<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T15:12:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001666-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3482">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T12:12:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3482 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 03-12-2025 / 20-001666-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3482:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof heeft de verdachte ter zake van 'witwassen' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van het voorarrest.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3482:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-001666-25 </para>
  <para>Uitspraak	: 3 december 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 juni 2025, parketnummer 02-018457-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 15-336270-23, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de politierechter het inbeslaggenomen geldbedrag van € 27.470,00 verbeurdverklaard. De politierechter heeft de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak onder parketnummer 15-336270-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 17 januari 2025, te Breda, althans in Nederland, (van) een voorwerp, te weten een hoeveelheid (contant) geld van (in totaal) 27.470 euro, althans enig geldbedrag, </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren, en/of </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had en/of </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gebruik heeft gemaakt </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat hoeveelheid (contant) geld, althans voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op 17 januari 2025 in Nederland een hoeveelheid (contant) geld van (in totaal) 27.470 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die hoeveelheid (contant) geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsoverwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de </para>
      <para>feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader witwassen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Flixbus, waarvan de verdachte inzittende was, op 17 januari 2025 door de Koninklijke Marechaussee werd gecontroleerd tijdens een controlelocatie op de parkeerplaats [locatie] . De verdachte werd gecontroleerd en in zijn rugzak werd een bruine papieren zak aangetroffen waarin 3 stapels contant geld zaten. De 3 stapels geld hadden een totaalbedrag van € 27.470,00. Het aantreffen van een groot contant geldbedrag, de wijze waarop het geld door de verdachte werd vervoerd en de omstandigheid dat de verdachte geen aangifte heeft gedaan van dit geldbedrag bij het overgaan van de grens, zijn omstandigheden op grond waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is het aan de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de (legale) herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag. De verdachte is daar naar het oordeel van het hof niet in geslaagd. De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij samen met zijn neef een foodtruck wilde beginnen en dat hij het geldbedrag heeft opgehaald bij een hem onbekende man in [plaats] in [land 1] , waarvan hij het precieze adres niet kan herinneren. Daarbij kan verdachte ook de contacten met zijn neef, wonend in [land 2] , over de aankoop van een foodtruck en het geld dat zijn neef daarvoor beschikbaar zou stellen niet aantonen. De berichten daarover zoals deze in zijn telefoon zouden staan, ontbreken. Ten overstaan van de politierechter heeft de verdachte zijn eerdere verklaring gehandhaafd en daar heeft hij aan toegevoegd dat het in zijn cultuur gangbaar is dat grote contante geldbedragen in Frankrijk, België of Nederland worden opgehaald. Ook nadere informatie die verdachte aan zijn neef zou hebben gevraagd, is door de verdachte niet ontvangen. De verdachte heeft daardoor zijn verklaring voor de herkomst van het bij hem aangetroffen geld niet voldoende concreet en ook niet verifieerbaar gemaakt. Het hof is dientengevolge van oordeel dat de verklaring die de verdachte geeft omtrent het aangetroffen geldbedrag op grond van het bovenstaande niet kan worden aangemerkt als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het hof betrekt het uitblijven van een concrete, verifieerbare verklaring omtrent de (mogelijk legale) herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag in zijn overwegingen over het bewijs, hetgeen leidt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>witwassen.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen sanctie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd en heeft bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar om het equivalent daarvan op te leggen in de vorm van een taakstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 27.470,00. Door dergelijke feiten worden criminele verdiensten afgedekt en komen van misdrijf afkomstige gelden in de economie terecht, waardoor personen en bedrijven die wel op een legale wijze handelen worden gedupeerd. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte werkzaam is als kok en woonachtig is in een huurwoning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan door de raadsman van de verdachte is bepleit, kan naar het oordeel van het hof – gelet op de aard en ernst van het feit – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In de ter terechtzitting aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen redenen om hiervan af te zien en over te gaan tot oplegging van een werkstraf als door de verdediging is bepleit. Met de advocaat-generaal acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de verbeurdverklaring gelasten van het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, nu het bewezenverklaarde feit met betrekking tot dit geldbedrag is begaan, een en ander als bedoeld in artikel 33 en 33a Sr. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering tenuitvoerlegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie te Zeeland-West-Brabant heeft op 18 januari 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp van 4 januari 2024 onder parketnummer 15-336270-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de advocaat-generaal is gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging, overeenkomstig het vonnis van de politierechter, zal worden toegewezen. De raadsman van de verdachte heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is met betrekking tot de vordering van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is. Dat het een andersoortig feit betreft, zoals door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, doet daar niet aan af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">6 (zes) weken</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">verklaart verbeurd</emphasis> het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:</para>
      <para>27.470,00 EUR (PL2700-25-004959-4);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 januari 2025, parketnummer 15-336270-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. A.R. Hartmann, voorzitter,</para>
      <para>mr. M.M. Koevoets en mr. M. van der Horst, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,</para>
      <para>en op 3 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>