreking behoeft.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.2.</nr>
        <para>De slotsom is, kort gezegd, dat de gemeente inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij tot een hoger bedrag aan schadevergoeding zal worden veroordeeld dan in eerste aanleg. Ook is de gemeente terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld en dient zij daarvoor een hogere vergoeding aan [appellanten] te betalen dan de rechtbank heeft toegewezen. Hieruit volgt ook dat de terugbetalingsvordering van de gemeente (zie hiervoor rov. 3.3.4) niet toewijsbaar is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.3.</nr>
        <para>Op basis van de processtukken en de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verkregen inlichtingen van partijen heeft het hof de beslissingen kunnen nemen die het moet nemen in deze zaak. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Partijen hebben ook geen ter zake dienende en voldoende geconcretiseerde en gespecificeerde bewijsaanbiedingen gedaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.4.</nr>
        <para>Voor de duidelijkheid zal het hof de vonnissen waarvan beroep geheel vernietigen en de beslissingen in deze zaak in het dictum van dit arrest volledig weergeven. Voor zover de gemeente uitvoering heeft gegeven aan het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 door [appellanten] te betalen, hoeft zij uiteraard niet opnieuw te betalen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.5.</nr>
        <para>Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in principaal hoger beroep compenseren. Nu de gemeente niet of nauwelijks extra kosten heeft moeten maken in verband met het namens [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep, ziet het hof onvoldoende aanleiding om daarvoor separaat een bedrag aan proceskosten te liquideren.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.6.</nr>
        <para>In incidenteel hoger beroep heeft de gemeente als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te gelden. Zij heeft immers op het belangrijkste punt opnieuw ongelijk gekregen, namelijk of zij aansprakelijk is voor de door [appellanten] geleden schade. Het hof zal de gemeente als de overwegend in het ongelijk gestelde partij daarom in de proceskosten in incidenteel hoger beroep veroordelen, gevallen aan de zijde van Tuinhoutspecialist [XX] en [appellant sub 3] . Daarbij zal het hof mede gelet op het hoogte van de toegewezen schadevergoedingsvordering tarief V (€ 3.572,- per punt) hanteren. Daarmee komt het salaris advocaat op € 3.572,- (½ punt voor de memorie van antwoord in incidenteel appel en ½ punt voor de mondelinge behandeling in hoger beroep). Daarnaast worden de gevorderde nakosten toegewezen (€ 178,-, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. Totaal: (€ 3.572,- + € 178,- =)) € 3.750,-. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">op het principaal en incidenteel hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellant sub 2] niet-ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de vonnissen waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] heeft gehandeld en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan [appellanten] te vergoeden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ten titel van schadevergoeding aan [appellanten] te betalen het bedrag van € 102.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 75.000,- met ingang van 1 januari 2015 en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 27.500,- met ingang van 27 november 2019 tot de dag der algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de gemeente in de proceskosten in eerste aanleg zoals vermeld in het dictum van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 (rov. 3.3 en 3.4), met dien verstande dat het salaris advocaat wordt begroot op € 6.580,-, in plaats van € 2.957,50, zoals hiervoor is overwogen in rov. 3.10.21;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in principaal hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep gevallen aan de zijde van Tuinhoutspecialist [XX] en [appellant sub 3] ten bedrage van € 3.750,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van het incidenteel hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, F.C. Alink-Steinberg en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>