<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-13T11:26:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001491-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2022:5201" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:5201, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3454">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-13T11:20:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3454 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-08-2025 / 20-001491-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3454:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verdachte heeft een rol gehad binnen een criminele organisatie die zich op professionele wijze bezig hield met de (internationale) handel in en productie van (synthetische) drugs. De verdachte heeft binnen deze groep een onmisbare rol gespeeld. Hij heeft zijn terrein beschikbaar gesteld voor de opslag van grote hoeveelheden drugsgerelateerde zaken en toegang tot een andere locatie met eenzelfde doel geregeld. Daarnaast is de verdachte tweemaal met grote partijen hasjiesj vanuit Tsjechië naar Nederland gereden. Om buiten het zicht van de autoriteiten te blijven communiceerde de verdachte met zijn medeverdachten via cryptotelefoons. Het motief dat uit het dossier naar voren komt is ‘snel veel geld verdienen’. </para>
      <para />
      <para>Crypto-verweren m.b.t. (onrechtmatigheid interceptie, verwerking onderschepte data, betrouwbaarheid data) EncroChat, SkyEcc en ANØM verworpen. Interceptie buiten JIT, overdracht data binnen JIT. (Interstatelijk/internationaal) vertrouwensbeginsel van toepassing. Notificatieplicht artikel 31 EOB-richtlijn niet van toepassing. Naast waarborgen soevereiniteit in kennis gestelde staat moet beschermingsniveau geïntercepteerde gebruiker worden geëerbiedigd. Verdachte komt hierop in individuele strafzaak geen beroep toe. Geen schending EVRM en Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Geen gebrek aan rechtsbescherming. Gelegenheid geweest voor toetsen crypto-data en geven van effectief commentaar door mogelijke inzage in Hansken. Geen vormverzuim. Geen bewijsuitsluiting. Identificatie gebruikers crypto-data. Hoewel geen beslag volgt bewezenverklaring cocaïne en ketamine op basis van crypto-data en overig bewijs. Vonnis vernietigd. Gevangenisstraf 6 jaren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3454:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer	: 20-001491-23 </para>
      <para>Uitspraak	: 22 augustus 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>TEGENSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">’s-Hertogenbosch </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 71-319034-21 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1984,</para>
      <para>wonende te [adres 1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit dat de periode van de feiten 2 en 4 wordt ingekort tot 6 december 2020. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de verdediging zich heeft aangesloten bij de verweren en voorwaardelijke verzoeken die in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gevoerd ten aanzien van het gebruik van crypto-data, beschouwt het hof die verweren als ook integraal in deze zaak te zijn gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beschermde vrijspraken in verband met cumulatief tenlastegelegde feiten?. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof komt ambtshalve, mede in respons op verweren die in zaken van medeverdachten zijn gevoerd, tot navolgende overwegingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd: gedragingen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (hierna harddrugs), voor te bereiden door een of meer anderen (trachten) te bewegen tot het (doen) plegen, medeplegen, uitlokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of zichzelf en/of een ander daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of daartoe voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of geld/betaalmiddelen voorhanden te hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feitelijke gedragingen zijn vervolgens omschreven in verschillende liggende streepjes die samen de verweten – en in geval van bewezenverklaring – nader te kwalificeren voorbereidingshandelingen vormen. Deze feitelijke gedragingen liggen (vaak) in elkaars verlengde. Hierin is onder andere opgenomen het voorhanden hebben van meerdere cryptotelefoons en het – kort gezegd – daarmee feit gerelateerd communiceren via deze cryptotelefoons.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook maakt onderdeel uit van die verfeitelijking -hieronder verkort weergegeven- het volgende. Het regelen/huren/gebruiken en/of bezoeken van nader geduide (stash)locaties in Eersel en/of Bladel en/of aldaar handelingen verrichten en in dat verband het op een en/of beide locaties voorhanden hebben van nader geduide grondstoffen/chemicaliën en/of hardware geschikt voor de productie van harddrugs. Voorts het (trachten te (laten)) regelen en/of aansturen van drugslaboranten/vervoerders van harddrugs/(pre)precursoren en/of nader geduide drugslabs en/of het spreken over de inrichting van die labs en/of het aankopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/(laten) vervoeren en/of maken van chemicaliën, grondstoffen en/of hardware voor harddrugsproductie en/of het uiten van het concrete voornemen daartoe. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof worden door deze wijze van ten laste leggen de afzonderlijke liggende streepjes geen afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Hierdoor is er geen sprake van een of meer (cumulatief tenlastegelegde) gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van beschermde vrijspraken op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 2 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eindhoven en/of Eersel en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of (elders) in Europa heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of een of meer overige personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eersel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meerdere locaties, te weten [adres 1] / [adres 2] en/of [adres 3] , geregeld en/of gehuurd en/of gebruikt en/of bezocht en/of aldaar handelingen verricht en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- te [adres 1] / [adres 2] voorhanden gehad 65 liter methanol en/of 53 liter aceton en/of 775 (25+255+495) liter zoutzuur en/of 415 (225+15+175) kilo wijnsteenzuur en/of 20 kilo natriumbicarbonaat en/of 20 kilo tolueen acid en/of 3200 kilo propiofenon en/of 950 (150+800) liter dichloormethaan en/of 100 liter ethyleenglycol en/of 30 kilo 2-methyl-propionitril en/of 200 liter methylacrylaat en/of 200 liter natrium tert-butoxide en/of 220 liter isopropanol en/of 720 liter 2-fenylpropanol en/of 30 kilo APAA en/of 250 gram methylamine en/of 50 liter tolueen en/of 110 liter hexaan, althans een of meerdere hoeveelheden van een of meerdere chemicaliën en/of stoffen, en/of een of meerdere bakken en/of frames en/of pompen en/of watergascilinders en/of stikstofgascilinders en/of RVS-(reactie)ketels en/of laboratoriumglas en/of (reactie)vaten en/of een droogkast en/of een ammoniakgascilinder en/of een stoomgenerator en/of een krat met klein laboratoriummateriaal zoals maatbakers, pannen, crushers en inductieplaatjes en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- te [adres 3] voorhanden gehad 600 liter aceton en/of 50 gram van een stof bevattende de methylester van PMK-glycidezuur en/of 123 liter BMK en/of een hoeveelheid 2-broompropiofenon, althans een of meerdere hoeveelheden van een of meerdere chemicaliën en/of stoffen, en/of een meerdere (reactie)ketels en/of drums en/of brander steunen en/of meters en/of destillatieaansluitingen en/of waterstofgasflessen en/of vaten en/of gasbranders en/of jerrycans en/of weegschalen en/of vrieskisten en/of emmers en/of speciekuipen en/of een roermotor en/of een frequentieregelaar en/of een vacuumsealapparaat en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meerdere zogenoemde cryptotelefoon(s) voorhanden gehad en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- (via deze cryptotelefoon(s)) met een of meer anderen (uitgebreid) (op overige wijze) gecommuniceerd over de (overige) productie en/of aankoop en/of verkoop en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of(pre-)precursoren daarvan en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meer laborant(en) en/of (overige) perso(o)n(en) voor de productie en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan geregeld en/of aangestuurd en/of laten regelen en/of laten aansturen, althans getracht te (laten) regelen en/of aansturen, en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- gesproken over de inrichting van (een) productielocatie(s) en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meer productielocaties en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I geregeld en/of laten regelen, althans getracht te (laten) regelen, en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een of meer (overige) hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of het concrete voornemen tot die/dat aankoop en/of verkoop en/of bestelling en/of voorhanden hebben en/of regelen en/of vervoer geuit;</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 juni 2021 te Eersel en/of Oostzaan, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Tsjechië en/of (elders) in Europa, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 840 kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eersel en/of Bladel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine en/of MDMA, te weten </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- MDMA in een sterk zuur mengsel van aceton en water (20 liter) en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetamine in zure waterige vloeistof (1,5 liter) en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetaminebase (780 liter) en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetamine in ethanol (640 liter), in elk geval een of meerdere hoeveelheden van een of meer materialen bevattende MDMA en/of metamfetamine, en/of, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of metamfetamine, zijnde (telkens) metamfetamine en/of MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof leest hiervoor onder feit 3 waar het verwijt begint met dat “hij op een of meer <emphasis role="bold underline">plaatsen</emphasis> in of omstreeks (…)” verbeterd als “dat hij op een of meer <emphasis role="bold underline">tijdstippen</emphasis> in of omstreeks (…)”, nu hier naar het oordeel van het hof evident sprake is van een kennelijke schrijffout. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet alleen is de algemeen bekende en gebruikelijke wijze van ten laste leggen dat een verwijt start met de pleegdatum/-data/-periode, gevolgd door de pleegplaats(en), maar ook uit de opsomming van concrete pleegplaatsen na de pleegperiode blijkt naar het oordeel van het hof dat de steller van de tenlastelegging zich overduidelijk moet hebben vergist. Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Europa heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 Opiumwet;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2.</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen), althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hebbende verdachte en verdachtes mededaders </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- meerdere locaties, te weten [adres 1] / [adres 2] en [adres 3] , geregeld en/of gehuurd en/of gebruikt en/of bezocht en/of aldaar handelingen verricht en/of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- te [adres 1] / [adres 2] voorhanden gehad 65 liter methanol en 53 liter aceton en 775 (25+255+495) liter zoutzuur en 415 (225+15+175) kilo wijnsteenzuur en 20 kilo natriumbicarbonaat en 20 kilo tolueen acid en/of 3200 kilo propiofenon en 950 (150+800) liter dichloormethaan en 100 liter ethyleenglycol en 30 kilo 2-methyl-propionitril en 200 liter methylacrylaat en 200 liter natrium tert-butoxide en/of 220 liter isopropanol en 720 liter 2-fenylpropanol en/of 30 kilo APAA en/of 250 gram methylamine en 50 liter tolueen en 110 liter hexaan en meerdere bakken en frames en pompen en en stikstofgascilinders en RVS-(reactie)ketels en laboratoriumglas en (reactie)vaten en een droogkast en een ammoniakgascilinder en een stoomgenerator en een krat met klein laboratoriummateriaal zoals maatbakers, pannen, crushers en inductieplaatjes enf </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- te [adres 3] voorhanden gehad 600 liter aceton en 50 gram van een stof bevattende de methylester van PMK-glycidezuur en 123 liter BMK en een hoeveelheid 2-broompropiofenon en meerdere (reactie)ketels en drums en brandersteunen en meters en destillatieaansluitingen en waterstofgasflessen en vaten en gasbranders en jerrycans en weegschalen en vrieskisten en emmers en speciekuipen en een roermotor en een frequentieregelaar en een vacuümsealapparaat en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- meerdere zogenoemde cryptotelefoons voorhanden gehad en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- (via deze cryptotelefoons met een of meer anderen gecommuniceerd over het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- chemicaliën en grondstoffen en hardware ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) voorhanden gehad en/of vervoerd en/of laten vervoeren;</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de periode van 23 februari 2021 tot en met 3 maart 2021 in Europa tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 840 kilo van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">op 30 november 2021 te Eersel tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine en MDMA, te weten</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- MDMA in een sterk zuur mengsel van aceton en water (20 liter) en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetamine in zure waterige vloeistof (1,5 liter) en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetaminebase (780 liter) en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- metamfetamine in ethanol (640 liter),</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">zijnde metamfetamine en MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal in zijn bewijsoverwegingen hierna de verdachte steeds bij zijn achternaam noemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.</para>
      <para>Het strafrechtelijk opsporingsonderzoek ‘26Alston’ is gestart op 28 oktober 2020. De aanleiding kwam er in de kern op neer dat de verdenking bestond dat [medeverdachte 1] (hierna steeds [medeverdachte 1] ) zich zou bezighouden met de productie van synthetische drugs, meer in het bijzonder ‘ice’ (straattaal voor metamfetamine ‘Crystal Meth’), en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. Die verdenking kwam voort uit informatie van de politie-eenheid Team Criminele Inlichtingen, aangevuld met onderschepte cryptodata. Met cryptodata wordt hier – kort gezegd – bedoeld versleutelde/vercijferde communicatie in de vorm van chats, tekstberichten, afbeeldingen, spraakberichten of notities al dan niet met behulp van speciale daarvoor uitgeruste mobiele (zogenoemde ‘ pgp ’-)telefoons afkomstig van of gestuurd naar pgp -accounts, waarbij de afkorting steeds staat voor ‘pretty good privacy’.<footnote-ref linkend="_f047c9f4-1b45-4bd9-9c12-b02abc092863" /> Communicatie, die plaatsvindt via een van de crypto-berichtendiensten door speciale aanbieders tussen gebruikers van versleutelde gecodeerde communicatiediensten en die door buitenstaanders niet kan worden gelezen, tenzij ontsleuteld/ontcijferd. Uit informatie van de politie in het onderhavige dossier leidt het hof af dat in het algemeen kan worden gesteld dat crypto-telefoons dan wel crypto-applicaties nagenoeg louter en alleen bestemd zijn voor gebruik in het criminele circuit. Bij die vooronderstelling betrekt de politie bevindingen als de volgende. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties worden bewust zo ingericht om het de opsporingsdiensten moeilijk te maken om gebruikers te identificeren. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties zijn bewust gericht op de criminele gebruikersmarkt vanuit het in die markt levende vertrouwen dat de gedeelde informatie niet bekend wordt bij opsporingsdiensten door het risico op afluisteren en onderscheppen van berichten te minimaliseren. Uit vergaarde versleutelde data in voorgaande onderzoeken naar vergelijkbare aanbieders (als de onderhavige hierna te bespreken aanbieders) bleek dat via die aangeboden communicatiediensten inderdaad openlijk werd gecommuniceerd over gepleegde of te plegen strafbare feiten. Bij meerdere strafrechtelijke onderzoeken naar aanbieders van versleutelde communicatiediensten zijn dan ook, buiten een enkele geheimhouder, geen niet-criminele gebruikers geïdentificeerd. In een groot aantal Nederlandse onderzoeken naar zware criminaliteit zijn telefoons met een crypto-applicatie naar voren gekomen, waaronder in het onderhavige. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">EncroChat</emphasis>
      </para>
      <para>Die verdenking jegens [medeverdachte 1] werd mede gebaseerd op crypto-data die binnen het reeds voordien lopende onderzoek ‘26Lemont’ werden verkregen. Dat onderzoek richtte zich – kort samengevat – op Encro c.s. (met onder meer de handelsnaam ‘ Encrochat ’), een in Frankrijk gevestigd bedrijf dat zich had gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde berichtendiensten, en de gebruikers van die diensten die via wereldwijd door tussenkomst van resellers verworven Encro -telefoons zich strafbaar zouden maken aan diverse vormen van georganiseerde criminaliteit. Door de inzet van een interceptietool werd live informatie verzameld en na ontsleuteling van de onderschepte informatie werd bekend dat veel Nederlandse criminelen gebruik maakten van de EncroChat -berichtenservice (hierna ook afgekort weergegeven als EncroChat ). Het ging om grote hoeveelheden chatberichten tussen EncroChat -gebruikers en telecom-locatiegegevens van EncroChat -gebruikers. Uit de verkregen chatberichten kwamen zogenoemde nicknames naar voren die gebruikers van Encrochat elkaar gaven. De politie legt dit begrip als volgt uit: een nickname of kortweg nick is (meestal) een (zelf gekozen) bijnaam. Het is vaak een korte, slim gekozen, grappige, schattige, beledigende of anderszins alternatieve naam. Bij EncroChat wordt een contact weergegeven onder zijn EncroChat -naam. Daaraan kan door de tegenpartij een nickname worden gekoppeld, die alleen te zien is voor die tegenpartij.<footnote-ref linkend="_ff420850-1c00-4195-97b2-3ae08ee6f1ea" /> Identificatie van een van de EncroChat -gebruikers leidde tot een verdenking tegen [medeverdachte 1] en na analyse van de aan hem toegeschreven ontsleutelde chatberichten ontstond het vermoeden dat hij leiding gaf aan een crimineel samenwerkingsverband (CSV) dat zich op grote schaal schuldig maakte aan productie van synthetische drugs, de handel in grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en de internationale handel in verdovende middelen, waaronder (met)amfetamine, MDMA, cocaïne en hasjiesj. Tijdens het onderzoek ‘26Alston’ ontstond tevens het vermoeden dat [medeverdachte 1] veel geld had verdiend met de handel in verdovende middelen. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Sky-ECC</emphasis>
      </para>
      <para>Op 11 december 2020 startte het onderzoek ‘26Argus’, voortkomend uit onderzoek ‘Werl’ (startdatum 1 november 2019) dat was gericht op de verdenking tegen SkyECC , een in Frankrijk gevestigd bedrijf gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde communicatie. Ook in Frankrijk, waar een interceptietool was ingezet die data van SkyECC -toestellen verzamelde, en in België liepen onderzoeken naar dit bedrijf. De Franse autoriteiten deelden de onderzoeksbevindingen (metadata van de crypto-toestellen) met de Nederlandse autoriteiten. Nadat duidelijk werd dat ontsleuteling van het berichtenverkeer technisch mogelijk leek en wederom het vermoeden was ontstaan dat de gebruikers van deze diensten zich – kort gezegd – bezighielden met georganiseerde (zware) criminaliteit, ging het onderzoek ‘26Argus’ van start, dat zich daarbij richtte op de gebruikers van de crypto-diensten van SkyECC . Zo kwamen lopende het onderzoek ‘26Alston’ naast [medeverdachte 1] ook overige verdachten als deelnemers van een door [medeverdachte 1] geleid CSV (over de periode 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021) in beeld, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 12] . SkyECC maakte gebruik van een speciale reseller-constructie, waarbij crypto-telefoons anoniem en alleen tegen contante betaling werden verhandeld. Uit de onderschepte SkyECC -data werd onder meer de volgende informatie verkregen: SkyECC -ID’s (een per account toegewezen code die bestond uit 6 karakters van cijfers en letters) van gebruikers inclusief zelfgekozen nicknames, IMEI- en simkaartnummers, de resellers (de verkopers van de telefoon(s)-/abonnementen), metadata van berichten (waaronder welke gebruiker naar welke gebruiker, wanneer verzonden/ontvangen/gelezen), de contacten van de SkyECC -ID’s en de contactmomenten.<footnote-ref linkend="_43ee7d09-dc38-4ffa-9364-0fbd55cc5961" /> De SkyECC -chat-ID, de zes-karakters-tellende code kon niet worden gewijzigd door de gebruiker van de SkyECC -telefoon. Toevoegen van contacten (louter een ander SkyECC -ID) aan het adresboek kon alleen door eerst een uitnodiging te sturen, waarna de ontvanger expliciet toestemming moest geven om te worden toegevoegd aan het adresboek, waarna pas kon worden gechat. Nadat een contact was toegevoegd, kon de gebruiker de naam van zijn contact wijzigen, maar dat was alleen zichtbaar voor de gebruiker van de telefoon. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ANØM</emphasis>
      </para>
      <para>Voorts werd, lopende het onderzoek ’26Alston’, aanvullende informatie verkregen in de vorm van crypto-data uit het nadien gestarte strafrechtelijke opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ (start: 26 maart 2021), betreffende onderzoek naar het (de) CSV(’s) dat (die) zich met gebruikmaking van de ANØM -berichtendienst (hierna ook afgekort weergegeven als ANØM ) schuldig maakte(n) aan het beramen of plegen van zware misdrijven. Dit onderzoek is opgestart nadat door de Amerikaanse autoriteiten in Nederland crypto-telefoons waren gelokaliseerd waarvan de Nederlandse gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten. In dit onderzoek, gericht op crypto-communicatie en de identificatie van accounts c.q. gebruikers hiervan, bleek de betrokkenheid van ANØM -gebruikers waaronder [medeverdachte 1] en vond de verdenking jegens hem bevestiging als deelnemer van ANØM .</para>
      <para>Op basis van de geanalyseerde berichten voortkomend uit voormelde onderzoeken richtten de verdenkingen zich in het bijzonder op een CSV dat zich structureel bezig hield met – samengevat weergegeven – de productie van/handel in (synthetische) drugs, voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van/handel in synthetische drugs en daarmee gepaard gaande betalingen. Een en ander resulteerde in concrete verdenkingen die door de politie zijn vastgelegd in twaalf zaaksdossiers van het politieonderzoek 26Alston, waarbij moet worden opgemerkt dat de betrokkenheid bij die verdenkingen niet voor iedere geïdentificeerde verdachte dezelfde was. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bewijsuitsluiting van EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich op de gronden als verwoord in de pleitnota van [advocaat 1] in de zaak van [medeverdachte 1] primair op het standpunt gesteld dat de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data dienen te worden uitgesloten van het bewijs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal bij de bespreking van deze verweren nader ingaan op hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, maar in de kern genomen komen deze verweren erop neer dat de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data onrechtmatig zijn verkregen en verwerkt en dat die data onbetrouwbaar zijn. Daarbij stelt de verdediging zich op het standpunt dat zowel de rechtmatigheid van de verkrijging en de verwerking van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data als de betrouwbaarheid van die data door de Nederlandse rechter naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Verder is in de visie van de verdediging (vooralsnog) sprake van een gebrek aan rechtsbescherming .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien het hof deze verweren niet volgt, acht de verdediging het noodzakelijk dat het hof zich eerst door het Openbaar Ministerie nader laat informeren over de navolgende vragen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>Of de interceptie van de EncroChat -data binnen of buiten het JIT heeft plaatsgevonden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wat het belang van de Franse autoriteiten was voor de verkrijging van de EncroChat -data van de gebruikers in Nederland;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wat het belang van de Franse autoriteiten was voor de verkrijging van de SkyECC -data van de gebruikers in Nederland;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Of is onderzocht en zo ja, of het mogelijk was, om de interceptietool in verband met EncroChat gericht toe te passen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Of is onderzocht en zo ja, of het mogelijk was, om de MITM-tool in verband met SkyECC gericht toe te passen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Of de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verantwoordelijkheid voor de interceptie en verwerking van de ANØM -data erkennen en zo niet, waarom niet;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Of er rechterlijk toezicht is geweest door het derde land bij de interceptie en verwerking van de ANØM -data;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wat het doel van het derde land was met de interceptie en verwerking van de ANØM -data;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Wat de exacte inhoud van de betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten binnen ‘ Operation Trojan Shield / Greenlight ’ was;</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>i. In welke periode die betrokkenheid heeft plaatsgevonden;</para>
      <para>ii. Wie verantwoordelijk was voor de verwerkingshandelingen door de Nederlandse ambtenaren van de ANØM -data;</para>
      <para>iii. Of die verwerkingshandelingen de data betroffen die in onderhavige zaak zijn verwerkt;</para>
      <para>iv. Of er rechterlijk toezicht, of toezicht door een andere onafhankelijke autoriteit bestond in die verwerking;</para>
      <para>v. Of er beperkingen golden bij het onderzoek aan de data.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien het hof de conclusies van de verdediging over de toepasselijke juridische kaders bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de interceptie en verwerking van de respectievelijke data bij de huidige stand van zaken niet volgt, vindt de verdediging het noodzakelijk dat het hof hierover prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal hierna eerst de context schetsen waarbinnen de EncroChat -, de SkyECC - en ANØM -data zijn verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feitelijke context EncroChat , SkyECC en ANØM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft in de pleitnota (paragrafen 7 tot en met 39) de feiten uiteengezet die volgens haar relevant zijn in verband met het verkrijgen en verwerken van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data. Het hof heeft daarvan kennisgenomen, maar neemt deze niet integraal over.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier en de jurisprudentie, die in openbare bronnen is gepubliceerd en die voor een deel ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, waaronder het arrest van de Hoge Raad van </para>
      <para>13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913), waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordt, het arrest van dit hof van 26 september 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3041), het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2022 (ECLI:NLRBAMS:2022:7867) en het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:3375) leidt het hof de volgende feitelijke context af<footnote-ref linkend="_c0b1e4ed-dd2a-4208-863c-ca7f4b82b406" />:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">EncroChat</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. <emphasis role="italic">EncroChat is de naam van een bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Met een mobiele telefoon van EncroChat konden versleutelde berichten worden verstuurd. EncroChat leverde naast deze telefoons een pakket aan diensten, waarmee toegang kon worden verkregen tot een communicatienetwerk waarbinnen versleutelde tekst- en spraakberichten en afbeeldingen konden worden verstuurd naar en ontvangen van andere gebruikers van EncroChat -toestellen.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Het was niet mogelijk om het apparaat of de simkaart te koppelen aan een gebruikersaccount. De gebruikers maakten gebruik van een ‘username’, die werd opgeslagen in de contactenlijst onder een zelf gekozen ‘nickname’.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De berichten konden na een vooraf ingestelde tijd, ook wel ‘burn-time’ of beveiligde verwijdertijd genoemd, worden gewist. Deze tijd stond standaard ingesteld op zeven dagen, maar kon door de gebruiker worden aangepast. Ook kon de gebruiker de telefoon volledig wissen (‘panic wipe’), bijvoorbeeld ingeval van een dreigende aanhouding en/of inbeslagneming van de telefoon. Dit kon ertoe leiden dat als een dergelijke telefoon in beslag was genomen en door de politie kon worden ontsleuteld, er geen of slechts in zeer beperkte mate berichtenverkeer kon worden nagelezen.</emphasis></para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Op 25 september 2017 is het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Bismarck gestart, omdat in verschillende Nederlandse en buitenlandse opsporingsonderzoeken sinds 2017 telefoontoestellen van dit bedrijf waren aangetroffen bij verdachten van ernstige delicten. In dit onderzoek, dat zich richtte op het bedrijf EncroChat , zijn via een aan Frankrijk gericht Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) meerdere kopieën van de infrastructuur van dat bedrijf verkregen.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">In Frankrijk is ook onderzoek gedaan naar het bedrijf EncroChat . In dat onderzoek is gebleken dat de server waarvan door EncroChat gebruik werd gemaakt, zich in Roubaix (Frankrijk) bevond bij serverbedrijf OVH . Op 30 januari 2020 is door de Franse rechter een machtiging gegeven voor het plaatsen van een interceptiemiddel.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Op 10 februari 2020 is het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Lemont gestart, dat voortvloeide uit het onderzoek 26Bismarck en zich richtte op het bedrijf EncroChat , de directeuren van dat bedrijf, de ‘resellers’ en de gebruikers van EncroChat -toestellen. In het kader van dit onderzoek is een gemeenschappelijk onderzoeksteam (‘joint investigation team’, hierna: JIT) opgericht en is een overeenkomst over dit gemeenschappelijk onderzoeksteam met Frankrijk gesloten. In deze overeenkomst is afgesproken dat alle informatie en bewijsmiddelen die ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam worden verzameld, worden gevoegd in een gezamenlijk onderzoeksdossier.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Op 1 april 2020 is het interceptiemiddel geplaatst op de server in Roubaix. Dit interceptiemiddel is ontworpen door de ‘Service Technique National de Captation Judiciaire’. De wijze waarop het interceptiemiddel werkt valt onder het Franse staatsgeheim. Hierdoor is niet bekend wat de exacte feitelijke en technische werkwijze is geweest bij de interceptie van de Encrochat -berichten.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Door de Franse autoriteiten is in de periode van 1 april tot 14 juni 2020 live informatie van EncroChat -telefoons verzameld. Deze informatie is gedeeld met Nederland als partner in het gemeenschappelijk onderzoeksteam en toegevoegd aan het gezamenlijk onderzoeksdossier.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">De Nederlandse politie heeft data van gebruikers van EncroChat -toestellen gekopieerd, waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de verzamelde nieuwe data van de EncroChat -toestellen werden gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">Het was het Openbaar Ministerie al vóór de inzet van de interceptietool vanaf 1 april 2020 duidelijk dat de interceptie ook informatie zou (kunnen) opleveren die direct afkomstig was van klanten en medewerkers van EncroChat die zich in Nederland bevonden. Een van de zaaksofficieren van justitie in onderzoek 26Lemont heeft om deze reden op 13 maart 2020 – dus voorafgaand aan het plaatsen van het interceptiemiddel en het verzamelen van informatie door de Franse autoriteiten – zekerheidshalve een vordering ingediend bij de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam om een machtiging te verkrijgen voor het geven van een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 126uba van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), en tot het opnemen van (tele)communicatie, als bedoeld in artikel 126t Sv. Het doel hiervan was om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Nederlandse gebruikers ook ter toetsing voor te leggen aan een Nederlandse rechter-commissaris. Het ging daarbij om een toets of de inzet van de interceptietool en vervolgens de vergaring, de overdracht en het gebruik van de daarmee verkregen data proportioneel en subsidiair was en of daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig was.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">De rechter-commissaris heeft deze machtiging verleend op 27 maart 2020. Daaraan heeft de rechter-commissaris voorwaarden gesteld om op die manier de privacyschending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Die voorwaarden houden het volgende in:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">‘1. De wijze waarop zal worden binnengedrongen in het/de geautomatiseerde syste(e)m(en) zal worden vastgelegd aan de hand van logs en in een beschrijvend proces-verbaal van bevindingen, voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">2. Een beschrijving van de daarbij gebruikte software zal voor onderzoek beschikbaar zijn en dient op enig later tijdstip te kunnen worden ingezet bij een nabootsing of demonstratie van het binnendringen van het/de syste(e)men), voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. De vergaarde informatie wordt opgeslagen op zodanige wijze dat die aan de hand van hashwaarden of anderszins de integriteit garanderende wijze te controleren en te onderzoeken is.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk later reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. De vergaarde informatie/communicatie wordt onderzocht op het voorkomen van zogenaamde verschoningsgerechtigden in die communicatie aan de hand van zoeksleutels waarbij ten minste de bekende namen van advocaten, door hen opgegeven telefoonnummers en/of e-mailadressen ten behoeve van communicatie met cliënten zullen worden opgenomen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter-commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">De door de rechter-commissaris afgegeven machtiging is nadien tussentijds verlengd en getoetst.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">De uit Frankrijk verkregen informatie heeft na analyse ervan geleid tot het starten van meerdere strafrechtelijke onderzoeken in Nederland en het delen van informatie met reeds lopende strafrechtelijke onderzoeken.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Een van die onderzoeken betrof het onderhavige onderzoek 26Alston. Een van de zaaksofficieren van justitie in het onderzoek 26Lemont heeft op 9 november 2020 op grond van artikel 126dd Sv de relevante informatie ter beschikking gesteld voor het onderzoek 26Alston. De ter beschikking gestelde datasets bestonden uit EncroChat -, SkyECC - en ANØM -berichten van specifieke gebruikers en de verschillende tegengebruikers in de periode van april tot en met juni 2020.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">SkyECC</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">SkyECC ( Sky Enterprise Communications Center ) is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Een SkyECC -toestel betrof een mobiele telefoon die voorgeprogrammeerd was en met een abonnement ter beschikking werd gesteld. SkyECC bood meerdere modules voor de telefoons aan die functionaliteiten hadden voor e-mail, instant chats, instant groepchats, notities, voicemail, beelden en berichten die automatisch werden vernietigd. Ook beschikten de telefoons over verschillende kenmerken waaronder een ‘distress’ wachtwoord en een ‘remote wipe’ waarmee het mogelijk is om (op afstand) alle data op het toestel te wissen. De telefoons werden anoniem en enkel tegen contante betaling verhandeld.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op 30 oktober 2018 is in Nederland het titel V-onderzoek 13Yucca gestart. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere lopende strafrechtelijke onderzoeken waaruit zou blijken dat personen, die deel uitmaakten van criminele samenwerkingsverbanden die zich bezighielden met het beramen en plegen van zware criminaliteit, in de periode vanaf augustus 2015 gebruik maakten van telefoons en software van SkyECC om zo versleuteld te communiceren. Het onderzoek was erop gericht om de criminele samenwerkingsverbanden inzichtelijk te krijgen en zicht te krijgen op gepleegde en nog te plegen strafbare feiten.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorafgaand aan dit onderzoek was door Nederlandse opsporingsambtenaren reeds vastgesteld dat de servers van SkyECC zich in Frankrijk bevonden. Nederland was ermee bekend dat ook België voornemens was om een strafrechtelijk onderzoek naar de onderneming SkyECC te starten. Aangezien de servers van Sky ECC zich bij hostingbedrijf OVH ( On Vous Herberge ) in de Franse plaats Roubaix bevonden, hebben de Nederlandse en Belgische autoriteiten contact gezocht met Frankrijk en heeft op 9 oktober 2018 een verkennend overleg plaatsgevonden. Het doel van dit overleg was om toelichting te geven over de aanstaande Europese onderzoeksbevelen (hierna: EOB’s) van Nederland en België en helderheid te verkrijgen over de vraag of Frankrijk uitvoering zou kunnen geven aan de voorgenomen verzoeken.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">De officier van justitie in het onderzoek 13Yucca heeft de rechter-commissaris een machtiging gevraagd om een vordering ex artikel 126ug, tweede lid, Sv (verstrekken van in een geautomatiseerd netwerk opgeslagen gegevens) te kunnen doen. De rechter-commissaris verleende die machtiging op 30 november 2018 en gaf toestemming voor het maken van een digitale kopie (‘image’) van alle servers die werden afgenomen door SkyECC , met de uitdrukkelijke restrictie dat de vergaarde informatie uitsluitend mocht worden aangewend voor het onderzoek naar de technische mogelijkheden voor het tappen en de ontsleuteling. De rechter-commissaris overwoog daarbij dat het te ver zou gaan op dat moment ongeclausuleerd toestemming te geven de inhoud van het berichtenverkeer te doorzoeken op bewijs van mogelijke strafbare feiten van alle gebruikers van SkyECC . Er zou dan onvoldoende worden voldaan aan het vereiste van artikel 126ug Sv, inhoudende dat het moet gaan om gegevens die klaarblijkelijk afkomstig zijn (of gericht aan) een persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat van betrokkenheid bij strafbare feiten in georganiseerd verband. Het enkele gebruik van versleutelde communicatiediensten kan dat redelijk vermoeden niet leveren, aldus de rechter-commissaris. De rechter-commissaris bepaalde dan ook dat de inhoud van de eventueel op de servers aan te treffen berichten niet zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris mocht worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">De officier van justitie in het onderzoek 13Yucca heeft vervolgens op 6 december 2018 een EOB aan Frankrijk verzonden met het verzoek om een ‘image’ (kopie) te maken van de servers, zodat de technische inrichting van de servers kon worden onderzocht met het oog op nader onderzoek, zoals het tappen en ontsleutelen van de via die servers gevoerde communicatie, en zodat inzicht kon worden verkregen in de organisatie van SkyECC . Verder werd verzocht om informatie te verstrekken ten aanzien van historische en toekomstige klantgegevens van SkyECC alsmede om het verstrekken van technische gegevens van de server. Bij het EOB zijn twee processen-verbaal gevoegd met daarin informatie over de locatie van de SkyECC -infrastructuur en de kenmerken van de SkyECC -applicatie.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">België heeft eerder op 21 november 2018 een EOB in verband met SkyECC naar Frankrijk gezonden.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Frankrijk heeft de architectuur van de servers geanalyseerd. Uit het onderzoek naar aanleiding van het Belgische EOB bleek dat er twee servers werden gehost bij OVH , te weten een hoofdserver die rechtstreeks met het internet verbonden was en een back-upserver. Deze twee servers communiceerden onderling met elkaar via een intranet-netwerk.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Op 13 februari 2019 besloot de Franse officier van justitie bij de rechtbank Lille een opsporingsonderzoek te starten naar SkyECC .</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Op 27 mei 2019 vond er een bespreking plaats bij Europol tussen Franse, Belgische en Nederlandse opsporingsambtenaren waarbij operationele en technische gegevens over de werking van de servers werden uitgewisseld.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">De Franse officier van justitie heeft op 14 juni 2019 toestemming gevraagd aan de Franse rechter om over te gaan tot interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de SkyECC -servers. Die toestemming is diezelfde dag verleend. De rechter betrok bij deze toestemming informatie afkomstig uit het Nederlandse EOB en het Belgische EOB en een tijdens de bespreking op 27 mei 2019 door de Nederlandse autoriteiten verstrekte computeruitdraai van ongeveer 9.000 berichten van Franse gebruikers van SkyECC die tijdens het Nederlands opsporingsonderzoek 26Sassenheim (een onderzoek naar de versleutelde communicatiedienst PGP -safe ) naar voren waren gekomen. De berichten draaiden vooral om de handel in verdovende middelen en afrekeningen tussen dealers.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Op 24 en 26 juni 2019 zijn IP-taps geplaatst op de twee servers. In het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2022 van een rechercheur van onderzoek Werl staat dat Nederland niet aanwezig was bij het plaatsen van de IP-tap. Nederland is op 8 juli 2019 over deze tap geïnformeerd en op 11 juli 2019 zijn de data van de IP-tap beschikbaar geworden voor Nederland. De rechercheur beschrijft dat tijdens de analyse van de IP-tap-data in de beginfase door België en Nederland verbeteringen zijn voorgesteld om de kwaliteit van de interceptie te verbeteren en dat die aanbevelingen door het Franse onderzoek zijn overgenomen en geïmplementeerd. De getapte IP-tap-data waren grotendeels versleuteld; slechts de metadata waren zichtbaar.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">De officier van justitie in 13Yucca heeft op 16 juli 2019 een tweede EOB aan Frankrijk verzonden waarin stond dat was vernomen dat Frankrijk een tap had aangesloten en dataverkeer tussen de SkyECC -servers aftapte. Dankzij deze tap waren data verkregen over de werking van de gebruikte servers die noodzakelijk waren voor het onderzoek 13Yucca, teneinde de technische mogelijkheden voor een tap ter verkrijging van de inhoudelijke data verder te onderzoeken. Om die reden werd formeel verzocht om die verkregen data te verstrekken aan Nederland.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Voorts blijkt uit een bericht van overdracht van 20 augustus 2019 dat de geïntercepteerde data door de rechter- commissaris van de rechtbank Lille uit eigen beweging op grond van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag en artikel 7 van het Rechtshulpverdrag zijn overgedragen aan twee officieren van justitie van het parket Rotterdam. Daarbij is verzocht om de bevindingen naar aanleiding van de data weer terug te koppelen aan Frankrijk.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Op 1 november 2019 is in Nederland het opsporingsonderzoek Werl opgestart, waarbij de verdenking was gericht jegens het bedrijf SkyECC . Op 13 december 2019 hebben Nederland, België en Frankrijk een JIT-overeenkomst gesloten. Onderzoek Werl maakte deel uit van het JIT. Vanaf dit moment zijn de door Frankrijk geïntercepteerde data aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Een van de doelstellingen van het JIT was het gezamenlijk uitwerken, ontwikkelen en uitvoeren van de benodigde techniek om de gevoerde communicatie te kunnen ontsleutelen. Met het doel om versleutelingselementen en/of wachtwoorden te verkrijgen die gebruikt konden worden om de verbinding tussen toestellen en de SkyECC -servers te kunnen ontsleutelen en de servers later forensisch te kunnen onderzoeken, werd door Nederlandse rechercheurs binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de servers zonder dat die offline zou gaan. Op 14 mei 2020 en 3 juni 2020 heeft Frankrijk die ontwikkelde techniek ingezet, waarbij Nederlandse rechercheurs technische bijstand verleenden.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Vervolgens heeft Nederland een zogenaamde ‘Man in the Middle’-techniek (MITM-techniek) ontwikkeld, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakte. Deze techniek is op 18 november 2020 aangesloten en geactiveerd, nadat de Franse adviescommissie, die een oordeel moet vellen over apparatuur die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim, hierover een oordeel had gegeven. Een vergunning werd verleend en binnen JIT-verband werd in toerbeurt een 24/7 monitoringdienst opgezet om de stabiliteit van het MITM-systeem en de SkyECC -infrastructuur te waarborgen.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Toen duidelijk werd dat het mogelijk werd het berichtenverkeer te ontsleutelen en leesbaar te maken, is op 11 december 2020 het (Nederlandse strafrechtelijk) onderzoek 26Argus gestart. Dit onderzoek richtte zich op vermeende criminele samenwerkingsverbanden van Nederlandse gebruikers van SkyECC en gebruikers van SkyECC in Nederland. Vanuit onderzoek Werl werd informatie gedeeld met onderzoek 26Argus. Deze informatie betrof ook de getapte en verkregen SkyECC -data.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Op 14 december 2020 heeft de officier van justitie in het onderzoek 26Argus bij de rechter-commissaris, onder verwijzing naar de artikelen 126t, eerste en tweede lid, Sv, gevorderd dat machtiging zou worden verleend voor het onderscheppen van SkyECC -communicatie en voor het ontsleutelen van deze en van de reeds onder Franse rechterlijke machtiging vergaarde en verkregen communicatie. Daarbij werd aangegeven dat een aanzienlijk deel van de gebruikers van SkyECC zich in Nederland bevond. Aan de rechter-commissaris is inzage verleend in de beslissingen van de Franse rechter.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Bij beschikking van 15 december 2020 is door de rechter-commissaris aansluiting gezocht bij het beoordelingskader van artikel 126t Sv en heeft de rechter-commissaris met formulering van een aantal voorwaarden de gevraagde machtigingen verleend.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Later zijn door de rechter-commissaris op vorderingen van de officier van justitie meerdere machtigingen tot verlenging verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t, eerste lid, en 126t, zesde lid, Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband).</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">In een proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2021 hebben de rechters-commissarissen uit het onderzoek 26Argus inzicht gegeven in de gang van zaken met betrekking tot de vorderingen en machtigingen en hun afwegingen en beslissingen ten aanzien van de SkyECC -data in onderzoek 26Argus.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Aangezien de wet volgens de rechters-commissarissen geen procedure kent voor dit soort gevallen, hebben zij zich allereerst afgevraagd of er wel een machtiging van hen vereist was en waarop hun bevoegdheid in dat geval was gebaseerd. Zij concludeerden dat hoewel op voorhand niet vaststond dat een beslissing van de Nederlandse rechter-commissaris noodzakelijk was voor de rechtmatigheid van het gebruik van de SkyECC -data, een toetsing van de proportionaliteit door de rechter-commissaris toch was aangewezen, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De rechters-commissarissen hebben afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld om privacy schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De voorwaarden die de rechters-commissarissen aan de uitvoering van de machtiging hebben gesteld luidden als volgt:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">‘1. De vergaarde en ontsleutelde informatie mag slechts worden onderzocht met toepassing van vooraf aan de rechter-commissaris voorgelegde zoeksleutels, zoals:</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- informatie over SkyECC -gebruikers (en hun tegencontacten en eventueel daar weer de tegencontacten van) uit lopend onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Het onderzoek met de zoeksleutels moet zo worden ingericht dat desgewenst achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Er wordt bij het onderzoek recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt geheimhouderscommunicatie actief uitgefilterd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. De rechter-commissaris wordt inzage gegeven in de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. De vergaarde informatie wordt na het onderzoek zoals hiervoor omschreven voorgelegd aan de rechter-commissaris om de inhoud en omvang te controleren, en de relatie tot concrete vermoedelijke strafbare feiten te beoordelen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. De vergaarde informatie zal pas na uitdrukkelijke toestemming van de rechter-commissaris aan het Openbaar Ministerie of de politie ter beschikking worden gesteld ten behoeve van (verder) opsporingsonderzoek. Daarbij moet (gelet op voorwaarde 2) duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke gegevens aan het onderzoeksteam worden verstrekt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">7. De vergaarde informatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Op basis van de verkregen machtigingen heeft de officier van justitie een bevel gegeven om de verkregen data te analyseren binnen de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden. Vervolgens is door de rechter-commissaris aanvullende toestemming verleend voor inzage in en het gebruik van in- en uitgaande communicatie van steeds een (data)set van Sky -ID’s. De zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26Argus heeft op 25 februari 2021 op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven informatie uit dat onderzoek te delen met het onderzoeksteam 26Alston.</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <bridgehead role="bold italic">ANØM</bridgehead>
    <para />
    <para>a. <emphasis role="italic">Uit een brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 blijkt dat op 21 maart 2021 een proces-verbaal is ontvangen van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie (DLIO). Uit dat proces-verbaal volgt dat het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC), onderdeel van het Openbaar Ministerie op 23 maart 2021, door tussenkomst van een in Nederland gestationeerde ‘liaison officer’ van de Verenigde Staten van Amerika, informatie had ontvangen van de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika beschikten over telecommunicatiedata van cryptotelefoons. Deze cryptotelefoons maakten gebruik van het ANØM -platform. Daarbij was vermeld dat deze data rechtmatig waren verkregen en door de Nederlandse opsporingsdiensten gebruikt mochten worden in strafrechtelijke onderzoeken.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Uit die informatie blijkt voorts dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika ongeveer 530 cryptotelefoons in Nederland hadden gelokaliseerd, waarvan de nog niet nader geïdentificeerde gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten, zoals de internationale handel in drugs, witwassen, moord, ontvoering, fraude, economische delicten, wapenhandel en corruptie, en onderdeel waren van criminele samenwerkingsverbanden. Elk van die individuele cryptetelefoons werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten.</emphasis></para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Naar aanleiding hiervan – zo blijkt verder uit de brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 – heeft het Nederlandse Openbaar Ministerie op 26 maart 2021 het titel V-onderzoek 26Eagles gestart naar NN-personen die in georganiseerde criminele samenwerkingsverbanden zich schuldig maken aan het beramen of plegen van de bovengenoemde strafbare feiten. Vanaf dat moment hebben de opsporingsdiensten in de Verenigde Staten driemaal per week een dataset met ontsleutelde ANØM -communicatie aan het Openbaar Ministerie ter beschikking gesteld. De Nederlandse opsporingsdiensten hebben die datasets vervolgens nader onderzocht en geanalyseerd. Binnen onderzoek 26Eagles is geen sprake geweest van de toepassing van ‘telefoonhacks’ of ‘interceptietools’.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Uit een brief van 18 februari 2022 van het Openbaar Ministerie volgt dat in de dataset enkel is gezocht naar aan georganiseerde misdaad gerelateerde termen. Ook is gezocht naar concrete strafbare feiten door middel van het gebruik van aan die feiten gerelateerde zoektermen, zoals tijdstip en plaats. Op grond van artikel 126dd Sv is de ANØM -communicatie vervolgens met andere opsporingsonderzoeken gedeeld, waaronder met onderzoek 26Alston. Het ging daarbij steeds om communicatie van geconcretiseerde verdachten en geconcretiseerde strafbare feiten.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Uit een door de verdediging overgelegde brief van de Europese Commissie van 3 augustus 2023 (E-001692/2023) volgt dat Europol in verband met Operation Trojan Shield een zogeheten Operational Task Force (hierna: OTF) in het leven had geroepen: OTF Greenlight . De OTF betrof een tijdelijke groep van afgevaardigden van lidstaten en Europol die zich focuste op onderzoek naar criminele activiteiten van ‘high value targets’ naar aanleiding van de door de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika vergaarde ANØM -data. In de OTF waren afgevaardigden van diverse lidstaten vertegenwoordigd, waaronder van Nederland. De OTF werd geleid door de FBI.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">Wat betreft de werking van de ANØM -cryptocommunicatiedienst volgt uit het document ‘ Operatie Trojan Shield Technische details ’ d.d. 31 augustus 2021 dat in oktober 2019 door de rechtshandhavingsinstanties van een derde land een server was ingesteld voor het verzamelen van de BCC’s (Blind Carbon Copy’s) van berichten die naar de ‘bot’-spookgebruiker werden gestuurd. Deze server was eigendom van en werd geëxploiteerd en onderhouden door het derde land tot het einde van de operatie.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">Een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (Mutual Legal Assistance Treaty) maakte de overdracht van gegevens uit het derde land mogelijk. Er werd door het derde land een proces ontwikkeld om alleen nieuwe gegevens te verkrijgen. Op de server van het derde land werden de gegevens bij ontvangst gedecodeerd in tijdelijke opslag (RAM) en de gegevens werden opnieuw gecodeerd met een combinatie van RSA asymmetrische codering en AES symmetrische codering voordat ze naar de schijf werden geschreven. Er werd geen platte tekst opgeslagen op de server van het derde land. De privésleutel voor het decoderen (met betrekking tot RSA) werd opgeslagen op de |1-server binnen ‘ AWS GovCloud ’ , betreffende AWS GovCloud (US) een specifieke, geïsoleerde regio binnen AWS ( Amazon Web Services ) die is ontworpen om te voldoen aan de strenge beveiligings- en nalevingsvereisten van de overheid van de Verenigde Staten van Amerika. Het derde land voerde handmatig een programma uit voor de verwerking van de nieuwe gegevens. Elke maandag, woensdag en vrijdag werd een programma uitgevoerd door het derde land dat de nieuwe gegevens inpakte en verzond. Het programma stuurde de ‘ MD5 hash ’, gevolgd door het versleutelde pakket nieuwe gegevens naar de geheime overdrachtsserver van ‘ Google Compute Engine ’.</emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">In de hiervoor onder c. genoemde brief van 18 februari 2022 heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten niet met de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben samengewerkt in het kader van ‘ Operation Trojan Shield ’. Uit een proces-verbaal van de politie gedateerd 17 december 2021, dat als bijlage bij deze brief is gevoegd, blijkt dat de Nederlandse politie zich niet heeft beziggehouden met het binnenhalen van de ANØM -data. Het Openbaar Ministerie is verder op 27 mei 2022 door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika geïnformeerd dat het derde land een land binnen de Europese Unie betreft. Uit een brief van 20 juni 2022 van het Openbaar Ministerie volgt dat Nederland niet het derde land betreft . </emphasis><?linebreak?></para>
      <para> <emphasis role="italic">In een ‘application for a warrant by telephone or other reliable electronic means’ d.d. 17 mei 2021 van het ‘Federal Bureau of Investigation’ (hierna: de FBI) van de Verenigde Staten van Amerika staat beschreven wat de gang van zaken is geweest in aanloop naar en bij de uitvoering van ‘ Operation Trojan Shield ’. Kort gezegd komt het er op neer dat de FBI in 2018 een informant rekruteerde die een ‘next generation encrypted communications product’ aan het ontwikkelen was. Voorheen distribueerde deze persoon ‘ Phantom Secure ’ en ‘ Sky Global ’ en had deze persoon flink geïnvesteerd in een ‘next generation device’, genaamd ‘ ANØM ’. Dit bood hij aan aan de FBI. Hij zou het vervolgens ook willen distribueren aan zijn oorspronkelijke netwerk.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De FBI begon een nieuw onderzoek onder de naam ‘ Operation Trojan Shield ’, draaiende om de exploitatie van ANØM door het te introduceren aan criminele organisaties en samen te werken met internationale partners, waaronder de Australische federale politie (hierna: AFP) om de communicatie te monitoren. Voordat het apparaat gebruikt kon worden hebben de FBI, AFP en de informant een ‘masterkey’ ingebouwd waardoor opsporingsdiensten de berichten ook kregen en ze gedecodeerd werden. Elke ANØM -gebruiker kreeg een specifieke ‘Jabber Identification’ (hierna: JID) van de informant of een ANØM -beheerder. Gebruikers konden hun eigen username kiezen. De FBI hield in het kader van ‘ Operation Trojan Shield ’ een lijst bij van de JIDs en de corresponderende schermnamen van de gebruikers. De informant is begonnen met de distributie van de toestellen in afstemming met de FBI. In oktober 2018 is met een testfase begonnen bij criminele organisaties in Australië. De AFP monitorde de communicatie en deelde de strekking ervan met de FBI. Daaruit bleek dat 100% van de 50 ANØM -gebruikers de toestellen gebruikte voor criminele activiteiten. In de zomer van 2019 begon het netwerk van ANØM -gebruikers in Australië te groeien. Er kwam vraag van binnen en buiten Australië. Het onderzoeksteam benaderde in de zomer van 2019 vertegenwoordigers van een derde land om een ‘iBot-server’ in te richten en daardoor de inhoud van de berichten van ANØM -gebruikers te verkrijgen. Het derde land stemde in met het aanvragen van een rechterlijke machtiging zoals daar vereist was om een ‘iBot-server’ aldaar te kopiëren en de FBI van de kopie te voorzien conform een rechtshulpverzoek. Anders dan in de Australische testfase keek het derde land niet naar de inhoud van de berichten (letterlijk: ‘Unlike the Australian beta test, the third country would not review the content in the first instance’). In oktober 2019 verkreeg het derde land een rechterlijke machtiging. Vanaf 21 oktober 2019 begon de FBI de serverinhoud van het derde land te verkrijgen. Sinds dat moment heeft de FBI de inhoud van de ‘iBot-server’ in het derde land op basis van het rechtshulpverzoek bekeken. Ze hebben de berichten indien nodig vertaald en meer dan 20 miljoen berichten van 11.800 toestellen van 90 landen wereldwijd gecatalogiseerd. De top vijf van landen waar de toestellen gebruikt werden betrof Duitsland, Nederland, Spanje, Australië en Servië. Het doel van het ‘ Trojan Shield ’ onderzoek was het ondermijnen van het vertrouwen van de hele industrie door te laten zien dat de FBI bereid en in staat deze berichten te onderscheppen.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vertrouwensbeginsel: algemeen</emphasis>
      </para>
      <para>Bij de beoordeling van de verweren stelt het hof het volgende voorop (vgl. het arrest van dit hof van 26 september 2024). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, als herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024 (ECLI:NL:2024:192, hierna: het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024) is de Hoge Raad ingegaan op de betekenis van het (internationale of interstatelijke) vertrouwensbeginsel voor de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, terwijl die bevoegdheid in dat andere land is toegepast. De Hoge Raad maakt daarin een hoofdindeling tussen onder meer ‘A. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten’ en ‘B. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten’. In categorie A wordt vervolgens een onderscheid gemaakt tussen de situaties waarin de resultaten die zijn verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, in handen van de Nederlandse autoriteiten zijn gekomen (i) in het kader van de zogenoemde klassieke rechtshulp (kleine rechtshulp), (ii) in verband met het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en (iii) door middel van het uitvaardigen van een EOB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de voorliggende zaak doet zich een combinatie voor van de situaties als hiervoor bedoeld onder A (i) en A (ii). De EncroChat -data die met de inzet van de interceptietool door de Franse autoriteiten zijn verzameld, zijn op basis van een JIT-overeenkomst met de Nederlandse autoriteiten gedeeld (A (ii)). De SkyECC data die met de inzet van de interceptietool door de Franse autoriteiten zijn vergaard, zijn aanvankelijk spontaan en later op basis van een JIT-overeenkomst door de Franse autoriteiten met de Nederlandse autoriteiten gedeeld (A (i) en A (ii)). De ANØM -data tot slot zijn spontaan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen (A (i)). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Over deze situaties overweegt de Hoge Raad het volgende in zijn arrest van 13 juni 2023:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘6.3 Resultaten die zijn of worden verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid of een dwangmiddel door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, kunnen allereerst langs de weg van de klassieke rechtshulp worden overgedragen aan de Nederlandse strafvorderlijke autoriteiten en daardoor deel gaan uitmaken van het dossier van een in Nederland aanhangige strafzaak. Onder klassieke rechtshulp worden in dit verband begrepen die vormen van strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en een ander land, waarbij op verzoek van Nederland dan wel spontaan door het andere land overdracht plaatsvindt van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in dat andere land is verricht. Het kan daarbij gaan om de resultaten van (strafvorderlijk) onderzoek dat al op eigen initiatief van dat andere land is verricht, maar ook om de resultaten van (strafvorderlijk) onderzoek dat op verzoek van Nederland – en, in de regel, op grond van een verdrag – in dat andere land wordt uitgevoerd. In dat laatste geval geldt dat a. de aangezochte staat zelf beslist, mede met inachtneming van wat daarover is geregeld in het betreffende verdrag, of uitvoering wordt gegeven aan het verzoek, en b. de uitvoering van het op verzoek verrichte onderzoek doorgaans plaatsvindt door en onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van dat land, op grond van het nationale recht van dat land en met inachtneming van wat hierover is geregeld in het toepasselijke verdrag.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.4 In het kader van de klassieke rechtshulp mag door Nederland alleen een verzoek worden gedaan aan buitenlandse autoriteiten als is voldaan aan de vereisten die op grond van het Wetboek van Strafvordering gelden voor toepassing van de in het verzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten. Het staat ter beoordeling aan de rechter in de Nederlandse strafzaak, waarin de resultaten van het in het buitenland verrichte onderzoek voor het bewijs worden gebruikt, of aan die voorwaarden is voldaan. Die toets blijft achterwege als sprake is van spontane overdracht van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in het andere land is verricht.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vertrouwensbeginsel: EncroChat en SkyECC</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van de EncroChat - en de SkyECC -data, die geheel, respectievelijk gedeeltelijk zijn verkregen met het onderzoek van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT-team), verwijst het hof naar de overwegingen van de Hoge Raad in rechtsoverweging. 6.5 van zijn arrest van 13 juni 2023, luidende als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘6.5.1 Waar het gaat om de beoordeling van verweren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen – zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629 – de aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die onderzoekshandelingen naargelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In het geval dat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten – daarvan is, zoals onder 6.3 is vermeld, doorgaans sprake in het kader van de klassieke rechtshulp – en het daarbij tevens gaat om de autoriteiten van een staat die tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is toegetreden, geldt het volgende. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.5.2 Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.5.3 Het vorenstaande brengt in relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM, met zich dat de Nederlandse strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Zo’n beoordeling zou immers vergen dat de Nederlandse rechter aan het buitenlandse recht toetst. Daaraan staat in de weg wat onder 6.5.2 is overwogen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.5.4 Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad heeft in zijn reeds eerder aangehaalde arrest van 13 juni 2023 in rechtsoverweging 6.6 – dat gelet op de verdere inhoud van dat arrest ook heeft te gelden voor resultaten die zijn verkregen door het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, zoals in de onderhavige strafzaak aan de orde – onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Het vorenstaande heeft betrekking op (de beoordeling van) de rechtmatigheid van het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd. Waar het gaat om de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken. Daartoe kan hij bijvoorbeeld – met tussenkomst van het openbaar ministerie – nadere informatie inwinnen over de wijze waarop het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is verlopen en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht zijn genomen; één en ander voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door die autoriteiten verkregen resultaten van belang is. Deze nadere informatie kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de waarborgen die bij de verkrijging van gegevens in acht zijn genomen in relatie tot de betrouwbaarheid, integriteit en/of herleidbaarheid van die gegevens. Deze plicht tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de resultaten hangt samen met het op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte toekomende recht om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze overwegingen zijn door de Hoge Raad herhaald in zijn reeds eerder aangehaalde arrest van 13 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook wijst het hof in dit verband op hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 6.11 van zijn arrest van 13 juni 2023 overweegt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Uit het vorenstaande volgt ook dat het optreden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam telkens wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het team actief is, waarbij de leider van het gemeenschappelijk onderzoeksteam optreedt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens het nationale recht van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is. Verder volgt daaruit dat, voor zover ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam onderzoekshandelingen in een andere lidstaat plaatsvinden, deze handelingen op verzoek kunnen worden verricht met inachtneming van het recht van die andere lidstaat. Dit stelsel komt er dus op neer dat onderzoekshandelingen telkens worden verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaat waar de onderzoekshandelingen plaatsvinden. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt eveneens het stelsel zoals hiervoor onder 6.5 en 6.6 is besproken. De regeling van het optreden van gemeenschappelijke onderzoeksteams zoals opgenomen in artikel 13 EU Rechtshulpovereenkomst geeft geen aanleiding om tot een ander stelsel te komen.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts wordt gewezen op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 13 februari 2024 heeft overwogen, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘5.2.2 Deze vaststellingen komen erop neer dat de inzet van de interceptietool plaatsvond onder verantwoordelijkheid van de Franse en dus buitenlandse autoriteiten. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat ten aanzien van de toetsing van de inzet van de interceptietool het vertrouwensbeginsel van toepassing is – zodat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in Frankrijk – getuigt (…) niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (…) De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool meebracht dat ook gegevens van EncroChat -toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat de inzet van de interceptietool, met het daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en het vervolgens delen van die data met de Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit Frankrijk, terwijl die omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar een gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Ook artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof wijst tot slot op de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juni 2023:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘6.20 (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Hoge Raad merkt het volgende op over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen het openbaar ministerie gehouden is een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.21.1 Als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, hoeft alleen dan te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Nederlandse strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. Dat wil zeggen: op verzoek van Nederland – al dan niet in verband met het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam – dan wel op grond van een door Nederland uitgevaardigd EOB. Als dan voor de betreffende bevoegdheid naar Nederlands strafprocesrecht geldt dat een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, moet deze machtiging worden verkregen voordat aan de buitenlandse autoriteit wordt verzocht tot de toepassing van een opsporingsbevoegdheid over te gaan, dan wel met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel een EOB wordt uitgevaardigd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.22 Het onder 6.21.1 genoemde vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris geldt niet in het geval dat het betreffende onderzoek plaatsvindt of al heeft plaatsgevonden op initiatief van de buitenlandse autoriteiten, waarna die autoriteiten – al dan niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten of nadat de Nederlandse autoriteiten daartoe een EOB hebben uitgevaardigd – de resultaten van het onderzoek ter beschikking stellen. De wet stelt immers niet als vereiste dat voor alleen maar het gebruik in een strafzaak in Nederland van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.’ </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat ook in de onderhavige zaak het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat voor het hof de rechtmatige toepassing van door de autoriteiten van een andere lidstaat toegepaste bevoegdheden niet ter toets staat. Indien in het buitenland een opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende (potentiële) bewijs <emphasis role="italic">onder verantwoordelijkheid</emphasis> van de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het zijn daarvoor geen concrete aanknopingspunten. Bij zowel EncroChat als SkyECC is de interceptietool op basis van Franse wettelijke bevoegdheden ingezet door de Franse autoriteiten. Dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het inzetten van de tool en wisten dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, staat niet ter discussie, maar maakt dat niet anders. Dat er in beide gevallen sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie, maakt dit evenmin anders. Bij EncroChat vindt de informatie-uitwisseling zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in het JIT.</para>
      <para>Bij SkyECC heeft de informatie-uitwisseling eerst spontaan (dus niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten) door de Franse autoriteiten, daarna op grond van een door een Nederlandse officier van justitie uitgevaardigd EOB en vervolgens op basis van een JIT-overeenkomst plaatsgevonden. Een en ander leidt echter niet tot verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het inzetten van opsporingsmiddelen.</para>
      <para>Ook indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat Nederland (al dan niet voorafgaand aan de totstandkoming van de JITs) technische of tactische inbreng heeft gehad, kan daar naar het oordeel van het hof evenmin uit volgen dat de inzet van de bevoegdheid in Frankrijk door Franse autoriteiten <emphasis role="italic">onder verantwoordelijkheid</emphasis> van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft EncroChat voegt het hof hieraan het volgende toe. De interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op alle EncroChat -toestellen bij eindgebruikers. Dit betekent dat sprake is geweest van infiltratie van eindapparatuur in de landen waar die apparatuur zich bevond. De Franse politie is derhalve ook doorgedrongen tot de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied en heeft gegevens van die toestellen verzameld en gekopieerd. Dit leidt er naar het oordeel van het hof, onder verwijzing naar de hiervoor reeds geciteerde rechtsoverweging 5.2.2 in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024, echter niet toe dat het vertrouwensbeginsel geen toepassing meer vindt. De wijze van interceptie maakt niet dat de locatie van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden (ook) in Nederland is geweest dan wel hierdoor naar Nederland verplaatste, hetgeen immers zou impliceren dat die locatie ook met een gebruiker mee verplaatste als deze zich over een of meer landsgrenzen begaf. Nee, de tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons). Het bedrijf EncroChat bood digitale diensten aan. Het is inherent aan een dergelijke dienstverlening dat deze over traditionele landsgrenzen heen gaat. Het begrenzen volgens die traditionele landsgrenzen van een strafrechtelijk onderzoek is naar zijn aard in die situatie onmogelijk. Dat de Franse autoriteiten overigens nauw met de Nederlandse zullen hebben samengewerkt bij een internationale operatie als de onderhavige, ligt naar ’s Hofs oordeel voor de hand, maar daarmee strookt niet de conclusie dat (onder verantwoordelijkheid van) het Nederlandse Openbaar Ministerie de beoordeling die in Frankrijk heeft plaatsgevonden door de Franse (onderzoeks)rechter heeft gestuurd of beïnvloed. Het voorliggende dossier, noch hetgeen (waaronder de jurisprudentie, die in openbare bronnen is gepubliceerd en die) ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, biedt enig concreet aanknopingspunt voor die conclusie. </para>
      <para>Gezien het bovenstaande, kan het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten niet worden beschouwd als een onderzoekshandeling waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geschied. Dat betekent dat het hof de stelling van de verdediging dat Nederland rechtsmacht heeft waar het de interceptie betreft van gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied niet volgt. Ook artikel 31 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: Richtlijn 2014/41/EU) geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, r.o. 6.23 en 7.4).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht van EncroChat -data van vóór 10 april 2020 niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van de tussen Frankrijk en Nederland gesloten JIT-overeenkomst en er derhalve geen juridische grondslag was voor de overdracht van die data, omdat de JIT-overeenkomst pas op 10 april 2020 door Frankrijk is ondertekend, overweegt het hof als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het enkele feit dat Frankrijk de overeenkomst pas op 10 april 2020 heeft ondertekend is leidt niet tot de conclusie dat de overdracht van EncroChat -data van vóór die datum niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van die JIT-overeenkomst en derhalve geen juridische grondslag heeft. </para>
      <para>De interceptie van de gegevens ( EncroChat -data) vond plaats onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten en niet in het kader van het JIT. De geïntercepteerde gegevens van vóór en ná 10 april 2020 zijn vervolgens overgedragen binnen het kader van de op 10 april 2020 gesloten JIT-overeenkomst. Ook gegevens die eerder vergaard zijn dan 10 april 2020, kunnen in het kader van een later formeel tot stand gekomen JIT worden overgedragen. Of die data voor de feitelijke ondertekeningsdatum van de JIT-overeenkomst al aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen doet niet af aan het feit dat de overdracht op basis van de JIT-overeenkomst heeft plaatsgevonden. In dat verband hecht het hof er nog aan te wijzen op het volgende. De Nederlandse autoriteiten waren ervan op de hoogte dat de Franse autoriteiten voornemens waren binnen te dringen in EncroChat -telefoons en gegevens te vergaren door EncroChat -gesprekken te onderscheppen, dat bleek vanzelfsprekend niet pas bij de ondertekening van de overeenkomst. Het was de bedoeling van de autoriteiten om deze gegevens te voegen in een gezamenlijk onderzoeksdossier én deze met elkaar te delen. Het JIT was juist opgericht om de samenwerking en werkzaamheden tussen de landen in dat kader vast te leggen. In dat kader overweegt het hof nog dat een JIT primair tot doel heeft om de samenwerking en werkzaamheden tussen landen vast te leggen en niet primair de rechten van de individuele verdachte beoogt te beschermen. Deze rechten van de verdachte zijn in de genoemde periode bovendien op een andere wijze gewaarborgd geweest. In het onderzoek 26Lemont heeft het Openbaar Ministerie reeds op 13 maart 2020 – dus vóór het plaatsen van het interceptiemiddel en het verzamelen en overdragen van data door de Franse autoriteiten – een vordering bij de rechter-commissaris ingediend om een machtiging te verstrekken voor een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk ex artikel 126uba Sv en tot het opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam deze machtiging verleend. In die machtiging heeft de rechter-commissaris afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld, om op die manier de privacyschending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. De door de rechter-commissaris afgegeven machtiging is daarna verlengd en getoetst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overdracht van onderschepte EncroChat -data werd door de JIT overeenkomst beheerst. </para>
      <para>Met betrekking tot zowel EncroChat als SkyECC geldt het volgende. Het behoort noch bij klassieke rechtshulp, noch in geval van de inzet van een JIT, noch bij het uitvaardigen van een EOB, tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en er wordt van uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht, hetgeen in de voorliggende zaak niet het geval is. Dit brengt mee dat het hof de beslissingen van de Franse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen respecteert en ervan wordt uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Uit het vorenoverwogene vloeit verder voort dat het niet aan het hof is om te toetsen of er al dan niet een toereikende (Nederlandse) wettelijke grondslag bestond voor een eventueel door de Franse autoriteiten gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven dan wel of die inbreuk noodzakelijk is geweest. Het hof ziet zijn taak in een geval als het onderhavige beperkt tot het waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel onverminderd en onverkort van toepassing is in deze zaak, zowel voor wat betreft de interceptie als voor wat betreft de overdracht van de EncroChat - en SkyECC -gegevens. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtmatigheid van de door Frankrijk toegepaste bevoegdheden om EncroChat - en SkyECC -gegevens te verkrijgen niet kan worden getoetst door de Nederlandse rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vertrouwensbeginsel: ANØM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ANØM -data zijn de resultaten van strafvorderlijk onderzoek door de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika die op eigen initiatief in / door de Verenigde Staten van Amerika zijn verkregen en die in het kader van de klassieke rechtshulp door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika spontaan – dus niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten – zijn overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.</para>
      <para>Nu de verantwoordelijkheid voor de verkrijging van deze data berust bij de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, is het hiervoor besproken, door de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4 vervatte beoordelingskader niet zonder meer van toepassing, aangezien de Verenigde Staten van Amerika niet zijn toegetreden tot het EVRM. Het hof ziet evenwel reden om dit kader op dezelfde wijze toe te passen in geval van bewijsmateriaal verkregen door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Hoewel de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM, zijn zij wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die hier relevant zijn, in het bijzonder ook het recht op privacy en</para>
      <para>de toegang tot een onafhankelijke rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien moet worden aangenomen dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten. Hetzelfde geldt voor de Europese Unie (EU) bij het sluiten van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika. De EU is weliswaar als zodanig niet toegetreden tot het EVRM en het IVBPR, maar heeft zich wel gecommitteerd aan de naleving van de mensenrechten die in die twee verdragen zijn vastgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in het geval van ANØM is het hof derhalve van oordeel dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat voor het hof de rechtmatige toepassing van door de autoriteiten van een andere staat toegepaste bevoegdheden niet ter toets staat. Voor de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel maakt het overigens naar ’s hofs oordeel ook geen verschil of het gaat om bewijs waarom is verzocht of bewijs dat spontaan is verstrekt. Indien in het buitenland een opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende (potentiële) bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het hof ontbreken daarvoor concrete aanknopingspunten. Dit volgt in elk geval niet uit de door de verdediging overgelegde brief van de Europese Commissie van 3 augustus 2023, waaruit blijkt dat Nederland vertegenwoordigd was in de door Europol opgezette en door de FBI geleide OTF Greenlight , dat zich naar aanleiding van de door de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika vergaarde ANØM -data richtte op onderzoek naar criminele activiteiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft de betrokkenheid en rol van een derde land bij het onderzoek van de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika naar ANØM overweegt het hof het volgende. Uit de hierboven opgenomen feitelijke context leidt het hof af dat er sprake is van een derde land, een EU-lidstaat, niet zijnde Nederland, waar een server ten dienste van een FBI-onderzoek heeft gestaan. Niet gebleken is dat in het kader van dit onderzoek sprake is geweest van opsporingsactiviteiten van het derde land zelf. Het moet er daarom voor worden gehouden dat slechts sprake is geweest van technische bijstand door het derde land, een EU-lidstaat, bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, waarbij de Verenigde Staten van Amerika het intercepterende land waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien en voor zover de interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op alle ANØM -toestellen bij eindgebruikers, waardoor sprake is geweest van infiltratie van eindapparatuur in de landen waar die apparatuur zich bevond, geldt hetzelfde als het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de EncroChat -toestellen, onder verwijzing naar de geciteerde rechtsoverweging 5.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024. De inzet van de interceptietool vond plaats onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Met betrekking tot de toetsing van de inzet van de interceptietool is derhalve het vertrouwensbeginsel van toepassing, zodat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in de Verenigde Staten van Amerika. De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool wellicht meebracht dat ook gegevens van ANØM -toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat de inzet van de interceptietool, met het daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en het vervolgens delen van die data met de Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit de Verenigde Staten van Amerika, met technische bijstand van een derde land, een EU-lidstaat, niet zijnde Nederland, terwijl die omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overging naar of mede kwam te liggen bij de autoriteiten van het land waar een gebruiker van het toestel zich op dat moment bevond. Ook artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de interceptie van de EncroChat - en SkyECC -data niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van de JITs en dat daarom op grond van artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU (ook wel kortweg EOB-Richtlijn genoemd) Frankrijk als intercepterende lidstaat aan Nederland een kennisgeving had moeten zenden van de interceptie die ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland plaatsvond.</para>
      <para>Indien het hof van oordeel zou zijn dat wat betreft de EncroChat -data de interceptie wel binnen het kader van de JITs heeft plaatsgevonden, heeft volgens de verdediging te gelden dat gelet op artikel 13, derde lid, onder b, van de EU-Rechtshulpovereenkomst en de artikelen 5.2.2 en 5.2.5 Sv met de interceptie van telecommunicatie van gebruikers in Nederland op het grondgebied van Nederland wordt gehandeld en dat daarom Nederlands recht van toepassing is en de rechtsbescherming in Nederland dient te liggen.</para>
      <para>Volgens de verdediging was er naar Nederlands recht geen wettelijke grondslag voor de interceptie. Artikel 126nba Sv is niet van toepassing, omdat die bepaling het slechts mogelijk maakt binnen te dringen in het geautomatiseerde werk dat door de verdachte in gebruik is. De verdachten betreffen hier echter de aanbieder en de daaraan gelieerde personen en dus niet de gebruikers. Artikel 126uba Sv kan evenmin de wettelijke grondslag vormen. Een titel V-bevoegdheid mag namelijk niet worden ingezet bij een titel IVa-onderzoek, waarvan volgens de verdediging hier sprake was.</para>
      <para>Voor die machtiging had de rechter-commissaris zelfstandig een toets dienen te verrichten volgens Nederlands recht, hetgeen hij niet heeft gedaan. De machtiging kan dan ook niet worden beschouwd als een machtiging voor de interceptie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de ANØM -data heeft de verdediging – op de gronden als verwoord in de pleitnota, kort samengevat – primair betoogd, dat de interceptie niet onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden, maar onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van het derde land dat bij de interceptie was betrokken, een EU-lidstaat. Dat maakt dat artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is.</para>
      <para>Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is met betrekking tot de toetsing van de interceptie, omdat dat vertrouwen niet kan worden ontleend aan het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, aan de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, aan het EVRM, aan het IVBPR of aan welke andere verdragsbepaling dan ook.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Met betrekking tot EncroChat en SkyECC</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt en van welke geen technische bijstand vereist is’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Indien de bevoegde autoriteit van één lidstaat (de ‘intercepterende lidstaat’) ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie, en het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat (de ‘in kennis gestelde lidstaat’) en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de intercepterende lidstaat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat van de interceptie in kennis, en wel: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a) <emphasis role="italic">voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b) <emphasis role="italic">tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage C.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, kan de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a) <emphasis role="italic">dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en,</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b) <emphasis role="italic">dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 5.4.18 Sv luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie het opnemen van telecommunicatie betrekking heeft, zich bevindt wanneer geen technische bijstand is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Indien de officier van justitie door middel van het formulier in bijlage C een kennisgeving inzake opnemen van telecommunicatie ontvangt, stelt hij de kennisgeving onverwijld in handen van de rechter-commissaris. De kennisgeving dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. De rechter-commissaris beslist binnen 48 uur nadat hij kennisgeving heeft ontvangen, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 126m en 126t, of met het opnemen kan worden ingestemd. De instemming kan worden geweigerd indien in een soortgelijke Nederlandse strafzaak het opnemen van telecommunicatie niet zou worden toegestaan.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Binnen 96 uur nadat hij de kennisgeving van de uitvaardigende autoriteit heeft ontvangen, deelt de officier van justitie aan de uitvaardigende autoriteit mede of wordt ingestemd met het opnemen van de telecommunicatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. Indien instemming wordt verleend, verbindt de officier van justitie daaraan, onder opgave van redenen, de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld, alsmede de voorwaarden, dat de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a. <emphasis role="italic">voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b. <emphasis role="italic">alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. Indien de instemming wordt verleend, is artikel 126bb van overeenkomstige toepassing.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van deze artikelen begrijpt het hof het (primaire) standpunt van de verdediging, dat artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is aldus, dat in de visie van de verdediging interceptie in een soortgelijke zaak in Nederland niet zou zijn toegestaan vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en dat daarom de bevoegde autoriteit van Nederland als de in kennis gestelde lidstaat ingevolge het derde lid van artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU de bevoegde autoriteit van Frankrijk als de intercepterende lidstaat ervan in kennis had moeten stellen dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd en dat, waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op Nederlands grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die Nederland stelt.</para>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt (vgl. het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1258. Tevens kan worden gewezen op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1105).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het toepassingsgebied van een EOB wordt bepaald in artikel 3 van Richtlijn 2014/41/EU. </para>
      <para>Dit artikel 3 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (‘de overeenkomst’) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, (…).’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof concludeert dat Richtlijn 2014/41/EU derhalve niet van toepassing is als het gaat om bewijsgaring en uitwisseling/overdracht van die bewijsgegevens tussen twee of meerdere lidstaten die een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) hebben gevormd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag of er genotificeerd is overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU is aldus van belang voor de vraag of de Nederlandse autoriteiten, waren zij in kennis gesteld door de uitvoerende staat van de interceptie ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland, instemming met (het gebruik van verkregen) interceptie zouden weigeren. Die vraag is evenwel weinig relevant als de Nederlandse autoriteiten, zoals in casu het geval was, hun medewerking verleenden aan een JIT. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het arrest van het Hof van Justitie van 30 april 2024, waarnaar de verdediging in het kader van de gestelde notificatieplicht heeft verwezen, gaat het om een zaak waar het Duitse Openbaar Ministerie door middel van een EOB aan de Franse autoriteiten overdracht had verzocht van de door Frankrijk door middel van interceptie reeds verkregen Encrochat -gegevens. Nu de Encrochat - en Sky-ECC -gegevens waar het in het onderhavige onderzoek om gaat, telkens door Nederland zijn verkregen in het kader van een JIT, zoals hiervoor al weergegeven, is het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof van Justitie voor het onderhavige onderzoek 26Alston in dit geval niet relevant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof volgt het (primaire) standpunt van de verdediging dus niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede voegt het hof hier evenwel nog het volgende aan toe. Zelfs al zou artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing zijn, dan levert niet-naleving van dat voorschrift</para>
      <para>– ervan uitgaande dat de bevoegde autoriteit van Frankrijk de bevoegde autoriteit van Nederland niet in kennis heeft gesteld van de interceptie ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland – niet een onherstelbaar vormverzuim op dat weliswaar buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt, maar waaraan toch het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting (of enig ander in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemd rechtsgevolg) zou moeten worden verbonden. Het hof overweegt daartoe het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 30 april 2024 onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘120.	Met zijn vierde vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in wezen te </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">vernemen of artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht, en dat die bescherming zich ook uitstrekt tot het gebruik van de aldus vergaarde gegevens in het kader van een in de in kennis gestelde lidstaat ingeleide strafrechtelijke procedure.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>121. <emphasis role="italic">Om te beginnen is er bij de ‘interceptie van telecommunicatie’ zoals </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bedoeld in artikel 31 van richtlijn 2014/41, dat wil zeggen een vorm van interceptie die kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie die interceptie betrekking heeft, zich bevindt, anders dan bij de ‘interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat’, waarop artikel 30 van die richtlijn betrekking heeft, geen sprake van een EOB. Hieruit volgt dat de verschillende voorwaarden en waarborgen voor een EOB niet op eerstgenoemde interceptie van toepassing zijn.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>122. <emphasis role="italic">Vervolgens komt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 3, van richtlijn </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2014/41, zoals is opgemerkt in punt 118 van het onderhavige arrest, naar voren dat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat, indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis kan stellen dat die interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, of zelfs in voorkomend geval dat materiaal dat reeds is geïntercepteerd niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>123. <emphasis role="italic">Het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in die bepaling impliceert dat de in </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">kennis gestelde lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt die kan worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die staat, onder verwijzing naar het feit dat een dergelijke interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Het hof constateert dat in de officiële Nederlandse vertaling van dit arrest in deze rechtsoverweging een nadere duiding lijkt te worden gegeven aan het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU, terwijl uit de context van het arrest blijkt dat het betrekking heeft op het werkwoord ‘kunnen’ in de officiële Nederlandse vertaling van de aanhef van artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU (‘<emphasis role="italic">Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, </emphasis><emphasis role="underline italic">kan </emphasis>[onderstreping, hof] <emphasis role="italic">de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen (…)’ </emphasis>en niet op het werkwoord ‘mogen’ in de officiële Nederlandse vertaling van het bepaalde in sub a en b van dat artikellid.</para>
      <para>Het hof leest de officiële Nederlandse vertaling van deze rechtsoverweging dan ook verbeterd en begrijpt dat hier is bedoeld een nadere duiding te geven aan het gebruik van het werkwoord ‘kunnen’ in artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU. Deze verbeterde lezing komt overeen met de officiële Duitse vertaling van deze rechtsoverweging (<emphasis role="italic">‘Die Verwendung des Verbs ‘können’)</emphasis>, in deze zaak de gebruikte procestaal]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>124. <emphasis role="italic">Artikel 31 van richtlijn 2014/41 beoogt dus niet alleen te waarborgen dat de </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a.,C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 36), moet daarom worden overwogen dat met artikel 31 van richtlijn 2014/41 ook de bescherming wordt beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>125. <emphasis role="italic">Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), worden </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">geantwoord dat artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het ook strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU hier al van toepassing zou zijn en de hierin benoemde kennisgeving onterecht achterwege is gebleven door de Franse autoriteiten, levert dit overigens geen (onherstelbaar) vormverzuim op. Dit artikel beoogt namelijk niet alleen het waarborgen van de eerbiediging van de soevereiniteit van de in kennis gestelde staat (Nederland) door de autoriteiten van een land (Frankrijk) die soeverein zijn om te bepalen welke onderzoeksactiviteiten op het eigen grondgebied (Frankrijk) plaatsvinden, ook al hebben die activiteiten hun uitwerking mede in andere landen (in casu Nederland). Daarnaast beoogt dit artikel ook dat het in de kennis gestelde lidstaat (Nederland) gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Dit ziet het hof overigens ook verankerd in het derde artikellid, waarin de bevoegdheid tot weigeren van de instemming door de in kennis gestelde staat verband houdt met de verplichting die rust op staten het beschermingsniveau ten behoeve van de geïntercepteerde gebruikers daarin te betrekken en te eerbiedigen. Deze bepaling kent evenwel niet als zodanig en in het bijzonder rechten toe aan die gebruikers. Of het in deze strafzaak relevant zou zijn geweest vast te stellen of een inbreuk is gemaakt op de Nederlandse soevereiniteit door niet te notificeren, betreft dan ook niet een vraag waar de verdachte in zijn individuele strafzaak een beroep op toekomt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het subsidiaire standpunt van de verdediging, indien het hof van oordeel zou zijn dat de interceptie zelf binnen het kader van het JIT heeft plaatsgevonden, behoeft geen nadere bespreking, omdat uit hetgeen het hof hiervoor onder ‘Feitelijke context EncroChat , SkyECC en ANØM ’ heeft overwogen al blijkt dat het hof als uitgangspunt bij de beoordeling hanteert dat de JIT-overeenkomsten alleen zagen op het delen van informatie en bewijsmiddelen en niet op de interceptie zelf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Met betrekking tot ANØM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De (primaire) stelling van de verdediging dat de interceptie van de ANØM -data niet onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden, maar onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van het derde land, een EU-lidstaat, en de (subsidiaire) stelling dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is met betrekking tot de toetsing van de interceptie van de ANØM -data, gaan niet op. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen het hiervóór daaromtrent heeft overwogen onder ‘Vertrouwensbeginsel: ANØM ’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt bijgevolg in al zijn onderdelen verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtmatigheid van de verwerking van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de gronden als verwoord in de pleitnota heeft de verdediging aangevoerd dat de verwerking van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data onrechtmatig was. Deze gronden houden – kort samengevat – het volgende in.</para>
      <para>In de eerste plaats was de verwerking van de data onrechtmatig, omdat de interceptie ook onrechtmatig was.</para>
      <para>Daarnaast is er geen wettelijke grondslag voor de verwerking van die data, terwijl die grondslag er op grond van artikel 52, eerste lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) wel zou moeten zijn nu door de verwerking van de data sprake is van een beperking van de in de artikelen 8 van het EVRM en 7 en 8, eerste lid, van het Handvest vervatte grondrechten, te weten het recht op eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens, waarbij die beperking ook nog eens moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.</para>
      <para>Met betrekking tot de ANØM -data heeft bovendien te gelden dat de verwerking van deze data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’ ervan onrechtmatig is geschied, omdat daarbij geen rechter of onafhankelijke autoriteit is betrokken, terwijl dat wel had gemoeten vanwege de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten bij de verwerking van die data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft hiervóór onder ‘Vertrouwensbeginsel: EncroChat en SkyECC ’ en ‘Vertrouwensbeginsel: ANØM )’ al overwogen dat het van oordeel is dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is in deze zaak, zowel voor wat betreft de interceptie als voor wat betreft de overdracht van de data. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtmatigheid van de door Frankrijk bij EncroChat en SkyECC en de door de Verenigde Staten van Amerika bij ANØM toegepaste bevoegdheden om die gegevens te verkrijgen niet kan worden getoetst door de Nederlandse rechter. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de verdediging dat de interceptie onrechtmatig was.</para>
      <para>Met betrekking tot de verwerking van de ANØM -data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’ ervan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika voegt het hof hieraan toe dat het hof van enige verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten voor de verwerking van deze data tot aan het moment waarop zij door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika spontaan aan de Nederlandse autoriteiten zijn verstrekt, niet is gebleken. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen het hiervoor onder ‘Vertrouwensbeginsel: ANØM ’ heeft overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de verdediging zich heeft beroepen op Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 verwijst het hof naar hetgeen de Hoge Raad onder E in zijn reeds meermalen aangehaalde arrest van 13 juni 2023 heeft overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘E. Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 (6.26-6.27)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.26 Mede naar aanleiding van de schriftelijke opmerkingen die zijn gemaakt, overweegt de Hoge Raad nog het volgende over het (eventuele) belang van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie; hierna: Richtlijn 2002/58/EG), en van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (hierna: Richtlijn (EU) 2016/680).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.27.1 Richtlijn 2002/58/EG beoogt de fundamentele rechten respectievelijk de rechtmatige belangen te beschermen van natuurlijke personen en rechtspersonen die abonnee zijn van een openbare elektronische-communicatiedienst. Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij onder meer de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen. Op grond van artikel 3 Richtlijn 2002/58/EG is deze richtlijn van toepassing op ‘de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen’. Daartoe zijn in deze richtlijn voorschriften opgenomen die erop zijn gericht de vertrouwelijkheid te waarborgen van de persoonsgegevens van abonnees en gebruikers en van de informatie betreffende de communicatie door deze abonnees en gebruikers. Richtlijn 2002/58/EG is niet van toepassing op (onder meer) activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied (artikel 1 lid 3).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.27.2 Richtlijn 2002/58/EG is, gelet op het hiervoor geschetste toepassingsbereik van deze richtlijn, onder meer van belang als de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden ertoe leidt dat op een aanbieder van een openbare elektronische-communicatiedienst een verplichting komt te rusten om met de communicatie verband houdende persoonsgegevens </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">– bijvoorbeeld verkeers- of locatiegegevens – te bewaren en/of te verstrekken. Dit betekent echter niet dat in alle gevallen waarin de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden ertoe leidt dat de strafvorderlijke autoriteiten komen te beschikken over dergelijke gegevens, Richtlijn 2002/58/EG toepassing vindt. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, vallen buiten het bereik van Richtlijn 2002/58/EG. In de uitspraak La Quadrature du Net overweegt het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Wanneer de lidstaten daarentegen rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische communicatiediensten, wordt de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89), wat betekent dat de betrokken maatregelen met name in overeenstemming moeten zijn met het nationale constitutionele recht en met de vereisten van het EVRM.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.27.3 Uit de vaststellingen van de rechtbanken volgt dat in de voorliggende zaken geen onderzoeksresultaten zijn verkregen op grond van aan de bedrijven Encrochat en SkyECC opgelegde verwerkingsverplichtingen. Het gaat in deze zaken daarentegen om de uitoefening door strafvorderlijke autoriteiten van bevoegdheden waarmee rechtstreeks gegevens in verband met het versleutelde berichtenverkeer zijn verkregen. Dat brengt met zich dat Richtlijn 2002/58/EG hier verder niet van belang is. Bovendien volgt uit de vaststellingen van de rechtbanken dat de bedrijven Encrochat en SkyECC beide een versleutelde berichtendienst aanboden, waarbij de gebruikers van die dienst niet hun identiteit – en dus ook geen persoonsgegevens – kenbaar hoefden te maken en waarbij communicatie alleen mogelijk was tussen de gebruikers van de betreffende dienst. Voor zover het hierbij al ging om de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken, volgt uit de vaststellingen van de rechtbanken dat geen sprake was van verwerking van persoonsgegevens door die bedrijven. Ook om deze redenen is Richtlijn 2002/58/EG hier niet van belang. Deze richtlijn is er immers op gericht de persoonsgegevens die worden geregistreerd of anderszins bekend worden door het gebruik van openbare elektronische-communicatiediensten, te beschermen, onder meer doordat – op grond van artikel 15 Richtlijn 2002/58/EG – nader wordt genormeerd in welke gevallen en onder welke voorwaarden dergelijke gegevens mogen worden bewaard dan wel aan overheidsinstanties toegang kan worden verleend tot die gegevens.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.27.4 Richtlijn (EU) 2016/680 heeft betrekking op de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd door wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten. Deze regelgeving is van belang als (persoons)gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen en vervolgens aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking zijn gesteld, in Nederland worden verwerkt ten behoeve van de opsporing of vervolging. (…)’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder overweegt het hof het volgende (vgl. het genoemde arrest van dit hof van 26 september 2024).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verwerken van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data valt onder de werkingssfeer van Richtlijn (EU) 2016/680, in Nederland onder andere geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en daarmee onder het Handvest. De Nederlandse wet biedt geen expliciete grondslag voor de verwerking van gegevens als in deze zaak aan de orde, die zijn verkregen in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek. Ook artikel 126uba Sv biedt die grondslag in strikte zin niet.</para>
      <para>Het ontbreken van een wettelijke grondslag staat er echter niet aan in de weg dat – zoals bij de EncroChat - en SkyECC -gegevens is gebeurd – het Openbaar Ministerie een machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en dat die rechter-commissaris op die vordering beslist buiten situaties waarin de wet dit eist. Die bevoegdheid vloeit voort uit het systeem van de wet, waarin de rechter-commissaris krachtens artikel 170 Sv is belast met toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek. In het algemeen wordt hieruit de opdracht afgeleid te waken over de rechtmatigheid en volledigheid van het opsporingsonderzoek. Aldus kan ook buiten het wettelijk kader betrokkenheid van de rechter-commissaris een noodzakelijke voorwaarde zijn om een bepaalde opsporingsmethode rechtmatig te doen zijn. In het bijzonder kan worden gedacht aan een machtiging door de rechter-commissaris ter zake van het gebruik van communicatiegegevens in gevallen waarin op voorhand is te verwachten of is te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kan zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderzoek 26Lemont met betrekking tot EncroChat heeft de rechter-commissaris, naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie, een machtiging gegeven voor het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk op grond van artikel 126uba Sv. In de beschikking heeft de rechter-commissaris overwogen dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze kon worden verkregen en worden gebruikt en zijn voorwaarden geformuleerd teneinde de (mogelijke) privacy-schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Pas na het verkrijgen van aanvullende toestemming van de rechter-commissaris mochten de onderzoeksgegevens worden verstrekt aan een onderzoeksteam ten behoeve van de verwerking in een ander onderzoek. Dat is in onderzoek 26Alston ook gebeurd.</para>
      <para>In onderzoek 26Argus is hetzelfde beslist, zoals hiervoor bij de weergave van de feitelijke context is vermeld.</para>
      <para>Voor zover door de verwerking van de EncroChat - en SkyECC -data al sprake is van een inbreuk op enig grondrecht vervat in het EVRM en/of het Handvest, is die inbreuk naar het oordeel van het hof door de aldus gevolgde werkwijze in voldoende mate bij wet voorzien. Van enig vormverzuim is daarmee niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ANØM -data zijn spontaan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten. Hieraan is geen toets door een Nederlandse rechter(-commissaris) voorafgegaan. Dat hoefde ook niet de data zijn immers spontaan verstrekt. </para>
      <para>In de brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 hebben de officieren van justitie in het onderzoek 26Eagles verantwoording afgelegd over onder meer de wijze waarop de verwerking van de data, nadat deze van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika waren verkregen, in dat onderzoek heeft plaatsgevonden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Dataverwerking in 26Eagles</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zoals gezegd, betreft onderzoek 26Eagles een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek naar NN verdachten die zich vermoedelijk schuldig maken aan het in georganiseerd verband beramen en plegen van bovengenoemde ernstige misdrijven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aangezien in het proces verbaal van de DLIO is beschreven dat elk toestel voor het beramen en plegen van dergelijke ernstige misdrijven wordt gebruikt, is er voldoende grond de gebruiker van die toestellen te achterhalen en daartoe, indien noodzakelijk, opsporingsmiddelen in te zetten.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het proces verbaal van de DLIO en het start proces verbaal 26Eagles zullen niet worden verstrekt aan de behandelende officieren van justitie in andere onderzoeken, waaraan ingevolge artikel 126dd Sv gegevens uit het onderzoek 26Eagles zijn verstrekt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het onderzoek 26Eagles betreft een ander voorbereidend onderzoek dan de strafrechtelijke onderzoeken waaraan gegevens uit 26Eagles zijn verstrekt. Daarin worden dan ook geen specifieke feiten of omstandigheden betreffende specifieke verdachten c.q. specifieke verdenkingen vermeld, maar feiten en omstandigheden in relatie tot het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband. Bij de verstrekking van gegevens vanuit onderzoek 26Eagles gaat het telkens om verstrekking aan onderzoeken aangaande geconcretiseerde verdachten en geconcretiseerde strafbare feiten en daarmee derhalve andere strafbare feiten en verdachten dan de niet-geconcretiseerde strafbare feiten die in het kader van voornoemde onderzoek 26Eagles werden vermoed begaan te zijn of beraamd te worden door niet-geconcretiseerde NN-personen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het onderzoek aan de data worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">De van de Amerikaanse autoriteiten verkregen en ontsleutelde gegevens worden onderzocht met toepassing van zoeksleutels, zoals</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	informatie over ANØM -gebruikers (en hun contacten en eventueel daar weer de contacten van) uit lopende onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="italic">Het onderzoek moet zo worden ingericht dat achteraf reproduceerbaar en </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek. Daarbij moet duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke dataset aan het betreffende andere onderzoeksteam kan worden verstrekt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. <emphasis role="italic">Bij het onderzoek aan de data wordt recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt communicatie van en met geheimhouders actief uitgefilterd.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Binnen de bovengenoemde gestelde kaders en voorwaarden hebben analisten van de Nationale Politie en buitengewone opsporingsdiensten (KMAR en FIOD) de verkregen informatie geanalyseerd. Voor zover specifieke informatie van belang is gebleken voor een (lopend) strafrechtelijk onderzoek, is in een proces verbaal beschreven welke ID’s, ten aanzien waarvan tegen de gebruiker de verdenking was gerezen dat deze deel uitmaakte van een omschreven georganiseerd verband, en welke kaders voor het betreffende onderzoek relevant werden geacht. Vervolgens hebben wij als zaaksofficieren van 26Eagles deze informatie getoetst en toestemming verleend om die informatie te mogen gebruiken in het betreffende strafrechtelijke onderzoek. Na verkregen toestemming hebben de onderzoeksteams toegang gekregen tot de inhoudelijke berichten van de desbetreffende in het proces verbaal omschreven en toegestane dataset en is door de zaaksofficieren bepaald dat de verkregen data mogen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek ex artikel 126dd WvSv.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarnaast is gekeken naar strafbare feiten op basis van zoekwoordenlijsten van aan zware criminaliteit gerelateerde termen. Aan de hand van deze analyses zijn via de zaaksofficieren van 26Eagles ook ID’s en hun vermoedelijke betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit in beeld gekomen, waarna het georganiseerde verband verder kon worden geanalyseerd, en in kaart gebracht. Daarnaast kon gebruik worden gemaakt van de inhoud van de toegestane dataset ten behoeve van de opsporing van concrete strafbare feiten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geheimhouders</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vanaf de start van het onderzoek is getracht om informatie van geheimhouders die gebruik maakten van een toestel van ANØM ontoegankelijk te maken. Er is door de zaaksofficieren van 26Eagles bepaald dat dergelijke informatie ontoegankelijk moest worden gemaakt, in elk geval totdat een andere officier van justitie buiten het onderzoek (de zogenaamde geheimhoudersofficier) heeft geoordeeld of die informatie valt onder het verschoningsrecht of niet. Het actief zoeken op mogelijk aanwezige geheimhouders in de dataset is zeer lastig gebleken, omdat de toestellen zelf niet gelinkt zijn aan bestaande bekende telefoonnummers of namen van geheimhouders. Er zijn binnen onderzoek 26Eagles tot op heden geen geheimhouders onderkend. (…)’. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof hebben de zaaksofficieren van het onderzoek 26Eagles aldus voldoende waarborgen gecreëerd ter zake van het gebruik van communicatiegegevens waarin op voorhand was te verwachten of te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kon zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in het kader van het vorenoverwogene acht geslagen op hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 6.25 van zijn arrest van 13 juni 2023 heeft overwogen, te weten het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘D. Gebruik van informatie in andere onderzoeken </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">6.25 Nadat gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen, ter beschikking zijn gesteld aan de Nederlandse autoriteiten, kunnen deze gegevens in ieder geval worden gebruikt voor het onderzoek waarin – met het oog op de verkrijging van die gegevens – het rechtshulpverzoek is gedaan of een EOB is uitgevaardigd, of die ten behoeve van dat onderzoek spontaan zijn overgedragen. Ook kunnen gegevens die zijn verkregen door een (gedetacheerd) lid van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, worden gebruikt voor het doel waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld. De mogelijkheid om die gegevens te bewaren en/of te gebruiken voor andere strafvorderlijke onderzoeken, kan zijn beperkt op grond van wat over dat gebruik is geregeld in de betreffende rechtsinstrumenten, bijvoorbeeld doordat het verdere gebruik is verbonden aan de voorwaarde van het verkrijgen van toestemming, dan wel de Nederlandse wetgeving, waaronder de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daarnaast geldt dat artikel 126dd Sv overeenkomstige toepassing vindt als het gaat om gegevens die zijn verkregen door middel van toepassing van in het buitenland uitgeoefende bevoegdheden die overeenkomen met de bevoegdheden die worden genoemd in die bepaling. Tot slot is het openbaar ministerie, in het geval dat een machtiging door de rechter-commissaris is verleend waaraan voorwaarden met betrekking tot het gebruik van gegevens zijn opgenomen (zie onder 6.24), gebonden aan de betreffende voorwaarden.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging baseert het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting onder meer op de in de artikelen 8 van het EVRM en de artikel 7 en 8, eerste lid, van het Handvest vervatte grondrechten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De richtlijnen en daarop gebaseerde jurisprudentie waar de verdediging zich bij de onderbouwing van de schending van artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 8 van het Handvest op baseert, hebben betrekking op – kort gezegd – de bescherming van individuen tegen ongeoorloofde inmenging in hun privéleven door overheidsinstanties en op de bescherming van persoonsgegevens. Het verweer van de verdediging komt er daarmee in de kern op neer dat de privacy van de ANØM -gebruikers is geschonden. De verdediging heeft evenwel niet geconcretiseerd waaruit die schending in deze zaak, met betrekking tot de onderhavige verdachte, bestaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de hiervóór uiteengezette feitelijke context blijkt dat ANØM , anders dan bijvoorbeeld EncroChat en SkyECC , een mede door de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika ontwikkelde, niet voor eenieder toegankelijke, cryptcommunicatiedienst was en dat elk ANØM -toestel werd gebruikt voor de communicatie met betrekking tot ernstige strafbare feiten. Dit laatste blijkt ook uit de onderhavige zaak, waarin de ANØM -toestellen doelbewust, veelvuldig en uitsluitend zijn gebruikt om strafbare drugsfeiten mee te plegen en de opsporing daarvan door politie en justitie te frustreren.</para>
      <para>Gelet hierop beschouwt het hof ANØM in deze zaak niet anders dan als een instrument om criminele activiteiten toe te dekken. Het hof deelt met de verdediging de conclusie dat uit de genoemde richtlijnen een hoog niveau van bescherming van de privacy en van de persoonsgegevens van onderdanen van de lidstaten voortvloeit, maar hecht eraan te benadrukken dat deze richtlijnen nooit zijn bedoeld om criminele activiteiten toe te dekken en de opsporing daarvan doelbewust te frustreren. Voor zover in de marge van de via ANØM gevoerde gesprekken al privacygevoelige gegevens zijn genoemd, verdienen deze gegevens naar het oordeel van het hof geen privacybescherming. </para>
      <para>Kortom, het hof is van oordeel dat door de interceptie en de (verdere) verwerking van ANØM -gegevens in deze zaak geen beschermenswaardige aspecten van het recht op privacy, zoals gegarandeerd door artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 8 van het Handvest, zijn geraakt. Van een schending van die bepalingen is ook daarom geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtsbescherming en eindconclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat door de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er (vooralsnog) sprake is van een ‘totaalgebrek’ aan rechtsbescherming voor de Nederlandse burger, zodat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces en de EncroChat -, SkyECC en ANØM -data om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs.</para>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de hiervoor onder ‘Vertrouwensbeginsel: EncroChat en SkyECC ’ geciteerde rechtsoverwegingen 6.5.2 tot en met 6.5.4 van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 stelt het hof voorop dat de taak van het hof in de onderhavige zaak ertoe beperkt is de ‘overall fairness’ van de strafzaak te waarborgen. De wijze waarop van de resultaten van de buitenlandse onderzoeken in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, mag geen inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het betoog van de verdediging miskent dat toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel niet betekent dat onderzoeksresultaten afkomstig uit het buitenland niet door de verdediging getoetst kunnen worden. De verdediging is in de gelegenheid gesteld en geweest om effectief commentaar te geven op de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data, zowel op de data die zijn opgenomen in het procesdossier als op de door de politie in deze zaak gebruikte datasets (meta-data) waarin de verdediging, zoals inmiddels veel voorkomend in zaken waarbij crypto-data deel uitmaken van het bewijs, volledig inzage heeft kunnen krijgen door middel van het zogenoemde Hansken-systeem. De verdediging heeft naar het oordeel van het hof dan ook voldoende gelegenheid gehad om de crypto-data die in de strafvervolging tegen de verdachte worden gebruikt, te (kunnen) toetsen en (eventuele discrepanties) effectief te becommentariëren.</para>
      <para>Van een gebrek aan rechtsbescherming is dan ook geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar al hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen onder ‘Bewijsuitsluiting van EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data?’ concludeert het hof dat niet is gebleken van enig onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek of daarbuiten, waaraan ingevolge het bepaalde in artikel 359a, eerste lid, Sv het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg zou moeten worden verbonden. Het hof is van oordeel, dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie crypto-data gebruikers</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het politiedossier blijkt dat niet alle ten behoeve van onderzoek ‘26Alston’ ter beschikking gestelde data ontsleuteld en zichtbaar zijn geworden, ook bleken periodes van data te ontbreken. Uit de wel ontsleutelde zichtbare data kwam naar voren dat veelal in verhullende termen met elkaar werd gecommuniceerd, waarbij bovendien gebruik bleek te worden gemaakt van bijnamen. Hoewel deze omstandigheden ertoe leiden dat het hof bij zowel de identificatie van de gebruikers van de berichtenservices als bij de interpretatie van die berichten behoedzaamheid dient te betrachten, kan uit de voor het bewijs gebezigde ontsleutelde berichtgeving niet anders worden geconcludeerd dan dat het voor de gebruikers van de berichtenservices duidelijk was met wie zij over en weer communiceerden. Dat is voor het hof tevens een indicatie voor de conclusie dat de accounts (al dan niet met de daaraan gekoppelde telefoons) een vaste gebruiker hadden en dat de accounts niet van gebruikers wisselden. En als het al zo was dat een gebruiker van account wisselde of gebruik maakte van een account van een ander, meldde deze zich met zijn bijnaam, nickname of een voordien gebruikte accountnaam, waardoor het voor het contact meteen duidelijk was wie zich meldde. Daaruit kan worden afgeleid dat als een account (telefoon) al werd uitgeleend, dit meteen duidelijk werd gemaakt door degene die deze tijdelijk in gebruik had. </para>
      <para>Uit de EncroChat -data bleek dat gebruik werd gemaakt van EncroChat -namen (Chat ID’s/ EncroChat -accounts) en het hof merkt op voor zover die termen hierna in zijn overwegingen worden betrokken, daarmee steeds en overal wordt gedoeld op de EncroChat -namen, bestaande uit *naam*@ encrochat .com. Uit de SkyECC -data alsmede de ANØM -data bleek dat gebruik werd gemaakt van accounts. De politie heeft de gebruikers van deze cryptodiensten geïdentificeerd als vermeld in onderstaande tabel 1, waarbij opvalt dat verschillende aanbieders van versleutelde berichtendiensten zijn toegeschreven aan eenzelfde gebruiker. In het verlengde van de bevindingen van de politie nadat de berichtendienst EncroChat niet meer beschikbaar was als gevolg van politieonderzoek, is gebleken dat er sprake was van een substantiële toename van gebruikers van SkyECC -berichtendienst. Het hof ziet daarin ook een verklaring voor het gebruik van meerdere (opvolgende) aanbieders van versleutelde communicatiediensten door eenzelfde gebruiker in de onderhavige gevallen . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">tabel 1 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <informaltable>
      <tgroup cols="4">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <colspec colname="colD" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold">EncroChat -naam/-account/ Chat-ID</emphasis>
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold">SkyECC - account</emphasis>
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold">ANØM - account</emphasis>
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">Geïdentificeerde gebruiker</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 1]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 2]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 14]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 15]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 16]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 25]
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 1]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 2] 1962 te [geboorteplaats 2]</emphasis>
              </para>
              <para />
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 3]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 17]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 18]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 2]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 3] 1978 te [geboorteplaats 3]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 4]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 19]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 20]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 7]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 4] 1992 te [geboorteplaats 4]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 5]
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 3]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 5] 1961 te [geboorteplaats 5]</emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Overleden op [sterfdag 1] 2020.</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 6]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 8]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 6] 1967 te [geboorteplaats 6]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 7]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 4]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 7] 1971</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 8]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 9]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 5]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 8] 1987 te [geboorteplaats 7]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 10]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 21]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 6]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 9] 1973 te [geboorteplaats 8]</emphasis>
              </para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 11]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 22]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 23]
              </para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [verdachte]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren op [geboortedag 1] 1984 te [geboorteplaats 1]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 12]
              </para>
              <para>
                [accountnaam 13]
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                [accountnaam 24]
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="bold italic">
                  [medeverdachte 10]
                </emphasis>
              </para>
              <para>
                <emphasis role="italic">Geboren [geboortedag 10] 1986 te [geboorteplaats 9]</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof concludeert dat de in tabel 1 vermelde verdachten telkens de vaste gebruikers waren van de aldaar bij hun naam vermelde accounts van de verschillende versleutelde berichtenservices en overweegt in aanvulling op de daartoe redengevende bewijsmiddelen als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 1] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 1] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 1] ’ tot [medeverdachte 1] als gebruiker is te herleiden. Op 11 april 2020 liet ‘ [accountnaam 1] ’ aan een contact via EncroChat weten in de Seychellen te verblijven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] desgevraagd verklaard dat hij in coronatijd in de Seychellen heeft verbleven en heeft hij bevestigd dat zijn schoonmoeder toentertijd is overleden.<footnote-ref linkend="_d0d46505-bb1a-4e70-a0e4-21f1dcc720f2" /> Voorts is door [medeverdachte 1] raadsman [advocaat 2] ter terechtzitting in hoger beroep een proces-verbaal overgelegd waarin – voor zover hier relevant – is gerelateerd dat uit onderzoek naar voren kwam dat er twee vluchten vanuit de Seychellen zijn gemaakt, in ieder geval een vlucht op 10 april 2020 voor een bedrag € 102.000,-, zulks naar aanleiding van de stelling in het dossier dat [betrokkene 1] voor een bepaald bedrag was teruggevlogen naar Nederland, hetgeen in dit proces-verbaal bevestiging vindt.<footnote-ref linkend="_63b5829c-6ddf-477e-8947-cc9b138443c9" /> Over zijn vrouw berichtte ‘ [accountnaam 1] ’ dat zij op 10 april 2020 naar huis zou zijn gevlogen in verband met haar zieke moeder. Vervolgens werd ‘ [accountnaam 1] ’ in de periode 15 april tot 19 april 2020 gecondoleerd met het overlijden van zijn schoonmoeder of de moeder van [betrokkene 1] . Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] een (ex-)partner, genaamd [betrokkene 1] , had en dat haar moeder [betrokkene 2] , geboren op [geboortedag 11] 1938 volgens gegevens uit de BRP op [sterfdag 2] 2020 is overleden. Dat [medeverdachte 1] [betrokkene 1] toentertijd zelf als zijn partner zag, blijkt uit een mutatie van de politie toen hij op 10 juli 2020 bij een verkeerscontrole als bestuurder van een op “zijn vriendins” naam gesteld voertuig reed dat inderdaad op [betrokkene 1] naam stond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat ‘ [accountnaam 1] ’ zichzelf op EncroChat tegenover een contact die hij een “nieuwe encro ” had gestuurd desgevraagd voorstelde als “ [medeverdachte 1] ” , overeenkomstig de bij de politie ambtshalve bekende roepnaam van [medeverdachte 1] . En ook “zijn oude woning”, die “schiet tent”, die “van haar is”, die door ‘ [accountnaam 1] ’ op 9 mei 2020 via EncroChat - werd aangeboden aan een contact dat op zoek was naar een woning, zijn aanwijzingen in de richting van [medeverdachte 1] , daar de hoekwoning van [betrokkene 1] in het verleden was beschoten en [accountnaam 1] desgevraagd ook bevestigde dat het ging om een hoekwoning. En tot slot sprak een contact ‘ [betrokkene 3] ’(volgens de politie [betrokkene 3] , de partner van [medeverdachte 1] ’ dochter [betrokkene 4] ,) ‘ [accountnaam 1] ’ via EncroChat aan op 12 april 2020, en aldus terwijl [accountnaam 1] nog op de Seychellen verbleef, dat hij had gehoord van de vrouw van ‘ [accountnaam 1] ’ dat zijn broer aangehouden was bij de grens in verband met 10 openstaande maanden, hetgeen bleek te matchen met de aanhouding van [medeverdachte 1] ’ broer door de KMAR op 11 april 2020 bij een grenscontrole in verband met een openstaande straf van 300 dagen. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat de ChatID ‘ [accountnaam 1] ’ kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] als gebruiker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 2] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Uit het onderzoek 26Alston is gebleken dat op 11 mei 2020 naast ‘ [accountnaam 1] ’ een nieuw EncroChat -account actief werd met de naam ‘ [accountnaam 2] ’. Op die dag liet ‘ [accountnaam 1] ’ die zich via EncroChat desgevraagd kenbaar maakte als “ [medeverdachte 1] ” aan zijn contact weten hem een nieuwe encro te hebben gestuurd. De politie heeft [medeverdachte 1] ook aan deze nieuwe ChatID gekoppeld. Daartoe leidden in de eerste plaats de nicknames die door de contacten aan zowel ‘ [accountnaam 1] ’ als ‘ [accountnaam 2] ’ waren gegeven. Volgens de politie nicknames die zijn te herleiden tot [medeverdachte 1] , die in 2020 een leeftijd van 57 jaar had en die volgens de BRP ingeschreven stond op het adres [adres 4] , net als zijn jongste dochter [betrokkene 5] Zo waren er onder meer de volgende nicknames voor ‘ [accountnaam 1] ’: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Volgens de politie zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] etc. ambtshalve bekende bijnamen voor [medeverdachte 1] . Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] , vergeleken met de overige personen die in het onderzoek 26Alston als verdachten zijn aangemerkt en vervolgd, – behoudens de op [sterfdag 1] 2020 overleden [medeverdachte 3] die nog ruim 1 jaar ouder was – de oudste man betrof. Voornoemde nicknames zouden gelet op zijn leeftijd, zijn woonplaats en zijn roepnaam goed kunnen passen bij [medeverdachte 1] . Datzelfde geldt voor de nicknames die onder meer door de contacten zijn gegeven aan ‘ [accountnaam 2] ’, te weten: [medeverdachte 1] , [accountnaam 2] [accountnaam 1] , [accountnaam 2] / [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , [accountnaam 2] / [medeverdachte 1] , [accountnaam 2] / [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Deze nicknames zouden niet alleen goed kunnen passen bij [medeverdachte 1] , maar ook bij dan wel opvolgend op zijn eerdere EncroChat -account ‘ [accountnaam 1] ’. Nadat een van ‘ [accountnaam 2] contacten ‘ [accountnaam 5] ’ overleed op [sterfdag 1] 2020 meldde zich via EncroChat diens dochter [betrokkene 6] om “ [accountnaam 5] ” activiteiten voort te zetten en reageerde ‘ [accountnaam 2] ’ met het bericht “Ik bem het [medeverdachte 1] ”. Voorts was het ‘ [accountnaam 2] ’ die op 21 mei 2020 aan het contact ‘ [accountnaam 26] ’, in het onderzoek door de politie geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ’ oudste dochter [betrokkene 4] , berichtte “En kijk aub regelmatig in brieven bus [adres 4] ”. Deze aanwijzingen in onderling verband en samenhang bezien leiden tot de conclusie dat de ChatID ‘ [accountnaam 2] ’ kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] als gebruiker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Voorts bleek in het opsporingsonderzoek dat er een SKYECC -account ‘ [accountnaam 15] ’ actief was van 26 januari 2020 tot en met 26 augustus 2020 en dat dit account werd gebruikt onder meerdere nicknames, waaronder ‘ [accountnaam 15] ’. Een in het oog springend chatgesprek vond plaats op 13 juni 2020 toen de gebruiker van ‘ [accountnaam 15] ’ het volgende bericht stuurde naar het contact: “ [medeverdachte 1] [accountnaam 26] ”. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat ‘ [accountnaam 15] ’ zich kenbaar maakte als de vader van [betrokkene 4] , die zoals reeds hiervoor is overwogen als gebruiker van het EncroChat -account ‘ [accountnaam 26] ’ door de politie was geïdentificeerd. Drie dagen later leek deze gebruiker van SKYECC -account ‘ [accountnaam 15] ’ zich in een chatgesprek via SkyECC wederom kenbaar te maken onder bijnamen die tot [medeverdachte 1] te herleiden kunnen zijn. Zo noemde deze ‘ [medeverdachte 1] ’ en ‘ [medeverdachte 1] ’. Dit zijn bijnamen voor [medeverdachte 1] en nicknames die anderen gaven aan [medeverdachte 1] ’ EncroChat -accounts. Sterke aanwijzingen die voor wat betreft de gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’ in de richting van [medeverdachte 1] wijzen. De vraag is of het hof deze aanwijzingen voldoende acht om [medeverdachte 1] als de gebruiker van dit account te identificeren. Die vraag kan naar het oordeel van het hof eerst worden beantwoord nadat ook de overige door de politie aan [medeverdachte 1] toegeschreven SkyECC -accounts zijn besproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het opsporingsonderzoek kwam naast voormeld account nog een SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’ naar voren, dat volgens de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer van 10 augustus 2020 tot en met 15 december 2020 actief bleek te zijn geweest in meerdere landen, waaronder in Dubai en in Nederland. Op de eerste dag van activiteit vond een chatgesprek plaats via SkyECC , waarbij ‘ [accountnaam 16] ’ chatte ‘ [medeverdachte 1] ’, hetgeen in lijn met het vorenoverwogene een aanwijzing zou kunnen zijn dat ook ‘ [accountnaam 16] ’ zich hier met deze bijnaam van [medeverdachte 1] kenbaar maakte. Direct daarop volgde het bericht van ‘ [accountnaam 16] ’ “ [accountnaam 15] kan weg”. Op zichzelf bezien niet veelzeggende teksten in deze twee berichten. Evenwel bezien vanuit degenen die via de cryptoservice dergelijke bondige berichten naar elkaar stuurden, was de betekenis klaarblijkelijk zonneklaar. Zeker indien het hof ervan uitgaat dat de gebruikers van in dit geval SkyECC die contact met elkaar hadden geen willekeurige contacten betroffen, zij elkaar hadden uitgenodigd/geaccepteerd als contact en elkaar aldus kenden en konden herkennen aan de door de gebruikers zelfgekozen nicknames. In dat licht moet dan ook de inhoud van het mediabestand dat SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’ een paar uur later naar een ander contact met de nickname ‘ [accountnaam 27] ’ via SKYECC stuurde, worden geplaatst. Dat mediabestand behelsde immers louter de code “ [accountnaam 16] ” met daarbij het bericht “ [accountnaam 15] sent [accountnaam 27] a contact: and [accountnaam 16] ”. Liet ‘ [accountnaam 15] ’ met zijn nickname ‘ [accountnaam 15] ’ nu aan zijn contact weten dat de nickname ‘ [accountnaam 16] ’ behoorde bij het nieuwe SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’ van [accountnaam 15] als vermeld in het mediabestand? Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord, aangezien 14 seconden later ‘ [accountnaam 15] ’ nog berichtte aan datzelfde contact “Is mijn nieuwe” en ‘ [accountnaam 15] ’ ook reeds aan een ander contact had laten weten dat [accountnaam 15] weg kon. De gebruiker van dit nieuwe SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’ maakte zich op 31 augustus 2020 via SkyECC -bekend aan een contact als “ik ben [medeverdachte 1] ”. Wederom een aanwijzing in de richting van [medeverdachte 1] . De vraag is echter wederom of deze aanwijzingen voldoende zijn voor de identificatie van [medeverdachte 1] als de gebruiker van dit account. Ook hier acht het hof het van belang, voorafgaande aan de duiding van de gebruiker van dit account, het totaalbeeld te overzien .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Volgens de politie bleek uit het opsporingsonderzoek dat het hiervoor besproken SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’, dat de politie aan [medeverdachte 1] toeschrijft, contact had met SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’ dat de politie ook aan [medeverdachte 1] toeschrijft. Dat zou dan impliceren dat de gebruiker met zichzelf zou chatten of dat het toch een of meer andere gebruikers dan [medeverdachte 1] betrof/betroffen die van (een van) deze accounts gebruik maakte. Echter, indien wordt gekeken naar de inhoud van die chatgesprekken, valt de tweede optie af. Dan is het geen vreemde conclusie maar een logische dat hier inderdaad chatgesprekken plaatsvonden tussen een en dezelfde gebruiker, aangezien nagenoeg alle berichten mediabestanden bleken te betreffen met contactgegevens. Het heeft er dan ook alle schijn van – zoals ook de politie concludeerde – dat de contacten van het account ‘ [accountnaam 16] ’ op die wijze zijn overgezet naar het nieuwe account ‘ [accountnaam 14] ’. Die overzet-chats vonden plaats in de periode van 10 tot en met 14 december 2020 en in diezelfde periode werd ‘ [accountnaam 14] ’ actief. Zo werd op 12 december 2020 de nickname ‘ Uw naam ’ veranderd in ‘ [accountnaam 14] ’ en een dag later in ‘ [accountnaam 14] ’ en een dag eerder liet ‘ [accountnaam 14] ’ al via SkyECC aan een contact weten in Dubai te zijn. Dit laatste is een relevant bericht, omdat nog onbesproken is gebleven dat op 24 november 2020 de gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’ ook aan een contact liet weten in Dubai te zijn, conform de historische verkeersgegevens van dat account. Wat bijdraagt aan die relevantie is dat laatstgenoemd bericht van ‘ [accountnaam 16] ’ werd gestuurd naar het contact ‘ [accountnaam 27] ’. En het was vervolgens de gebruiker van dat account-‘ [accountnaam 27] ’ die op 12 december 2020 in het Engels aan SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’ vroeg “Hello who is this” en klaarblijkelijk, toen ‘ [accountnaam 27] ’ duidelijk was met wie hij contact had, in het Nederlands aan ‘ [accountnaam 14] ’ vroeg “Hey hoe gaat het (…) die oude [accountnaam 16] kan ik verwijderen?”. Het was aldus de gebruiker van ‘ [accountnaam 27] ’ die deze vraag stelde aan een hem bekend contact, terwijl deze gebruiker zowel eerst contact had (op 24 november 2020) met SkyECC -account ‘ [accountnaam 16] ’ als drie weken later met SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’ (op 12 december 2020). Aangezien aan beide laatstgenoemde accounts dezelfde nickname was verbonden, namelijk ‘ [accountnaam 14] ’, volgt ook uit die chatsessie van 12 december 2020 dat hier met een nieuw SkyECC -account contact werd gelegd tussen twee bestaande contacten. Waar overigens eerder in het bericht van ‘ [accountnaam 15] ’ als ‘ [accountnaam 15] ’ aan ‘ [accountnaam 27] ’ de nieuwe nickname “ [accountnaam 16] ” werd doorgegeven, gaat het hof indachtig al het hiervoor overwogene ervan uit dat daar sprake is geweest van een kennelijke verschrijving en dat daar zonder meer ook ‘ [accountnaam 14] ’ als nieuwe nickname werd aangekondigd en bedoeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Conclusie gebruiker SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 15] ’,‘ [accountnaam 16] ’ en ‘ [accountnaam 14] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Uit al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof af dat de SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 15] ’, ‘ [accountnaam 16] ’ en ‘ [accountnaam 14] ’ naast elkaar en opeenvolgend werden gebruikt. Voorts concludeert het hof op basis van de inhoud van de onderschepte berichtgeving dat deze accounts werden gebruikt door dezelfde gebruiker die zijn contacten informeerde over zijn nieuwe accounts en nicknames. Was die gebruiker dan [medeverdachte 1] ? Jawel, maar niet alleen op basis van de aanwijzingen en conclusies tot dusver, maar vooral die aanwijzingen en conclusies bezien in combinatie met het navolgende. Op 18 december 2020 werd door een contact via SkyECC aan SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’ bericht “Dat geloof ik je papa [betrokkene 5] !”, tien seconden later gevolgd door de vraag “Hoe is het met [betrokkene 1] ???”. Zoals reeds uit eerdere overwegingen blijkt, had [medeverdachte 1] toentertijd een (ex-)partner genaamd [betrokkene 1] en twee dochters, waarvan de jongste is genaamd [betrokkene 5] . Twee aanwijzingen die ontegenzeglijk wijzen in de richting van [medeverdachte 1] . Tot slot is van doorslaggevende betekenis bij de conclusie dat het bij de drie accounts om [medeverdachte 1] ging, de vaststelling dat [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk in Dubai was, zoals hij met diverse accounts in november en december aan zijn contacten liet weten en ook uit historische verkeersgegevens is gebleken. Op basis van de vraag aan SkyECC -account ‘ [accountnaam 14] ’ “You will be in NL on Wednesday” op 2 februari 2021 en het antwoord daarop een dag later van ‘ [accountnaam 14] ’ “Fly back in 30 min” deed de politie in 26Alston naspeuringen die uitwezen dat [medeverdachte 1] op 3 februari 2021 vanuit Dubai was teruggevlogen naar Düsseldorf en van daaruit per taxi naar Nederland was gereisd, getuige ook de in- en uitreisstempels in zijn paspoort: inreis Verenigde Arabische Emiraten op 21 oktober 2020 en uitreis 3 februari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van ANØM -account ‘ [accountnaam 25] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Een derde crypto-berichtendienst die gedurende het opsporingsonderzoek 26Alston naar voren kwam was ANØM . ‘ [accountnaam 25] ’ was de Chat ID van een gebruiker die uit het onderzoek naar voren kwam en die zich desgevraagd tegenover een contact op ANØM bekend maakte als “ [medeverdachte 1] ” en “ [medeverdachte 1] ”, betreffende [medeverdachte 1] ’ woonplaats en een van zijn bijnamen dan wel een eerder door anderen aan hem gegeven nickname. Aanwijzingen die wederom wijzen in de richting van [medeverdachte 1] . Wat hier evenwel van doorslaggevende relevantie is, betreft de GPS-locatiegegevens die bij het ANØM -berichtenverkeer zijn verkregen. Daaruit bleek dat ‘ [accountnaam 25] ’ tijdens meerdere gesprekken, zowel in de vroege ochtend, overdag als in de avond, eenzelfde locatie aanstraalde, te weten het adres [adres 5] zijnde het BRP-adres van [betrokkene 1] op welk adres [medeverdachte 1] meermalen is waargenomen. Zo ook tijdens het gesprek op 28 maart 2021 met de ‘ [accountnaam 25] ’ bekende Surinamer die gebruik maakte van de Chat ID ‘ [accountnaam 28] ’ en die ‘ [accountnaam 25] ’ tijdens het aanstralen van voormeld adres blijkens de inhoud van het chatgesprek thuis een broodje kwam bezorgen. Gelet hierop neemt het hof de conclusie van de politie dat het ANØM -account ‘ [accountnaam 25] ’ kan worden toegeschreven aan diens gebruiker [medeverdachte 1] over en maakt die tot de zijne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 10] als gebruiker van ‘ [accountnaam 12] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 12] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 12] ’ tot [medeverdachte 10] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘ [accountnaam 12] ’ een afbeelding. Hierop is voor het hof waarneembaar een deel van een schutting waarvan een aantal latten een donkere (antraciete) kleur hebben en een aantal niet. De ontvanger van het bericht noemde het ‘mooi antraciet’ en ‘ [accountnaam 12] ’ berichtte dat hij er zo mee stopt. De politie gaat ervan uit dat ‘ [accountnaam 12] ’ de schutting aan het verven was. Op die afbeelding van die schutting is ook een deel van een afvalcontainer waarneembaar. Op die container nam de politie een leesbaar adreslabel waar. Dit adres bleek het GBA-adres (hof: BRP-adres) te betreffen van [medeverdachte 10] . Voorts sprak ‘ [accountnaam 12] ’ in een bericht over hoe ze iets in Eindhoven zeggen. [plaatsnaam 5] is de woonplaats van [medeverdachte 10] . ‘ [accountnaam 12] ’ kreeg op 4 april 2020 een bericht over de verjaardag van zijn dochter morgen en werd op [geboortedag 12] 2020 gefeliciteerd met zijn dochter. Het dochtertje van [medeverdachte 10] is op [geboortedag 12] jarig. En toen ‘ [accountnaam 12] ’ door een andere gebruiker werd gevraagd naar de leeftijd van zijn dochter, antwoordde ‘ [accountnaam 12] ’ “7”, conform de leeftijd van [medeverdachte 10] dochtertje die is geboren op [geboortedag 12] 2013. Verder gaf ‘ [accountnaam 12] ’ op 15 april 2020 als nieuwtje te kennen dat hij net was bekeurd voor bellen op de scooter. [medeverdachte 10] is volgens de politiesystemen op die dag bekeurd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op een bromfiets in Eindhoven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 10] als gebruiker van ‘ [accountnaam 13] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat een van de contacten van ‘ [accountnaam 12] ’ in april 2020 betrof ‘ [accountnaam 29] ’. Op 29 mei 2020 leken ‘ [accountnaam 12] ’ en ‘ [accountnaam 29] ’ in gesprek over een nieuwe gebruikersnaam, te weten “ [accountnaam 13] ” en toen liet ‘ [accountnaam 12] ’ weten “die” te willen. Een paar uur later leek dit geregeld toen ‘ [accountnaam 12] ’ aan ‘ [accountnaam 29] ’ berichtte “ [accountnaam 13] ” en “Add my new mail”, waarop ‘ [accountnaam 29] ’ aan ‘ [accountnaam 12] ’ liet weten er “ [gebruikersnaam] ” van te hebben gemaakt, maar die gebruikersnaam hoefde ‘ [accountnaam 12] ’ niet, waarop ‘ [accountnaam 29] ’ liet weten dat dat een grap was. In het oog springend detail is hierbij dat de grap moet zijn gelegen in de voorgestelde accountnaam met daarin de voornaam ‘ [medeverdachte 10] ’, net als die van [medeverdachte 10] , verwerkt. Daar moest ‘ [accountnaam 12] ’, om de voor zich sprekende reden dat de vermelding van een voornaam die direct herleidbaar zou zijn tot een gebruiker afbreuk doet aan de idee om verhuld te communiceren, evenwel niets van hebben. Op 3 juni 2020 was het account ‘ [accountnaam 13] ’ actief en werd door een andere EncroChat -gebruiker gevraagd “Wie is dit”, waarop ‘ [accountnaam 13] ’ berichtte “oude mail [accountnaam 12] ”. Het hof stelde reeds vast dat [medeverdachte 10] de gebruiker ‘ [accountnaam 12] ’ betrof en in het verlengde daarvan stelt het hof op basis van het hiervoor overwogene eveneens vast dat [medeverdachte 10] ook de gebruiker van ‘ [accountnaam 13] ’ betrof. Aan die vaststelling draagt bij dat ‘ [accountnaam 12] ’ van EncroChat gebruik maakte tot 3 juni 2020 en daaropvolgend ‘ [accountnaam 13] ’ van 3 juni 2020 tot 12 juni 2020, waarbij van belang is te betrekken dat laatstgenoemde datum nagenoeg gelijk viel met het moment dat EncroChat ontdekte dat het communicatienetwerk was gekraakt en de gebruikers hierover werden geïnformeerd. Daar bleef het evenwel niet bij voor [medeverdachte 10] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 10] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Een van de contacten van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’. Dit SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ was actief in de periode van 16 juni 2020 tot en met 25 januari 2021, nadat het communicatienetwerk van EncroChat , was gekraakt. Het hof stelt vast dat de gebruiker van dit SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ wederom [medeverdachte 10] betrof, daar via SkyECC berichten zijn verzonden én ontvangen door dit account met zodanig concrete informatie die tot [medeverdachte 10] als gebruiker zijn te herleiden, evenals een van de nicknames van dit account te weten ‘ [accountnaam 24] ’, zijnde ‘ [accountnaam 24] ’ een afkorting voor de wijk [wijknaam] in [plaatsnaam 5] , de wijk waar [medeverdachte 10] woonachtig was. Zo ontving SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ op 23 juli 2020 een afbeelding van een ander SkyECC -account, te weten van ‘ [accountnaam 30] ’. Op die afbeelding was volgens de politie een persoon te zien die poseert voor een ander die de foto (de afbeelding) maakte. De persoon die poseert vertoont volgens de politie zeer sterke gelijkenis met [medeverdachte 10] , tot welke bevinding de politie blijkens het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal komt bij uitvergroting van het gezicht van die persoon tot portretformaat en de daaropvolgende vergelijking met een RDW-portretfoto van [medeverdachte 10] van twee jaar eerder. Wat vervolgens opvalt is dat de gebruiker van dat SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’, op [geboortedag 10] 2020 werd gefeliciteerd met zijn verjaardag door diezelfde ‘ [accountnaam 30] ’. [geboortedag 10] betreft [medeverdachte 10] verjaardag. Dat het bij ‘ [accountnaam 24] ’ daadwerkelijk om [medeverdachte 10] gaat, vindt voorts bevestiging in een afspraak tussen SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ en SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’-gebruiker, welk SkyECC -account door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 6] . In berichten die op 16 december 2020 over en weer gingen, kwam het tot een afspraak waarbij SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ “pap”, volgens de politie bekend versluierd taalgebruik voor ‘geld’, zou gaan brengen bij SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’, die op zijn beurt bevestigde dat hij in “Ehv” zat, in [wijknaam] . Ze spraken vervolgens af bij de “ [bedrijf 4] ”, waar SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ te voet naartoe zou komen. In [plaatsnaam 5] , grenzend aan de [straatnaam 1] , bleek op de [straatnaam 2] een [bedrijf 4] gevestigd dat op 270 meter loopafstand van [medeverdachte 10] woning was gelegen. Ook deze informatie plaatst ‘ [accountnaam 24] ’ bij [medeverdachte 10] . Naast de nickname, de verjaardagsfelicitaties en woonomgeving die in de richting van [medeverdachte 10] wijzen, bevindt zich onder de bewijsmiddelen ook nog een spraakbericht dat op 4 augustus 2020 door SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ was verzonden. Daarop is volgens een verbalisant die [medeverdachte 10] na diens aanhouding heeft verhoord, [medeverdachte 10] te horen. De stem is als identiek aan die van [medeverdachte 10] herkend, waarbij het Brabants accent, de intonatie, de snelheid van spreken en de klank als elementen van die herkenning zijn gegeven. Al met al aanwijzingen die het hof leiden tot de conclusie dat het [medeverdachte 10] is geweest die een foto ontving van hemzelf op 23 juli 2020 en dat het aldus [medeverdachte 10] was die na het gekraakte communicatienetwerk van EncroChat als de gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 24] ’ wederom het versleuteld communiceren voortzette. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 6] als gebruiker van ‘ [accountnaam 10] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 10] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 10] ’ tot [medeverdachte 6] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘ [accountnaam 10] ’ op 28 maart 2020 via EncroChat een bericht aan ‘ [accountnaam 31] ’ over zijn schoonvader en aanvragen voor mondkapjes. Een uur later stuurde ‘ [accountnaam 10] ’ aan hetzelfde contact een bericht dat er nu een aanvraag lag voor een miljoen stuks en een direct daarop volgend bericht “Hij is bij ons” en “Kan niet terug naar bangkok”. Uit de inhoud van deze chatgesprekken leidt het hof af dat ‘ [accountnaam 10] ’ met “hij” doelde op zijn schoonvader, die op 28 maart 2020 bij ‘ [accountnaam 10] ’ verbleef en niet terug kon naar Bangkok in Thailand. Hierbij betrekt het hof als feit van algemene bekendheid dat op en rond die datum reeds sprake was van een rondwarend coronavirus dat de wereld in zijn greep had en wereldwijd maatregelen werden getroffen waaronder – kort gezegd – grenssluiting voor niet-essentiële reizen. Volgens de gebezigde bewijsmiddelen had [medeverdachte 6] toentertijd een partner, [betrokkene 7] . Zij bleek met haar vader [betrokkene 8] bij de Kamer van Koophandel als uittredende functionarissen van een bedrijf geregistreerd te staan, waarbij als adres van [betrokkene 8] een adres in Bangkok, Thailand, vermeld stond. Uit informatie van de BRP bleek voorts dat zowel [betrokkene 7] als haar vader uit Nederland zouden zijn vertrokken: [betrokkene 7] per 18 januari 2005 en haar vader per 1 maart 2012. Ook [medeverdachte 6] bleek geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en wel met een adres in België, te weten: [adres 6] . Dit adres bleek per 4 mei 2017 ook [medeverdachte 6] ’ BRP-adres te zijn. En op dat adres stond ten tijde van het onderhavige opsporingsonderzoek [betrokkene 7] geregistreerd als kentekenhouder van een Mercedes Benz AMG GLC 43, met kenteken [kenteken 1] . ‘ [accountnaam 10] ’ gaf in een gesprek van 1 april 2020 te kennen dat hij blij was niet in NL te wonen nadat ‘ [accountnaam 7] ’ (zijnde het EncroChat -account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 4] als EncroChat -gebruiker) ‘ [accountnaam 10] ’ berichtte “tsja jij wil in bels” wonen. Het hof sluit zich aan bij de opmerking van de politie dat met ‘bels’ in deze context onmiskenbaar ‘België’ is bedoeld. Ook is met ‘ [accountnaam 10] ’ op 28 maart 2020 door een ander contact gechat over “ [betrokkene 7] is wel blij nou jij zoveel thuis bent”, waarop ‘ [accountnaam 10] ’ antwoordde “Nee niet echt. Haha”. In mei 2020 heeft ‘ [accountnaam 10] ’ het nog in gesprekken met [accountnaam 7] over “Vriendin van [betrokkene 7] is nu daar in ziekenhuis” en “ff onderweg met vrouwtje”. Uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leidt het hof af dat ‘ [accountnaam 10] ’ op 28 maart 2020 met ‘ [accountnaam 31] ’ in gesprek was over zijn schoonvader die op dat moment bij ‘ [accountnaam 10] ’ en zijn partner [betrokkene 7] , door ‘ [accountnaam 10] ’ ‘ [betrokkene 7] ’ genoemd, in België verbleef. Daarnaast bevat het dossier meer aanwijzingen die naar [medeverdachte 6] wijzen, zo beantwoordde ‘ [accountnaam 10] ’ op 30 maart 2020 de vraag van ‘ [accountnaam 31] ’ naar ‘ [accountnaam 10] ’s email met: “ [e-mailadres] ”, inhoudende zowel de (afgekorte) voor- als achternaam van [medeverdachte 6] en werd ook ‘ [accountnaam 10] ’ via EncroChat op zaterdag [geboortedag 9] 2020 gefeliciteerd met zijn verjaardag. [medeverdachte 6] is geboren op [geboortedag 9] 1973. En tot slot bevestigt de afbeelding die ‘ [accountnaam 10] ’ op 4 april 2020 naar ‘ [accountnaam 32] ’ stuurde, waarbij hij chatte dat “Hier alles zijn gangetje” (gaat), dat deze afbeelding van [medeverdachte 6] ’ verblijfadres afkomstig is. De politie heeft de afbeelding met daarop een perceel met op de oprit een donkerkleurige Mercedes-Benz van het type GLC met Belgisch kenteken vergeleken met meergenoemd aan [medeverdachte 6] (en zijn partner [betrokkene 7] ) toegeschreven adres in België aan [adres 6] , als raadpleegbaar in Google Streetview, en concludeerde dat de door ‘ [accountnaam 10] ’ gestuurde afbeelding op het perceel bij dat adres is gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 6] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof concludeert uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 21] ’ [medeverdachte 6] betrof. Een van de contacten van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ te zijn. Het aan dit SkyECC -account gekoppelde IMEI-nummer bleek volgens de historische verkeersgegevens een thuispaal te hebben in [plaatsnaam 3] , België, daar het toestel met dat SkyECC -account in de nachtelijke uren aldaar een zendmast aanstraalde. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, gaat het hof er vanuit dat de [medeverdachte 6] een verblijfsadres had in België, [adres 6] , zijnde [plaatsnaam 1] een deelgemeente van de gemeente [plaatsnaam 3] . Op 9 maart 2021 vond een observatie plaats op basis van de verkeersgegevens van het IMEI-nummer en werden de bewegingen van het toestel gevolgd naar [plaatsnaam 4] , in de omgeving van [adres 2] , op welk adres op dat moment de Mercedes met Belgisch kenteken op naam van [betrokkene 7] kwam aanrijden. Deze Mercedes vertrok een klein half uur later naar het verblijfsadres van [medeverdachte 8] aan [adres 7] en de bestuurder werd later aan de hand van een foto herkend als [medeverdachte 6] . Uit een voorafgaand chatgesprek van 9 juli 2020 tussen SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 33] ’ en SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ kan worden afgeleid dat ‘ [accountnaam 21] ’ rijdt in een Mercedes met Belgisch kenteken, hetgeen matcht met de observatie als voormeld. Voorts valt uit een chatgesprek van 11 juli 2020 tussen dezelfde gebruikers af te leiden dat ‘ [accountnaam 33] ’ met ‘ [accountnaam 21] ’ wil afspreken in Maaseik, zijnde de verblijfsplaats van [medeverdachte 6] . En tot slot geeft SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 21] ’ prijs dat hij uit [plaatsnaam 2] (hof: stad, grenzend aan [plaatsnaam 5] ) komt als hem op 16 december 2020 wordt gevraagd of hij [wijknaam] (hof: in [plaatsnaam 5] ) kent. [medeverdachte 6] is in [geboorteplaats 8] geboren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 6] (als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 10] ’ en SkyECC -accountgebruiker “ [accountnaam 21] ”) als ‘ [medeverdachte 6] ’</emphasis>
      </para>
      <para>In het onderhavige onderzoek lijken op het eerste gezicht meerdere verdachten in aanmerking te komen voor een identificatie als ‘ [roepnaam] ’. Zo luidt zowel de voornaam van [medeverdachte 4] ‘ [medeverdachte 4] ’ als die van [verdachte] ‘ [verdachte] ’. Dit zijn voornamen die in het dagelijks spraakgebruik worden verkort tot de roepnaam ‘ [roepnaam] ’ of zo men wil ‘ [roepnaam] ’. En uit het hele onderzoek, waaronder dat ter terechtzitting, blijkt ook wel dat niet ter discussie staat dat [medeverdachte 4] en [verdachte] in het dagelijks leven ‘ [roepnaam] ’ of ‘ [roepnaam] ’ werden en worden genoemd. De vraag is evenwel of het hier in onderzoek 26Alston gaat om de roepnaam [roepnaam] of om een bijnaam voor iemand die feitelijk een volstrekt andere naam heeft dan wel iemand die zich online bedient van een (zelf)gekozen ‘nickname’. Hiervoor is reeds beschreven hoe de politie de nicknames/bijnamen bij EncroChat en nicknames bij SkyECC gebruikers ziet. Raadplegen van Van Dale leert nog dat van een nickname sprake is in geval van een (zelfgekozen) bijnaam waaronder iemand actief is op internet. Voorts dat een synoniem voor nickname ‘netnaam’ is en bij ‘netnaam’ spreekt Van Dale van een schuil- of bijnaam die je op internet gebruikt. Met die omschrijving lijkt ook Van Dale de spijker op z’n kop te slaan , voor wat betreft de ‘ [roepnaam] ’ waar het onderzoek 26Alston op ziet. Hiermee lijken – in ieder geval voor wat betreft de berichtgeving in de gebezigde bewijsmiddelen – inderdaad niet [medeverdachte 4] en/of [verdachte] te worden bedoeld, daar het opsporingsonderzoek in een geheel andere richting wijst, namelijk in die van [medeverdachte 6] . Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ‘ [accountnaam 10] ’ en ‘ [accountnaam 21] ’ de gebruikersnamen betroffen waarvan [medeverdachte 6] zich bediende op EncroChat en SkyECC . Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt ook dat EncroChat -contacten van ‘ [accountnaam 10] ’ hem, zijnde aldus [medeverdachte 6] naar ’s Hofs oordeel, een nickname/bijnaam konden geven en dat zij dit ook deden. Het hof stelt namelijk vast dat naast de EncroChat -contacten die zich met [medeverdachte 6] in onderzoek 26Alston moesten verantwoorden, te weten ‘ [accountnaam 8] ’, ‘ [accountnaam 7] ’, ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 5] ’ (hof: laatstgenoemde is overleden, maar daarover hierna meer), ‘ [accountnaam 10] ’ steeds de nickname ‘ [medeverdachte 6] ’ gaven en dat ook overige EncroChat -contacten van ‘ [accountnaam 10] ’ hem eenzelfde nickname gaven. Daarbij komt dat bij de veredeling van SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ is gebleken dat de gebruiker, aldus [medeverdachte 6] zelf, gebruik maakte van de nickname ‘ [medeverdachte 6] ’. Dit betrof een door [medeverdachte 6] zelfgekozen nickname, zoals voor de politie in de metadata van de onderschepte communicatie van SkyECC -ID’s (accounts) zichtbaar was. [medeverdachte 6] die zich aldus zelf de nickname ‘ [medeverdachte 6] ’ gaf, terwijl hij [medeverdachte 6] heet, maar ook door anderen ‘ [medeverdachte 6] ’ werd genoemd. De nickname ‘ [medeverdachte 6] ’ is overigens niet beperkt gebleven tot de cryptoaccounts van [medeverdachte 6] bij Encrochat en SkyECC , maar zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, bleek ook een van de aan [medeverdachte 6] ’ toe te schrijven telefoonnummers ( [telefoonnummer] ) in de IPhone die onder [medeverdachte 4] in beslag werd genomen opgeslagen als het contact ‘ [medeverdachte 6] ’. Onder deze naam stond [medeverdachte 6] in de telefoon van [medeverdachte 4] opgeslagen zowel in de applicatie Signal als in de applicatie WhatsApp . Op 16 november 2021 stuurde [medeverdachte 6] , het hof concludeert aldus ‘als [medeverdachte 6] ’, via WhatsApp een foto van – volgens de politie –zichzelf in pak naar [medeverdachte 4] . Het hof neemt op die foto waar een man in donkerkleurig pak die in een spiegel een selfie lijkt te maken en waarvan het hof voor wat betreft de gelaatsvorm, de gezichtsuitdrukking, de neus, de haarkleur en de haardracht inderdaad sterke gelijkenissen waarneemt met de man op de portretfoto die is opgenomen in het persoonsdossier van [medeverdachte 6] . Gelet op al het hiervoor overwogene lijdt het naar ’s hofs oordeel geen twijfel dat [medeverdachte 6] zich bediende van een nickname als schuilnaam en dat was in zijn geval ‘ [medeverdachte 6] ’ en daarmee maakte hij onder een eveneens niet rechtstreeks tot hem te herleiden gebruikersnaam online gebruik van de versleutelde berichtendiensten. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat [medeverdachte 6] onder de nickname ‘ [medeverdachte 6] ’ met anderen communiceerde, zowel via EncroChat met de gebruikersnaam ‘ [accountnaam 10] ’ als via SkyECC met het gebruikersaccount ‘ [accountnaam 21] ’, en dat als zijn contacten communiceerden over ‘ [medeverdachte 6] ’ daarmee [medeverdachte 6] werd bedoeld. Ter illustratie hiervan verwijst het hof overigens nog naar drie chatgesprekken op 2 en 3 maart 2021. Deze vonden plaats tussen ‘ [accountnaam 23] ’ (hierna herleid tot ‘ [verdachte] ) en [medeverdachte 6] , waarbij de berichten van [medeverdachte 6] niet zichtbaar waren, althans wel in de vervolgens door [medeverdachte 6] aan ‘ [accountnaam 14] ’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ) doorgestuurde berichten van [verdachte] . Het was aldus [verdachte] die op genoemde data berichten stuurde aan [medeverdachte 6] , waaronder een vraag op 2 maart 2020, waarna ‘ [accountnaam 21] ’, deze twee berichten (inclusief de reacties in berichten van [medeverdachte 6] aan [verdachte] die aldus wel zichtbaar waren bij het doorsturen) doorstuurde aan ‘ [accountnaam 14] ’ ( [medeverdachte 1] ), waarna ‘ [accountnaam 14] ’ ( [medeverdachte 1] ) ook antwoordde op de doorgestuurde vraag. In beide door ‘ [accountnaam 21] ’ doorgestuurde berichten neemt het hof waar dat voor beide berichten vermeld staat als zender “ [accountnaam 23] :”, hetgeen aldus ziet op beide kort tevoren door ‘ [accountnaam 23] ’ ( [verdachte] ) aan [medeverdachte 6] overeenkomstig ook [verdachte] nickname voor ‘ [accountnaam 23] ’ en daarónder de daaropvolgende berichten van [medeverdachte 6] in reactie op de berichten van [accountnaam 23] (en aldus aan ‘ [accountnaam 23] ’ met als gebruiker [verdachte] ) met daarvóór in beide gevallen als zender “ [medeverdachte 6] :”, de zelfgekozen nickname van [medeverdachte 6] die hier volledig tot uiting komt. Gelet op dit alles ontbreekt iedere twijfel dat met ‘ [medeverdachte 6] ’ in de gebezigde bewijsmiddelen steeds [medeverdachte 6] werd bedoeld . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 2] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 3] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 3] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 3] ’ tot [medeverdachte 2] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘ [accountnaam 3] ’ op dinsdag 31 maart 2020 via het EncroChat een Engelstalig bericht “she will b 4 on Friday”, inhoudende dat zij vier wordt op vrijdag. De daaropvolgende vrijdag was het [geboortedag 13] 2020 en op die dag chatte ‘ [accountnaam 3] ’ dat zijn kleine jarige is. Volgens de BRP-gegevens zou [medeverdachte 2] een dochtertje ‘ [betrokkene 9] ’ hebben dat is geboren op [geboortedag 13] 2016. Zij is aldus op vrijdag [geboortedag 13] 2020 vier jaar geworden. Uit de onderschepte EncroChat -communicatie bleek voorts dat met ‘ [accountnaam 3] ’ in relatie tot zijn thuis werd gechat over ‘ [betrokkene 10] ’ als iemand die mogelijk ‘ [accountnaam 3] auto in gebruik had. Uit de BRP-gegevens van [medeverdachte 2] bleek naast zijn dochtertje ook [betrokkene 10] (hof: dan wel [betrokkene 10] , zoals ook uit diverse processen-verbaal naar voren komt) [naam 2] op hetzelfde adres te zijn ingeschreven. Volgens de politie toentertijd zijn partner. Zij stonden ingeschreven op [adres 8] en vanaf 22 mei 2020 op [adres 9] . Dat zou volgens de politie een hoekwoning betreffen op de hoek van [adres 9] met de [straatnaam 3] . Datzelfde adres in [adres 8] gaf ‘ [accountnaam 3] ’ op 24 april 2020 desgevraagd door als het zijne en op 30 april 2020 liet ‘ [accountnaam 3] ’ weten over twee weken te gaan verhuizen naar een hoekhuis in [plaatsnaam 5] op de [straatnaam 3] . In juni 2020 woonde ‘ [accountnaam 3] ’ inmiddels op dat adres. Tot slot bleek ‘ [accountnaam 3] EncroChat -contact ‘ [accountnaam 34] ’ ‘ [accountnaam 3] ’ te hebben opgeslagen als ‘ [medeverdachte 2] ’. Deze concrete feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wijzen buiten twijfel [medeverdachte 2] aan als de gebruiker van ‘ [accountnaam 3] ’. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 2] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 17] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof concludeert uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 17] ’ [medeverdachte 2] betrof. Een van de contacten van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’, een account dat door het hof hiervoor reeds is toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek SkyECC -account ‘ [accountnaam 17] ’. Dit SkyECC -account ‘ [accountnaam 17] ’ was actief, na het gekraakte communicatienetwerk van EncroChat , in de periode van 13 juni 2020 tot en met 15 december 2020. Het was SkyECC -account gebruiker ‘ [accountnaam 17] ’ die op 1 juli 2020 een screenshot van een NRC.NL-artikel met als titel “<emphasis role="italic">Hack van aanbieder-telefoons leidt tot een hausse aan strafzaken</emphasis> ” d.d. 1 juli 2020 stuurde naar een SkyECC -contact. Diezelfde dag liet deze ‘ [accountnaam 17] ’ aan een ander contact weten te hopen geluk te hebben en niet voor een tijd weg te moeten door die klote telefoon. Daaraan vooraf gingen de woorden “sinds [betrokkene 9] wordt het elke dag moeilijker”. Het hof leidt hieruit af dat gebruiker ‘ [accountnaam 17] ’ een veroordeling vreesde als het eerdere gebruik van een cryptotelefoon tot ‘ [accountnaam 17] ’ zou zijn te herleiden. Dat ‘ [accountnaam 17] ’ eerder een cryptotelefoon gebruikte en wel onder de naam ‘ [accountnaam 3] ’, volgt uit een chatbericht van 3 juli 2020, waarin ‘ [accountnaam 17] ’ aan het contact dat eerder voornoemd artikel ontving, liet weten de naam te hebben veranderd en “ [accountnaam 3] ” niet meer te durven gebruiken. Diezelfde ‘ [accountnaam 17] ’ liet vervolgens nog bij herhaling in de tweede helft van 2020 weten een witte BMW 5-serie te hebben en eind 2020 werd door ‘ [accountnaam 17] ’ nog gemeld een Golf R te hebben. Uit politieonderzoek volgde dat [medeverdachte 2] partner zowel een witte BMW 5-serie als een Golf R op haar naam had staan waarvan [medeverdachte 2] ook gebruik kon maken. Het hof stelt vast dat de komst van zijn inmiddels vierjarig dochtertje [betrokkene 9] als ‘ [accountnaam 17] ’ er klaarblijkelijk niet van heeft weerhouden om na de hack van EncroChat waar hij gebruik van maakte onder de gebruikersnaam ‘ [accountnaam 3] ’ over te stappen naar de crypto-berichtendiensten van SkyECC teneinde het versleuteld communiceren voort te zetten. En bij dat nieuwe account bleef het niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 2] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 18] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt evenzo dat het SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 17] ’ zelf was die op 10 december 2020 aan SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 24] ’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 10] ) zijn “nieuwe” doorgaf, te weten “ [accountnaam 18] ”, gevolgd door het bericht “deze” nu te wissen. “Deze” zag op het account waarmee door de gebruiker het bericht werd verstuurd, namelijk ‘ [accountnaam 17] ’, en “nieuwe” zag op het nieuwe account van deze gebruiker, te weten het nieuwe SkyECC -account ‘ [accountnaam 18] ’. Deze “nieuwe”, te weten het SkyECC -account ‘ [accountnaam 18] ’, was actief vanaf 10 december 2020. Op 14 december 2020 liet ‘ [accountnaam 18] ’ aan [medeverdachte 10] weten naar Spanje te gaan. Het was [medeverdachte 2] die volgens de politie toen met zijn gezin naar Spanje ging. Op 8 februari 2021 sprak ‘ [accountnaam 18] ’ tegenover [medeverdachte 10] over het ophalen van school van [betrokkene 9] , zijnde aldus het meergenoemde dochtertje van [medeverdachte 2] . Gelet op dit alles concludeert het hof dat het aldus wederom [medeverdachte 2] was die gebruikt maakte van ditmaal SkyECC -account ‘ [accountnaam 18] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 8] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 6] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 6] ’ via EncroChat - berichten heeft verzonden én ontvangen die direct wijzen in de richting van [medeverdachte 8] , een algemeen bekend te veronderstellen en veelgebruikte afkorting/roepnaam voor de voornaam [medeverdachte 8] als in die van [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] bleek volgens de onderzoeksbevindingen van de politie in België tot een jarenlange gevangenisstraf te zijn veroordeeld. Deze straf had hij deels in Nederland ondergaan. Hij verbleef in ieder geval begin 2020 in het penitentiair ziekenhuis in Scheveningen. Op 26 maart 2020 werd deze straf onderbroken in verband met een zeldzame longziekte. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 26 maart 2020 ook over die strafonderbreking van [medeverdachte 8] door contacten van ‘ [accountnaam 6] ’ via EncroChat werd gecommuniceerd, zij het dat men het over “ [medeverdachte 8] ” had, een nickname/bijnaam die meerdere contacten aan ‘ [accountnaam 6] ’ bleken te hebben verbonden. Kort nadat [medeverdachte 8] diezelfde middag werd opgehaald door zijn partner [betrokkene 11] , wonende op [adres 7] , alwaar ook ‘ [accountnaam 6] ’ zou gaan verblijven, meldde ‘ [accountnaam 6] ’ zich op het EncroChat platform bij ‘ [accountnaam 10] ’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 6] ) en ‘ [accountnaam 9] ’ (door het hof hierna toe te schrijven aan [medeverdachte 5] ) met het bericht dat hij net thuis was en de wachtwoorden (“paswoorden”) nog moest veranderen. Volgens ‘ [accountnaam 9] ’ werd het tijd dat ‘ [accountnaam 6] ’ thuiskwam en berichtte hij aan ‘ [accountnaam 6] ’ “nu weer gezond worden”. Op 8 april 2020 vroeg [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 10] ’ aan ‘ [accountnaam 6] ’ wat hij iemand moest berichten, waarop ‘ [accountnaam 6] ’ reageerde met “Dat ik vrij ben uit scheveningen”. Verder gebruikte ‘ [accountnaam 6] ’ zijn partners e-mailadres evenals haar 06-nummer en ook bleek de zus van ‘ [accountnaam 6] ’ nabij te wonen, namelijk in [plaatsnaam 6] , deel uitmakend van de gemeente [plaatsnaam 2] . Ook al deze informatie zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, valt naar ’s hofs oordeel naadloos te relateren aan [medeverdachte 8] ’ strafonderbreking, ziekte en partner, zodat het hof concludeert dat [medeverdachte 8] EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 6] ’ was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 8] als gebruiker van SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 35] ' </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof concludeert voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 35] ’ [medeverdachte 8] betrof. Een van de contacten van SkyECC -account ‘ [accountnaam 15] ’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek SkyECC -account ‘ [accountnaam 35] ’ te zijn. Dit SkyECC -account ‘ [accountnaam 35] ’ was actief, na het gekraakte communicatienetwerk van EncroChat , in de periode van 13 juni 2020 tot en met 12 december 2020. Het aan dit SkyECC -account gekoppelde IMEI-nummer straalde in de nachten dat het actief was een zendmast aan in [plaatsnaam 2] , precies de plaats waar [medeverdachte 8] sinds zijn strafonderbreking verbleef bij zijn vriendin. Ook [medeverdachte 8] ’ zus en vader waren woonachtig in [plaatsnaam 2] , zo bleek toen de politie naar aanleiding van een gesprek via SkyECC tussen ‘ [accountnaam 35] ’ en de door het hof als [medeverdachte 6] geïdentificeerde gebruiker van het SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ onderzoek deed in de BRP nadat ‘ [accountnaam 35] ’ liet weten dat op 26 juni 2020 bij zijn vader water uit de stopcontacten kwam en dat heel [plaatsnaam 6] onder waterstond. Op 2 juli 2020 was weer contact tussen beide gebruikers en liet ‘ [accountnaam 35] ’ weten dat het niet best was met zijn longen, maar dat hij wel meer lucht kreeg, hetgeen past bij [medeverdachte 8] die langdurig kampt met een longaandoening. Op 31 juli 2020 chatte [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ via SkyECC . Hij had eerst contact met ‘ [accountnaam 35] ’die hem liet weten dat op het telefoonbeeldscherm stond “<emphasis role="italic">Geef je pincode op om Android te starten</emphasis>” nadat deze door ‘ [accountnaam 35] ’ voor het eerst was uitgezet. Vervolgens had [medeverdachte 6] contact met een derde over “ [medeverdachte 8] ”, dat [medeverdachte 8] telefoon was gecrasht door het invoeren van een verkeerde pin en dat deze moest worden hersteld omdat [medeverdachte 8] deze telefoon nodig had. Gelet op het feit dat [medeverdachte 8] door eerdere contacten de bijnaam (nickname) “ [medeverdachte 8] ” was toegedicht als gebruiker van het EncroChat -account ‘ [accountnaam 6] ’, spreekt het niet voor zich dat het wijzigen van crypto-berichtendienst per saldo ook een nieuwe bijnaam betekende. Waar voorheen ‘ [accountnaam 6] ’ als ‘ [medeverdachte 8] ’ communiceerde en inmiddels ‘ [medeverdachte 8] ’ communiceerde met het SkyECC -account ‘ [accountnaam 35] ’ met zelfgekozen nicknames waaronder ‘ Test ’, laat onverlet dat ook ‘ [accountnaam 35] ’ steeds [medeverdachte 8] was, die zichzelf ‘ [medeverdachte 8] ’ noemde en voor zijn contacten “ [medeverdachte 8] ” bleef. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 8] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 36] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Vervolgens maakte [medeverdachte 8] gebruik van SkyECC -account ‘ [accountnaam 36] ’, zo is het hof van oordeel. Dit SkyECC -account ‘ [accountnaam 36] ’ was actief na ‘ [accountnaam 35] ’ in de periode van 7 januari 2021 tot en met 6 februari 2021 en het aan dit SkyECC -account gekoppelde IMEI-nummer straalde evenals ‘ [accountnaam 35] ’ in de nachten dat het actief was een zendmast aan in [plaatsnaam 2] , waar [medeverdachte 8] verbleef. De gebruiker van dit SkyECC -account [accountnaam 36] maakte gebruik van de zelfgekozen nicknames ‘ Test ’ en ‘ [accountnaam 36] ’. Het was vervolgens ‘ [accountnaam 35] ’ die zich op 7 januari 2021 bij de als [medeverdachte 1] geïdentificeerde SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 14] ’ meldde met “Hallo” en “ [medeverdachte 8] ”. Twee weken later besprak ‘ [accountnaam 36] ’ via Sky-ECC hoe het met hem ging en uit die berichten valt af te leiden dat ‘ [accountnaam 36] ’ zijn contact informeerde over de mate van zuurstofverzadiging (saturatie) en in hoeverre dit ‘ [accountnaam 36] ’ al dan niet beperkte voor wat betreft op gang komen in de ochtend en bewegen in zijn algemeenheid, hetgeen past bij de longproblemen waar [medeverdachte 8] langdurig mee kampt(e). Op 4 maart 2021 was er SkyECC -contact over ‘ [medeverdachte 8] ’ en werd door SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 37] ’ aan ‘ [accountnaam 14] ’ ( [medeverdachte 1] ) gevraagd om aan ‘ [medeverdachte 8] ’ te vragen of hij sky heeft en of hij ‘ [medeverdachte 8] ’ nog had gesproken, in reactie waarop ‘ [accountnaam 14] ’ ( [medeverdachte 1] ) liet weten dat hij hem net nog had gesproken en ‘ [medeverdachte 8] ’ een toestel had, waarna ‘ [accountnaam 14] ’ ( [medeverdachte 1] ) met zijn nickname ‘ [accountnaam 14] ’ een mediabestand doorstuurde aan ‘ [accountnaam 37] ’ en met de contactgegevens van ‘ [accountnaam 36] ’. ‘ [accountnaam 36] ’ kreeg direct na het doorsturen van de contactgegevens contact via SkyECC met die SkyECC -gebruiker “ [accountnaam 37] ’ die met “ [medeverdachte 8] ” wilde communiceren via “ Sky ”. ‘ [accountnaam 36] ’ beklaagde zich dat “ Sky ” niet wilde opstarten en dat het die dag redelijk met hem ging. Gelet op de thuispaal in [plaatsnaam 2] , de specifieke aan [medeverdachte 8] longaandoening te relateren inhoud, de bijnaam ‘ [medeverdachte 8] ’ en ‘ [medeverdachte 8] ’ alsmede de nickname ‘ [accountnaam 36] ’ die blijkt uit de SkyECC -account informatie van dit account ‘ [accountnaam 36] ’ die matcht met de door [medeverdachte 1] als SkyECC -accountgebruiker ‘ [accountnaam 14] ’ met de nickname ‘ [accountnaam 14] ’ doorgestuurde contactgegevens van [medeverdachte 8] , is het hof van oordeel dat het [medeverdachte 8] was die zich bediende van SkyECC -account ‘ [accountnaam 36] ’. Hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van “ [medeverdachte 8] ” en het wijzigen van berichtendienst, geldt naar het oordeel van het hof onverkort bij het wijzigen van account of bij een opvolgend account na(ast) een eerder. Hierbij valt overigens op dat een van de twee nicknames ‘ test ’ behorend bij ‘ [accountnaam 35] ’ gelijkluidend is aan een van de twee nicknames ‘ test ’ bij SkyECC -account ‘ [accountnaam 36] ’. Deze vaststelling laat overigens onverlet dat gebruikers de contacten in hun berichtenverkeer onverkort ‘ [medeverdachte 8] ’ oftewel ‘ [medeverdachte 8] ’ bleven noemen en ook het contact zichzelf zo bleef noemen bij het leggen van contact. Voor de contacten van de gebruiker die zich “ [medeverdachte 8] ” noemde en die ook zij “ [medeverdachte 8] ” noemden was in ieder geval steeds duidelijk met wie zij via de crypto-berichtendienst in contact waren, in dit geval met [medeverdachte 8] .</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 5] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 9] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 9] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 9] ’ tot [medeverdachte 5] als gebruiker is te herleiden. De chat-ID ‘ [accountnaam 9] ’ was actief van medio maart 2020 tot en met 15 mei 2020. [medeverdachte 5] stond toentertijd samen met zijn vader [betrokkene 12] ingeschreven op het adres [adres 10] (hof: welke woonplaats zou kunnen worden afgekort tot ‘ [medeverdachte 5] ’). De moeder van [medeverdachte 5] woonde in [plaatsnaam 5] en de broer van [medeverdachte 5] , genaamd [betrokkene 13] , woonde volgens [medeverdachte 5] toentertijd in België (in [plaatsnaam 7] volgens de politie). In een chatsessie met ‘ [accountnaam 6] ’, hiervoor door het hof geïdentificeerd als [medeverdachte 8] , stuurde ‘ [accountnaam 9] ’ op 27 maart 2020 een foto van zijn – door de politie als zodanig herkende – vader, zittend (zo neemt het hof waar op de afbeelding) bij – door de politie als zodanig herkende – voordeur van [medeverdachte 5] en zijn vaders adres. Daarbij schreef ‘ [accountnaam 9] ’ dat hij (hof: zijn vader) zo 100 wordt. Op 11 mei 2020 in de avond liet [accountnaam 9] aan onder meer [medeverdachte 8] (via ‘ [accountnaam 6] ’) weten dat zijn vader weer in het Maxima-ziekenhuis in Veldhoven was opgenomen, met hoofdletsel en dat zijn vader weer ladderzat was. Volgens de politie bleek op die avond [medeverdachte 5] ’ vader te zijn binnengebracht bij het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven. Op 23 maart 2020 stuurde ‘ [accountnaam 9] ’ in een chatsessie met een andere EncroChat -gebruiker een foto vanuit een rijdende auto, waarop een deel van een dashboard waarneembaar is, met de mededeling dat het lekker rustig is op de weg. Dit impliceert dat ‘ [accountnaam 9] ’ op dat moment in die auto reed. Het dashboard op die afbeelding is door de politie vergeleken met het dashboard van de in het onderzoek 26Alston onder [medeverdachte 5] inbeslaggenomen auto en beide dashboards komen volgens de politie overeen gelet op typische overeenstemmende kenmerken, hetgeen impliceert dat de foto is gemaakt vanuit die auto waarin ‘ [accountnaam 9] ’ op dat moment reed. Dat [medeverdachte 5] later heeft verklaard dat dit de auto was van zijn in België woonachtige broer, doet aan die bevindingen dat het ‘ [accountnaam 9] ’ was die het bericht stuurde vanuit die auto, niets af. Het was ook ‘ [accountnaam 9] ’ die in een chat met ‘ [accountnaam 10] ’ (hof: [medeverdachte 6] ) sprak over de grenzen België/Nederland en dat ‘ [accountnaam 9] ’ zijn broer “gisteren” nog had meegesmokkeld, hetgeen duidt op smokkelen over de grens van de broer van ‘ [accountnaam 9] ’. Zoals hiervoor reeds vermeld betrof [betrokkene 13] de in [plaatsnaam 7] (België) woonachtige broer van [medeverdachte 5] . Het contact tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] gaat veel verder terug in de tijd dan voormeld chatbericht via EncroChat , want al in februari 2019 werden zij in elkaars gezelschap aangehouden in een voertuig met goederen geschikt voor de productie van synthetische drugs. Verder is er een chatgesprek met als deelnemer ‘ [accountnaam 9] ’ in mei 2020 over een “Impalla”, die ‘ [accountnaam 9] ’ hoopte snel bij zich te hebben. Uit de context van deze chat heeft de politie afgeleid dat het om een Amerikaanse oldtimer van het merk Chevrolet type Impala ging en uit politienaspeuringen bleek dat [medeverdachte 5] vanaf 12 juni 2021 een Chevrolet Impala op zijn naam had staan, die op 2 juli 2020 reeds in Nederland was ingevoerd en volgens de importeur kort daarna was verkocht aan een man uit Brabant die pas later het kenteken had laten overschrijven. Ook chatte ‘ [accountnaam 9] ’ met EncroChat -gebruiker ‘ [accountnaam 7] ’ (een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 4] ) over het nu zijn van “een echte volvo-bezitter” en bleek uit onderzoek dat [medeverdachte 5] op 14 mei 2020 een Volvo op naam had. Ook spraken ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 7] ’ voor 15 mei 2020 af bij “ [bedrijf 5] ” op de ‘ [adres 11] ’ en bleek [medeverdachte 5] bij [bedrijf 5] in [plaatsnaam 5] op genoemd adres een autostalling te huren. Het contact tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] is voortgezet, daar [medeverdachte 5] op 17 maart 2021 in een bestelbus reed op naam van [medeverdachte 4] , beiden op 30 maart 2021 [medeverdachte 2] bezochten en zij ook op 17 augustus 2021 met z’n tweeën op pad waren. Ook stuurde [medeverdachte 4] als gebruiker van het EncroChat -account ‘ [accountnaam 7] ’ via EncroChat op 17 april 2020 een foto van (volgens de politie) [medeverdachte 5] , die zoals het hof waarneemt, een geopende bierfles in zijn linkerhand vasthoudt en twee bierflessen voor zich heeft staan op een tafel. Het contact van [medeverdachte 4] reageerde daarop dat ‘ [accountnaam 7] ’ ( [medeverdachte 4] ) dan maar bij “ [medeverdachte 5] ” moest blijven pitten, aangezien [medeverdachte 4] volgens dat contact dronken was (“met zijn zatte kloten”) en zo nog een heel stuk naar huis moest rijden. Gelet op de inhoud van het bericht in de context van de foto, heeft het er alle schijn van dat [medeverdachte 4] zich op dat moment bij ‘ [accountnaam 9] ’ die op die foto stond, bevond en daar op advies van zijn EncroChat -contact moest blijven slapen. </para>
      <para>Gelet op al deze aanwijzingen in onderling verband en samenhang bezien, die onmiskenbaar en louter wijzen in de richting van [medeverdachte 5] als zijnde ‘ [accountnaam 9] ’, is het hof van oordeel dat [accountnaam 9] [medeverdachte 5] betreft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 5] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 8] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Een van de gebruikers van EncroChat bleek voorts te zijn ‘ [accountnaam 8] ’. Deze was volgens de politie actief van 15 mei 2020 tot en met 13 juni 2020. In het oog springt dan ook een tot het bewijs gebezigd EncroChat -gesprek van die eerste dag tussen (de door het hof als zodanig geïdentificeerde) [medeverdachte 4] als ‘ [accountnaam 7] ’ en aldus [medeverdachte 5] als ‘ [accountnaam 9] ’ van 15 mei 2020 waarin [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 5] berichtte “je hangt vast met je nieuw nr” en een minuut later “Krijg niks getypt bij [accountnaam 8] ”. Vast staat zoals hiervoor vermeld dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] elkaar kenden en in elkaars gezelschap zijn gezien door de politie en zij hadden het in voormeld chatgesprek precies op die 15e mei 2020 én over een nieuw nummer van [medeverdachte 5] én in dat verband over “ [accountnaam 8] ”. Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ‘ [accountnaam 8] ’ dezelfde contacten had als ‘ [accountnaam 9] ’ en daarmee chatte als ‘ [accountnaam 8] ’ nadat het ‘ [accountnaam 9] ’-account buiten gebruik was. Zo waren er contacten met [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 10] ’, [medeverdachte 2] als ‘ [accountnaam 3] ’, [medeverdachte 4] als ‘ [accountnaam 7] ’ en [medeverdachte 8] als ‘ [accountnaam 6] ’. Tot slot worden de letters ‘ [medeverdachte 5] ’ in deze gebruikersnaam herhaald, zoals voormeld, mogelijk duidende op [plaatsnaam 8] , zijnde de woonplaats van [medeverdachte 5] . Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat ook ‘ [accountnaam 8] ’ moet worden toegeschreven aan [medeverdachte 5] als gebruiker van deze accountnaam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [verdachte] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 11] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 11] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 11] ’ tot [verdachte] (een roepnaam in het dagelijks spraakgebruik voor ‘ [verdachte] ’, zoals hiervoor reeds is overwogen) [verdachte] als gebruiker is te herleiden. De chat-ID ‘ [accountnaam 11] ’ was actief van 20 maart 2020 tot en met 2 juni 2020. [verdachte] hield zich bezig met goederenvervoer en woonde in een woning op het adres [adres 1] op welk adres tot en met 29 januari 2019 zijn – inmiddels blijkens het politieonderzoek op 6 december 2020 overleden – vaders bedrijf [bedrijf 6] was gevestigd. [verdachte] heeft samen met zijn ex-partner [betrokkene 14] een zoontje genaamd [betrokkene 15] , geboren op [geboortedag 14] 2014. Achter deze woning ligt een eigen crossbaan. Op 6 april 2020 stuurde ‘ [accountnaam 11] ’ naar de door het hof als [medeverdachte 6] geïdentificeerde gebruiker van ‘ [accountnaam 10] ’ een foto van een Duitse bekeuring voor een inhaalverbod en snelheidsovertreding op naam van [verdachte] met diens geboortedatum en adres. Op 7 mei 2020 stuurde ‘ [accountnaam 11] ’ via EncroChat het bericht “Met kids ff crosse hier”. Op 31 mei 2020 berichtte ‘ [accountnaam 11] ’ via EncroChat ‘ [accountnaam 7] ’ “Ander autotje gehaald gister” en op de vraag van ‘ [accountnaam 7] ’ wat voor auto, antwoordde ‘ [accountnaam 11] ’ een “Mini cooper” “2008”, waarna de politie vaststelde dat op 30 mei 2020 een Mini Cooper, bouwjaar 2008, op naam van [verdachte] moeder was gezet en tijdens het onderzoek 26Alston was gebleken dat het [verdachte] was die van die Mini Cooper gebruik maakte. Voorts bleek uit diverse chats via het EncroChat dat ‘ [accountnaam 11] ’ actief was met vrachtwagentransporten. Het hof oordeelt dat ‘ [accountnaam 11] ’ [verdachte] betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [verdachte] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 22] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Een van de contacten van SkyECC -account [accountnaam 15] , dat hiervoor is geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , bleek SkyECC -account [accountnaam 22] . Dit SkyECC -account [accountnaam 22] was actief, na de hack van EncroChat , in de periode van 14 juni 2020 tot en met 2 januari 2021. Het hof stelt vast dat de gebruiker van dit SkyECC -account [accountnaam 22] wederom [verdachte] betrof, daar via SkyECC berichten zijn verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie die tot [verdachte] als gebruiker zijn te herleiden. Zo gaf ‘ [accountnaam 22] ’ zodanige instructies hoe een SkyECC -contact bij [accountnaam 22] thuis kon komen, te weten “ [bedrijf 7] ”, “ [adres 1] ”, “zat [bedrijf 8] ”, “ [routebeschrijving] [bedrijf 7] ”, “dan door die poort naar binnen rijden” dat dit onmiskenbaar duidde op het thuisadres van [verdachte] ( [adres 1] ), waar op [adres 12] een [bedrijf 8] zat en op [adres 1] - [adres 2] een [bedrijf 7] . Op 30 juni 2020 chatte ‘ [accountnaam 22] ’ met [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ via SkyECC over het ophalen van en wegbrengen naar school van zijn kleine, hetgeen past bij het feit dat [verdachte] zoontje op dat moment bijna zes jaar oud en schoolgaand was. Dit zoontje heeft [verdachte] samen met zijn ex-partner [betrokkene 14] en op dat feit sluit dan weer een chatgesprek aan tussen ‘ [accountnaam 22] ’ en [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ op 21 juli 2020, waarin ‘ [accountnaam 22] ’ een screenshot van een WhatsAppgesprek met het contact ‘ [betrokkene 14] ’ stuurt naar [medeverdachte 6] , in welk gesprek het gaat over een last-minutevakantie en een (negatief) reisadvies voor Kroatië in verband met het toentertijd rondwarende coronavirus en de optie Mallorca. Dat het WhatsAppgesprek tussen [verdachte] en zijn ex-partner plaatsvond, concludeert het hof uit de direct op het screenshot volgende berichten via SkyECC , waarin ‘ [accountnaam 22] ’ met [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ laat weten “moest ff antwoorden”, duidend op zijn reacties als weergegeven in het screenshot. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [verdachte] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 23] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof oordeelde hiervoor reeds dat de gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 22] ’ [verdachte] betrof. Dat account ontving op 30 december 2020 via SkyECC het bericht met de volgende inhoud: “Heb voor jou hier nieuwe tel klaar”. Vervolgens stelde de politie vast dat dezelfde reseller die SkyECC -account ‘ [accountnaam 22] ’ (met de zelfgekozen nickname ‘ [accountnaam 22] ’) had geactiveerd, op 27 december 2020 ook SkyECC -account ‘ [accountnaam 23] ’ (met dezelfde zelfgekozen nickname ‘ [accountnaam 23] ’) had geactiveerd en het diezelfde reseller was (met SkyECC -account ‘ [accountnaam 38] ’) die [verdachte] drie dagen later berichtte zijn nieuwe telefoon klaar te hebben. Dat account ‘ [accountnaam 23] ’ was vervolgens aldus actief van 27 december 2020 tot en met 11 februari 2021. Dat het SkyECC -account ‘ [accountnaam 23] ’ door [verdachte] werd gebruikt, vindt verder bevestiging in een chatgesprek van 10 februari 2021 tussen ‘ [accountnaam 23] ’ met [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ waarin ‘ [accountnaam 23] ’ laat weten zo goed als thuis te zijn en effe een keer de kleine op te halen van school . Vervolgens vindt nog een gesprek plaats tussen ‘ [accountnaam 23] ’ en [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 21] ’ waarin ‘ [accountnaam 23] ’ opties noemt die in relatie staan tot het perceel waar [verdachte] woont, waaronder “bij mij onder afdak” en “voor bij de winkel” en “zal truck gewoon achteruit zetten dat je niet in kan”. Wat dit laatste betreft zijn de uitgekeken camerabeelden van camera’s op [verdachte] perceel aan [adres 1] relevant, want daarop is door de politie waargenomen dat er een trailer geparkeerd stond met de achterzijde tegen de bosjes en die trailer incidenteel door [verdachte] met een truck naar voren werd verplaatst (van de bosjes vandaan, waardoor de trailer naar voren reed), zodat de laadklep van die trailer openging. Dit alles leidt ertoe dat het hof concludeert dat [verdachte] in navolging van SkyECC -account ‘ [accountnaam 22] ’ ook de gebruiker was van SkyECC -account ‘ [accountnaam 23] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 7] als Encro -Chat gebruiker ‘ [accountnaam 4] ’ en als gebruiker van SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 19] ’ en ‘ [accountnaam 20] ’</emphasis>
      </para>
      <para>In het onderzoek 26Alston bleek dat de gebruiker van het EncroChat -account ‘ [accountnaam 4] ’ door zijn EncroChat -contacten was opgeslagen onder diverse namen, waaronder ‘ [medeverdachte 7] ’, ‘ [medeverdachte 7] ’ en ‘ [medeverdachte 7] ’. Deze namen hebben gemeen dat daarvan deel uitmaakt ‘ [accountnaam 3] ’ en ook is meermalen de combinatie met ‘ [medeverdachte 7] ’ gemaakt. De hiervoor als [medeverdachte 2] geïdentificeerde EncroChat -gebruiker ‘ [accountnaam 3] ’ was op zijn beurt ook een van de contacten van ‘ [accountnaam 4] ’ en had hem opgeslagen als contact onder de naam ‘ [accountnaam 19] ’. Via de SkyECC -contacten van de aan [medeverdachte 2] toegeschreven SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 17] ’ en ‘ [accountnaam 18] ’ en daarbij behorende zelfgekozen nicknames en resellers stuitte de politie wederom op de nickname ‘ [accountnaam 19] ’, waarvan gebruik werd gemaakt door SkyECC -account ‘ [accountnaam 19] ’, alsmede op de nickname ‘ [accountnaam 20] ’, waarvan gebruik werd gemaakt door SkyECC -account ‘ [accountnaam 20] ’. Voorts bleek dat beide SkyECC -accounts dezelfde reseller ‘ [accountnaam 5] ’ hadden.</para>
      <para>Uit de historische verkeersgegevens van het SIM-kaartnummer behorend bij SkyECC -account ‘ [accountnaam 19] ’ bleek dat dit actief was van 13 juni 2020 tot en met 2 januari 2021 en uit de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer behorend bij SkyECC -account ‘ [accountnaam 20] ’ bleek dat dit actief was vanaf 14 november 2020. In de nachtelijke uren straalde het toestel met het SkyECC -account ‘ [accountnaam 20] ’ een zendmast aan in [plaatsnaam 8] . [medeverdachte 2] stuurde als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 17] ’ in een chatgesprek met [medeverdachte 6] als gebruiker van SkyECC -account ‘ [accountnaam 21] ’ op 11 augustus 2020 een adres in [plaatsnaam 8] , te weten [adres 13] . Ook was het [medeverdachte 2] die met dat account op 19 augustus 2020 via SkyECC berichtte dat hij zijn zwager de kant van het contact op zou sturen om iets op te halen en dat zijn zwager van [plaatsnaam 8] kwam. Op 26 november 2020 was het wederom [medeverdachte 2] die via SkyECC met zijn account ‘ [accountnaam 17] ’ in relatie tot zijn zwager berichtte dat een grijze BMW 3-serie touring zou komen en op 1 en 8 maart 2021 was het [medeverdachte 2] inmiddels als gebruiker van het SkyECC -account ‘ [accountnaam 18] ’ die SkyECC -accountgebruiker [accountnaam 14] , geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , via SkyECC liet weten dat hij, [medeverdachte 2] , zijn zwager “voorreed naar Adam”, waaruit het hof afleidt dat [medeverdachte 2] net als zijn zwager naar Amsterdam zou gaan en zijn zwager als het ware (op afstand) zou begeleiden bij beide ritten. Het op dat moment door het onderzoeksteam 26Alston van een peilbaken voorziene voertuig van [medeverdachte 2] bleek op beide data naar Amsterdam te zijn gereden via de A2. Gelet op de inhoud van de chatgesprekken over het “voorrijden naar Adam” zijn de ANPR-gegevens opgevraagd van de voertuigen die binnen een kwartier na het voertuig van [medeverdachte 2] de ANPR-camera op de A2 passeerden. Daar kwam één kenteken uit dat in de bevraagde tijdvakken, vier keer, de camera was gepasseerd. Dit kenteken stond op naam van [medeverdachte 7] , die overigens tot 6 januari 2021 een BMW320D Touring op zijn naam had staan. Deze [medeverdachte 7] bleek in het verleden op het eerder door [medeverdachte 2] in een chatgesprek genoemde adres [adres 13] ingeschreven te hebben gestaan, waar – na raadpleging van de BRP – ook de halfzus van [medeverdachte 2] en haar dochters, waaronder [betrokkene 16] , bleken te staan ingeschreven. Hoewel [medeverdachte 7] inmiddels in [plaatsnaam 9] stond ingeschreven, verbleef hij volgens de politie nog steeds bij zijn gezin op genoemd adres in [plaatsnaam 8] . Gelet op dit alles was [medeverdachte 7] niet alleen aan te merken als “ [medeverdachte 7] ” van [medeverdachte 2] , maar bleek aldus ‘ [accountnaam 20] ’ zoals [medeverdachte 2] zijn zwager noemde, te herleiden tot [medeverdachte 7] , die aanvankelijk net als [medeverdachte 2] gebruik maakte van EncroChat en nadien van SkyECC . Het hof is dan ook van oordeel dat deze bevindingen leiden tot de conclusie dat de ‘ [medeverdachte 7] ’, ‘ [medeverdachte 7] ’ en ‘ [medeverdachte 7] ’ (evenals dus ‘ [accountnaam 19] ’) de contactnamen betroffen van de EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 4] ’, zijnde [medeverdachte 7] en dat deze [medeverdachte 7] zich na de hack van EncroChat bediende van de SkyECC -accounts ‘ [accountnaam 19] ’ en ‘ [accountnaam 20] ’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 4] als EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 7] ’ </emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 7] ’ via EncroChat berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ [accountnaam 7] ’ tot [medeverdachte 4] als gebruiker is te herleiden. Op 17 april 2020 bevond ‘ [accountnaam 7] ’ zich op EncroChat en stuurde ‘ [accountnaam 7] ’ vijf foto’s met daarop een of meer personen, berichtte ‘ [accountnaam 7] ’ met 3 man te zijn en chatte ‘ [accountnaam 7] ’ “bij [accountnaam 11] op de plaats” te zijn. Het contact van ‘ [accountnaam 7] ’ in dat gesprek gaf te kennen aan ‘ [accountnaam 7] ’ “Dan blijf je maar bij [medeverdachte 5] ” pitten. Zoals hiervoor reeds uiteengezet deelt het hof de bevindingen van de politie voor wat betreft de identificaties van ‘ [medeverdachte 5] ’ als [medeverdachte 5] uit [plaatsnaam 8] en ‘ [accountnaam 11] ’ als [verdachte] uit [plaatsnaam 4] . De politie heeft de vijf foto’s bekeken en meent op die foto’s naast [medeverdachte 4] ook zowel [medeverdachte 5] als [verdachte] te herkennen. In dat verband hecht het hof er nog waarde aan dat uit het chatgesprek van ‘ [accountnaam 7] ’ lijkt te volgen dat de foto’s bij ‘ [accountnaam 11] ’ en aldus [verdachte] zijn gemaakt en dat zeer wel lijkt te kloppen, nu het hof op de foto’s waarneemt dat het typische diagonale tweekleurige legverband van de terras/verandavloer alsmede de typische houten balkenbalustrade in kruisvorm daadwerkelijk zeer sterke overeenkomsten vertonen met eenzelfde type vloer en balustrade als waarneembaar op de camerabeelden bij [verdachte] woning (de veranda is dan in gebruik als serre). Op 20 april 2020 chatte ‘ [accountnaam 7] ’ via EncroChat met een contact dat ‘ [accountnaam 7] ’ bij zich thuis uitnodigde en desgevraagd naar het adres, antwoordde ‘ [accountnaam 7] ’ met “ [straatnaam 4] maat”. Het hof stelt vast dat ‘ [accountnaam 7] ’ hiermee als adres de straat van het BRP-adres van [medeverdachte 4] doorgaf. Op 30 april 2020 werd ‘ [accountnaam 7] ’ door meerdere contacten gefeliciteerd met zijn dochter/dame, waaronder door de hiervoor als [medeverdachte 6] geïdentificeerde EncroChat -gebruiker ‘ [accountnaam 10] ’. Desgevraagd door een contact antwoordde ‘ [accountnaam 7] ’ dat ze “23” is geworden. Uit de BRP-gegevens blijkt dat [medeverdachte 4] twee dochters heeft, waarvan de jongste [betrokkene 17] op 30 april 2020 jarig was. [betrokkene 17] werd toen 23 jaar. Op 2 mei 2020 liet ‘ [accountnaam 7] ’ weten “morgen komt [naam 7] familie langs”, terwijl uit de BRP blijkt dat [medeverdachte 4] geboren is in [geboorteplaats 10] . Die familie kwam langs in verband met de verjaardag van [accountnaam 7] jongste dochter en dat die verjaardag als gevolg van de coronabeperkingen verspreid over vier dagen werd gevierd. Diezelfde jongste dochter van ‘ [accountnaam 7] ’ bleek ook betrokken bij een steek-/bijtincident in de nacht van 2 april 2020, van welk incident [betrokkene 17] op 5 april 2020 aangifte deed. Over dit incident chatte ‘ [accountnaam 7] ’ met de als ‘ [accountnaam 9] ’ geïdentificeerde [medeverdachte 5] en de als ‘ [accountnaam 10] ’ geïdentificeerde [medeverdachte 6] en aan laatstgenoemde stuurde ‘ [accountnaam 7] ’ nog een op een nieuwssite geplaatst artikel. Gelet op al deze concrete en duidelijke aanwijzingen oordeelt het hof dat ‘ [accountnaam 7] ’ de gebruikersnaam van [medeverdachte 4] betrof als gebruiker van ‘ [accountnaam 7] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Identificatie [medeverdachte 4] (als EncroChat gebruiker ‘ [accountnaam 7] ’) als ‘ [medeverdachte 4] ’</emphasis>
      </para>
      <para>Hiervoor zijn reeds een groot aantal identificaties besproken. Zo leidde de identificaties van ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 8] ’ naar [medeverdachte 5] , de identificatie van ‘ [accountnaam 6] ’ naar [medeverdachte 8] en die van ‘ [accountnaam 10] ’ naar [medeverdachte 6] . Ook blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de EncroChat -naam ‘ [accountnaam 5] ’ kan worden toegeschreven aan de op 12 mei 2020 overleden [medeverdachte 3] en na diens overlijden aan zijn dochter [betrokkene 6] , die ‘ [accountnaam 7] ’ had opgeslagen als ‘ [medeverdachte 4] ’. Uit het onderzoek 26Alston kwam steeds ‘ [accountnaam 5] ’ als de reseller van de pgp -telefoons/accountactivator naar voren. Al deze contacten van ‘ [accountnaam 7] ’ waarover hiervoor reeds is overwogen dat die EncroChat -naam werd gebruikt door [medeverdachte 4] , hebben ‘ [accountnaam 7] ’ de nickname/bijnaam ‘ [medeverdachte 4] ’ gegeven, althans ‘ [accountnaam 9] ’ gaf hem ‘ [medeverdachte 4] ’. Ook uit een EncroChat -gesprek tussen [verdachte] als ‘ [accountnaam 11] ’ en [medeverdachte 6] als ‘ [accountnaam 10] ’ op 6 april 2020 blijkt dat met ‘ [medeverdachte 4] ’ een persoon werd bedoeld als [medeverdachte 6] hem chatte “Overleg ff met [medeverdachte 4] aub”. Datzelfde blijkt uit meerdere in dit onderzoek ontsleutelde chatsessies waaronder die op 8 juni 2020 tussen [medeverdachte 5] als ‘ [accountnaam 8] ’ en [medeverdachte 2] als ‘ [accountnaam 3] ’ toen ‘ [accountnaam 8] ’ ( [medeverdachte 5] ) chatte “Ik moest van [medeverdachte 4] vragen als je 15k had en dan zal die zo meteen laten zien waar voor”, waarop ‘ [accountnaam 3] ’( [medeverdachte 2] ) reageerde met “Als hij dat met [medeverdachte 1] besproken heeft dan wel”. Ook hier werd met ‘ [medeverdachte 4] ’ evident een persoon bedoeld. Gelet hierop alsmede gelet op deze nickname/bijnaam die door de contacten van ‘ [accountnaam 7] ’ aan hem zijn gegeven, werd naar ’s hofs oordeel met ‘ [medeverdachte 4] ’ steeds [medeverdachte 4] bedoeld. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier 1, de criminele organisatie)</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De advocaat-generaal acht het onder 1 tenlastegelegde, kort gezegd de deelname aan een criminele organisatie , wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat [verdachte] met slechts een beperkt aantal medeverdachten contact had, dat hij het merendeel van de medeverdachten niet kenden, dat hij geen contact had met mensen uit de bovenlaag en dat hij feitelijk niet met anderen samenwerkte. Daarom kan hoogstens worden gesproken van incidenteel medeplegen, maar is er geen sprake van een overstijgend samenwerkingsverband waar [verdachte] opzettelijk aan zou hebben bijgedragen, aldus de verdediging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel hof</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
        <para>Aan [verdachte] is tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (als logische specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en II en/of</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 en/of het derde of vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een of meer misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.</para>
        <para>Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – ook zelf strafrechtelijk verantwoordelijk is in de zin van pleger, medepleger of een andere deelnemingsvorm. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming door de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende, rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met, alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>Het hof is op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot alle overige feiten van oordeel dat gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake is geweest van een crimineel samenwerkingsverband. Dit samenwerkingsverband had tot oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat met deze misdrijven grote sommen geld werden verdiend, die buiten het zicht van de autoriteiten werden gehouden. Er werd geen belastingaangifte gedaan ten aanzien van de gelden die werden verdiend. Er werd gecommuniceerd met behulp van cryptotelefoons om ontdekking door politie en justitie te voorkomen, zij het dat dat niet is gelukt. Zoalsblijkt uit de overige feiten werd door de organisatie een boekhouding bijgehouden. Uitgaande van deze boekhouding ontvingen deelnemers onkostenvergoedingen en sommigen ook ‘werkgeld of loon’ voor hun werkzaamheden binnen de organisatie, ieder met een eigen rol. Uit het bekend geworden gedeelte van de boekhouding (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 27, vanaf pagina 687) blijkt dat de organisatie miljoenen euro’s heeft omgezet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof beschrijft hierna de rollen van de betreffende verdachten, zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, en haalt ter illustratie steeds enkele tot het bewijs gebezigde tapgesprekken aan. Daar in de overwegingen omtrent de identificatie reeds is vastgesteld van welke EncroChat -accounts, SkyECC -accounts en/of ANØM -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten, zijn in de weergave van de gesprekken/chats voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de geïdentificeerde verdachten genoemd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 1] was de onbetwiste leider van het criminele samenwerkingsverband. Hij gaf opdrachten tot aan- en verkoop van drugs en drugsprecursoren en bepaalde waarin werd geïnvesteerd. Hij werd ook “ [medeverdachte 1] ” genoemd, zie bijvoorbeeld het bericht van [medeverdachte 10] via SkyECC aan [medeverdachte 1] van 16 december 2020, waarin deze zegt: “ [medeverdachte 1] . Eerste ronde is geregeld. Spullen net opgehaald en betaling ook geregeld” (zie proces-verbaal zaaksdossier 05, relaas proces-verbaal, pagina 18). Op 17 april 2020 (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 33, pagina 967) zegt [medeverdachte 4] via EncroChat tegen [medeverdachte 1] dat hij zijn leven voor hem geeft en dat het een eer is om voor hem te werken.</para>
        <para>Het opzetten van harddrugproductielocaties werd met [medeverdachte 1] besproken en pas als hij akkoord was, werd daadwerkelijk actie ondernomen. Terwijl andere leden van de organisatie risico’s namen door met grote hoeveelheden drugs en tonnen aan contant geld de weg op te gaan tijdens de eerste coronalockdown, bevond [medeverdachte 1] zich op een luxe jacht op de Seychellen en gaf hij vanaf daar zijn orders. Op 15 april 2020 bijvoorbeeld stuurde hij via EncroChat vanaf de Seychellen naar [medeverdachte 2] : “Kun je morgen 80 keta aanpakken” (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 852).</para>
        <para>Hoe de verdeling van de winsten plaatsvond, wordt op grond van het dossier niet duidelijk. Wel blijkt dat [medeverdachte 1] zelf in ieder geval flinke sommen geld naar eigen inzicht kon uitgeven, bijvoorbeeld voor het vervoer van zijn vriendin per privéjet van de Seychellen naar Nederland in april 2020 voor een bedrag van 97.000 euro.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 2] na het overlijden van [medeverdachte 3] op 12 mei 2020 de boekhouding bijhield. Op de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen telefoon werd de Secret Photo Album applicatie aangetroffen (SA-applicatie). Dit is een applicatie waarmee de gebruiker met een apart wachtwoord toegang kan krijgen tot privéfoto's/video's in een heimelijke folder. In de SA-applicatie werden onder ‘notes’ meerdere foto's van schermafbeeldingen van een telefoon aangetroffen met financiële overzichten/onkosten /betalingen, zeer vermoedelijk gezien de aard en de samenhang (namen, bijnamen, afkortingen onder andere B en huur) ten behoeve van de criminele organisatie. Verder verzorgde [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] de overdrachten van drugs en geld van en aan de organisatie. Hij had in die hoedanigheid de beschikking over en toegang tot grote contante geldbedragen. </para>
        <para>Op 15 april 2020 vroeg [medeverdachte 1] zoals hiervoor reeds vermeld aan [medeverdachte 2] : “Kun je morgen 80 keta aanpakken?” [medeverdachte 2] reageerde met: “Ja kan, geen probleem”. ’s Avonds bericht hij aan [medeverdachte 1] : “Heb contact ze brengen keta naar ehv” </para>
        <para>(zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 852-853). Op 19 april 2020 stuurde account ‘ [accountnaam 39] ’ via EncroChat aan [medeverdachte 1] dat hij nog 25k van hem had liggen, waarna [medeverdachte 2] een dag later aan ‘ [accountnaam 39] ’ via EncroChat liet weten dat “ [medeverdachte 1] ” (bijnaam voor [medeverdachte 1] ) hem gisteren stuurde dat ‘ [accountnaam 39] ’ 25k klaar had liggen en vroeg wanneer het uitkwam dat hij die oppikte. Ze spraken af bij de loods . Diezelfde ochtend nog stuurde ‘ [accountnaam 39] ’ aan [medeverdachte 1] , wederom via EncroChat , het bericht dat hij 25k aan [medeverdachte 2] had gegeven (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 857-858).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 7] werd, vooral door [medeverdachte 2] , ingezet voor het feitelijk ophalen en wegbrengen van drugs, precursoren en geld in het kader van door [medeverdachte 1] met andere criminelen gesloten drugsdeals. Op 2 april 2020 gaf [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] door dat zijn zwager [medeverdachte 7] zo “pap” (waarmee naar ’s hofs oordeel niets anders werd bedoeld dan geld) zou aanpakken in Amsterdam. Het ging daarbij om “166400”. [medeverdachte 7] liet aan [medeverdachte 2] die middag weten “ik ben er je hoort me als ik terug rij” (zie proces-verbaal zaaksdossier 02, relaas proces-verbaal, pagina 17-18). Op 3 april 2020 berichtte [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 7] : “Maat, heb dadelijk een ritje voor je” “Hoor over 10 minuten hoe laat je aan kan pakken”, waarop [medeverdachte 7] zei “Okj, is goed”. Op 24 april 2020 vroeg [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 7] “Kan je ff pap aanpak in Tilburg”, waarop [medeverdachte 7] binnen een halve minuut reageerde met “Ja is goed” (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 860). Voor diens overlijden was het vooral [medeverdachte 3] die [medeverdachte 7] aanstuurde om geld op te halen. Op 5 mei 2020 berichtte [medeverdachte 2] aan account ‘ [accountnaam 40] ’ via EncroChat dat hij zijn zwager 2x laat rijden voor die b. en dat hij geen bus had. [medeverdachte 2] vroeg: “Hoe laat kan hij die eerste 150 oppikken?”, waarop ‘ [accountnaam 40] ’ aan [medeverdachte 2] liet weten “12 uur kan hij komen”. ‘ [accountnaam 40] ’ liet [medeverdachte 1] weten dat er nu “7/Kane” werden opgehaald” en “ [accountnaam 3] Haald op” en “Is meer dan 300/lit”. Kort daarna stuurde [medeverdachte 2] een bericht van ‘ [accountnaam 4] ’( [medeverdachte 7] ) door naar ‘ [accountnaam 40] ’ met de inhoud “sta er” en de reactie “Oke maat hij zal er zo wel zijn” van ‘ [accountnaam 3] ’. Daarop vroeg ‘ [accountnaam 40] ’ aan [medeverdachte 2] welke auto de “shafeur” had, waarop [medeverdachte 2] zei “Grijze bmw 3 serie touring”. Daarop volgden 2 foto’s van ‘ [accountnaam 40] ’ aan [medeverdachte 2] waarop het hof witte jerrycans met een zwarte dop waarneemt, gevuld met een blauwkleurige vloeistof. Op de tweede foto staan meerdere jerrycans in de achterbak van een grijze auto, waarop [medeverdachte 2] reageert met “past maar net”. Ook liet ‘ [accountnaam 40] ’ aan [medeverdachte 1] weten rond datzelfde tijdstip dat hij ze nu had opgehaald en hij straks de rest (“rast”) zou ophalen (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 865- 866). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De organisatie had de beschikking over verschillende locaties voor de opslag van hardware, (pre-)precursoren , chemicaliën en drugs. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hier kwam ook [medeverdachte 4] in beeld, want hij was betrokken bij de opbouw/inrichting van de nieuwe laboratoria/locaties en hield zich in dat verband (onder meer) ook bezig met de aanschaf van de hardware en het erop toezien dat er maatwerk werd geleverd. Voor wat betreft maatwerk doelt het hof bijvoorbeeld op de voor de organisatie verrichte laswerkzaamheden, perswerkzaamheden en de gemaakte berekeningen. Zo had [medeverdachte 4] op 7 april 2020 contact met [medeverdachte 8] , waarbij [medeverdachte 8] tekeningen van voorwerpen met tekst en berekeningen naar [medeverdachte 4] stuurde en het bericht “Dus 5 rekjes en bakken rest kopen”, waarop [medeverdachte 4] reageerde “OK maat duidelijk”. Op de vraag van [medeverdachte 8] of [medeverdachte 4] wist waar ze koppelingen aan slangen kunnen persen en slangen kunnen kopen, bleek [medeverdachte 4] een antwoord paraat te hebben. [medeverdachte 4] antwoordde “Ja denk het wel morgen even langsrijden maat”, waarop [medeverdachte 8] hem liet weten “Oke ik maak lijstje met wat we nodig hebben zijn slangen voor stoomketel naar didteleerder en koeling compleet”, waarop [medeverdachte 4] nog zei “Ok maat maak maar zorg ik dat die geperst worden”, hetgeen [medeverdachte 8] bevestigde met een emoticon van een omhooggestoken duim. Ook had [medeverdachte 4] rechtstreeks contact met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] . Bijvoorbeeld uit een EncroChat -gesprek van 15 april 2020 volgt onomstotelijk dat [medeverdachte 4] wist waar hij zich mee bezig hield. In een door [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 5] op die dag doorgestuurde conversatie tussen [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] vroeg [medeverdachte 1] of de lasser het druk had. [medeverdachte 4] liet [medeverdachte 1] daarop weten “Ja met onze spullentjes maar moet er iets tuusendoor gemaakt worden? [medeverdachte 1] liet weten “Ketel voor fosforapaan”, waarop [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 1] vroeg “Groot?”. Ook liet [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 1] weten “Lasser zegt kan altijd als ie tekening krijgt en de spullen geleverd krijg en als ie in tijd nood komt moet ik hem helpen”. Die conversatie loopt nog door en wordt dus later doorgestuurd door [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 5] . Zij hebben het dan samen over die ketel. [medeverdachte 5] zei immers “Foafor gaat moeilijk zijn” “Moet speciaal rvs zijn” “Is voor te smelten” en “Gaat denk ik wel. Maar moeten we weer dikke rand hebben”. Dit is slechts als voorbeeld een verkorte weergave van de betrokkenheid van [medeverdachte 4] . Hij wist waar hij mee bezig was, zeker tegen de achtergrond van het dossier, namelijk met de opbouw en inrichting van laboratoria ten behoeve van de productie van (grondstoffen voor) harddrugs, ook was hij zeer wel op de hoogte van wat de bedoeling was met de spullen en was hij zelfs beschikbaar om bij te dragen aan de laswerkzaamheden als voormalig lasser. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 30 november 2021 zijn hardware, precursoren, chemicaliën en drugs aangetroffen op locaties in Bladel, Eersel en Weert. De locaties in Eersel en Bladel kunnen op grond van het dossier worden gekoppeld aan [verdachte] . </para>
        <para>
          [verdachte] had een ondersteunende rol en was met name betrokken in het kader van opslag-/voorraadlocaties en hield zich ook bezig met het vervoer. Het was [verdachte] die de hasjiesj uit Tsjechië invoerde, als [accountnaam 11] veelvuldig in gesprekken tussen anderen werd genoemd voor wat betreft de voorraad/opslag, zelf op de hoogte was van die voorraad/opslag en daarvoor ook door de organisatie werd betaald. Voorts stond [verdachte] in nauw contact met overige leden van de organisatie en blijkt uit de inhoud van de chatgesprekken dat hij ervan op de hoogte was dat deze organisatie zich met drugsdelicten bezighield. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 6] bezocht gedurende de tenlastegelegde periode de locaties in Weert, Eersel en Bladel. [medeverdachte 6] stuurde [verdachte] en [medeverdachte 11] aan op het gebied van transport en opslag van hardware en chemicaliën. [medeverdachte 6] stuurde op 31 maart 2020 een uitgebreid overzicht aan [medeverdachte 8] met door hem en anderen gemaakte kosten over de voorafgaande maanden. Op 25 februari 2021 had [medeverdachte 6] een gesprek met [medeverdachte 1] waarin hij aangaf dat hij alles zou gaan nawegen en dat hij dozen van 20 kg had gemaakt. Verder vroeg hij of de chauffeur nog een keer moest. Op 3 maart 2021 overlegde [medeverdachte 6] met [medeverdachte 1] over de betaling van [verdachte] . [medeverdachte 1] zei dat dat vandaag al kon. [medeverdachte 1] hoopte zo te horen dat hij wat kon verkopen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 8] was degene binnen de organisatie met ruime kennis van de (chemische) processen rond de productie van synthetische drugs. [medeverdachte 8] was op 26 maart 2020 vanwege gezondheidsredenen in vrijheid gesteld, terwijl hij een langdurige straf uitzat voor drugsdelicten. Vanaf de dag van zijn invrijheidstelling had hij een cryptotoestel in bezit, zo blijkt uit een chat op 26 maart 2020 met [medeverdachte 5] , en coördineerde hij de opzet van productielocaties en de aanschaf van de hiervoor benodigde hardware en chemicaliën. Hij overlegde hierover direct met [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 1] bij de beoordeling van wat er nodig was, afging op de ervaring en deskundigheid van [medeverdachte 8] , zo blijkt uit een gesprek op 5 mei 2020 waarin hij [medeverdachte 1] vertelt dat omzetten het beste gaat met fosfor, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat hij dat aan hen overlaat. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] waren, onder aansturing van [medeverdachte 8] , betrokken bij het opzetten van productielocaties en het aanschaffen van de hiervoor benodigde spullen. Uit de bekend geworden kostenoverzichten blijkt dat grote geldbedragen zijn geïnvesteerd in het opzetten van productielocaties.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 5] betrokkenheid bij de organisatie kwam tot uiting in de opbouw en inrichting van drugslaboratoria/productielocaties. [medeverdachte 5] had in dat verband veelvuldig contact met [medeverdachte 8] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Zo stuurde [medeverdachte 4] op 20 maart 2020 het bericht “Zit bij lasser in de auto maat” naar [medeverdachte 5] , waarop [medeverdachte 5] antwoordde “Werd gvd tijd ”. [medeverdachte 4] liet [medeverdachte 5] weten “Slavendrijver”, waarop [medeverdachte 5] reageerde “Ik ben al onderweg daarheen” “maak maar een geintje” en daarop liet [medeverdachte 4] weten “Weet ik pik” “Zie je zo maat”. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op weg waren naar een locatie en dat de lasser hen op die locatie vergezelde. Deze conclusie vindt bevestiging in het vervolg van het gesprek waarin [medeverdachte 4] berichtte “Leg maar vast alles klaar haha” “Heb de spullen van utrecht ook meegenomen” “Alleen de plaat niet”, hetgeen [medeverdachte 5] “oke” vond, omdat “Moeten toch een ketel laten maken”, aldus [medeverdachte 5] . Diezelfde middag liet [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 4] weten dat er nog een andere ketel gemaakt moest worden, maar dat was iets voor de volgende week. [medeverdachte 4] begreep waar het over ging. </para>
        <para>Twee dagen later vroeg [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] waar die ketel, die [naam 3] had, stond. [medeverdachte 6] reageerde met “Staat die niet bij [accountnaam 11] ”. Voor [medeverdachte 5] was duidelijk wie met ‘ [accountnaam 11] ’ werd bedoeld (net als voor het hof, te weten [verdachte] ), want hij reageerde met “Weet ik niet heb jij toen opgehaald meen ik”. [medeverdachte 6] gaf daarop te kennen “Heb ik gelost met [accountnaam 11] toenn. Volgens mij staat die daar achter in stal” en ook dat bleek voldoende duidelijk voor [medeverdachte 5] , gelet op zijn reactie “Ah ok top” “Dan zalnik die vande week welnis gaannkijken” en “Moeten nieuwe projeckt klaar maken”. </para>
        <para>De volgende dag chatte [medeverdachte 5] met [medeverdachte 4] over ‘coke vloeistof’, waarbij [medeverdachte 5] meteen wist waar het over ging. Immers, toen [medeverdachte 4] hem vroeg “Maat weet jij weg met coke vloeistof?”, vroeg [medeverdachte 5] “Wat kost die” en “Kemne misschien zelf omzetten”. Daarop liet [medeverdachte 4] nog weten “Heeft ook ❄️olie” “Heel veel” ”Zeg wil wel misschien iets doen met metb-olie”, waarop [medeverdachte 5] reageerde met “Moet ik [naam 4] vragen hoe we om kenne zo tten”. Uit deze gesprekken kan reeds worden afgeleid dat [medeverdachte 5] aan een paar woorden genoeg had en zonder meer en zonder vragen te stellen wist waar zijn contacten het over hadden. Dit duidt op een langdurige relatie, waarbij men elkaar al langer kent en samenwerkt. Daarbij ging het onmiskenbaar over (grondstoffen voor) harddrugs, wat daarmee kon worden gedaan, bijvoorbeeld omzetten, daarmee kon worden verdiend en wie daarvoor moest worden gevraagd ( [naam 4] ). In een contact met [medeverdachte 8] van 3 maart 2020 duidde [medeverdachte 5] zichzelf en [medeverdachte 8] als “werkers”, hetgeen ook een samenwerkingsverband bevestigt. En dat [medeverdachte 5] ook actief was in de productie van (grondstoffen voor) harddrugs leidt het hof af uit een conversatie tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] op 6 april 2020 toen [medeverdachte 6] aan hem vroeg “Hoeveel kg hebben we noorden gemaakt, waarop [medeverdachte 5] eerst het totaal niet meer zou weten, maar dan spreekt over de laatste ronden daar en dat dat 148 was. [medeverdachte 6] memoreerde dat daar drie partijen waren gedaan en dat de laatste de grootste was, waarop [medeverdachte 5] liet weten “die vuile olie was 484 liter dat weet ik wel” en “Dat was laatste olie die ik zelf nog moeten rota”. [medeverdachte 6] zei daarop “Ja en daar voor nog 60 meth België ovrr”. Wederom een bevestiging van [medeverdachte 5] betrokkenheid, niet alleen bij de opbouw en inrichting van locaties, maar ook fysiek bij de productie van (grondstoffen voor) harddrugs.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 9] alias ‘ [medeverdachte 9] ’ had blijkens zijn verklaring bij de politie, afgelegd op 14 december 2021 contact gehad met [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] . Hij had in opdracht van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] op eigen naam goederen besteld bij diverse bedrijven en deze goederen vervolgens ter beschikking gesteld aan de organisatie. Verder had [medeverdachte 9] in opdracht van [medeverdachte 8] technische tekeningen gemaakt. Hij kreeg hiervoor betaald, zo blijkt onder meer uit het kostenoverzicht dat [medeverdachte 6] op 31 maart 2020 aan [verdachte] stuurde waarin onder meer staat: [medeverdachte 9] . Op 9 juni 2020 stuurde [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 5] een kostenoverzicht waarin onder meer staat: “ [medeverdachte 9] ”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 10] speelde een belangrijke rol bij de aankoop van de benodigde grondstoffen en (pre-) precursoren en bij het (laten) verwerken hiervan. Hij had hierover contact met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en veelvuldig met [medeverdachte 1] . </para>
        <para>Op 30 maart 2020 stuurde [medeverdachte 10] aan [medeverdachte 1] : “Gm. Heb net nagevraagd ap. Krijg ik morgen antw op”. Op 1 april 2020 stuurde hij: “Gmorgen. Ap eind vlgnd week hier is verwachting”. [medeverdachte 1] antwoordde met een duimpje omhoog. </para>
        <para>Op 10 mei 2020 vroeg [medeverdachte 10] aan [medeverdachte 1] of hij mono kon verkopen. [medeverdachte 1] zei: “denk het wel”.</para>
        <para>Op 28 mei 2020 stuurde [medeverdachte 10] een bericht naar [medeverdachte 1] dat ze begin juli konden beginnen met het maken van ice als alles meezat en dat de ketels eind juni klaar zouden zijn. De plek was rond. </para>
        <para>Op 18 december 2020 zei [medeverdachte 6] tegen [medeverdachte 10] via SkyECC : “Morgen 200 app moet ik aanpakken”. [medeverdachte 10] zei: “Oke das top. Als je wil kan je dan morgen die b van 150 ophalen en 200 brengen en maandag b van 200 halen zijn we maandag klaar”.</para>
        <para>Even later zei [medeverdachte 10] : “Maat dit is 50. Is 10 teveel”. [medeverdachte 6] zegt: “Ok had niet geteld”. [medeverdachte 10] zei: “Verrekenen we met volgende keer dan”. [medeverdachte 6] zei: “Maat kan je aub plastic van pap afhalen en weggooien”. [medeverdachte 10] zei: “ja zeker maat”. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachten zowel afzonderlijk als gezamenlijk, al dan niet in wisselende samenstellingen, gedurende de gehele dan wel een groot deel van de tenlastegelegde periode op vele momenten betrokken zijn geweest bij de genoemde misdrijven. Daaruit leidt het hof af dat de samenwerking van de verdachten niet incidenteel is geweest en geen beperkt karakter, maar een zekere duurzaamheid had. Gelet daarop is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige mate van duurzaamheid en structuur dat sprake is geweest van een organisatie in vorenbedoelde zin.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de onderschepte communicatie, met name de EncroChat - en SkyECC berichten, blijkt dat de deelnemers aan die communicatie heel goed wisten waar ze mee bezig waren en waar de activiteiten van de organisatie op waren gericht. Er wordt openlijk gesproken over de productie van en handel in synthetische drugs, precursoren, hasjiesj en ketamine. Uit deze communicatie blijkt ook dat niemand op enig moment morele bedenkingen heeft gehad tegen de activiteiten waaraan werd deelgenomen. De deelnemers leken vooral gretig en bereid tot actie. Men wilde aan de slag, omzet draaien en geld verdienen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de door de genoemde deelnemers aan de organisatie gepleegde handelingen, het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking en de planmatigheid en stelselmatigheid van de activiteiten, had deze organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen- en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hard- en softdrugs, kort gezegd de opzettelijke handel in en productie van (synthetische) drugs en de handel daarin en het opzettelijk verrichten van harddrugsgerelateede voorbereidingshandelingen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van [verdachte] en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van het dossier een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij [medeverdachte 1] de leiding had en eenieder zonder nadere uitleg wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op routinematige wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alle verdachten hebben tenminste in een deel van de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die [verdachte] leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij gelet op het voorgaande kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van [verdachte] , zowel op de deelneming aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De door de verdediging gevoerde bewijsverweren, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 7, voorbereidingshandelingen)</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De advocaat-generaal acht het onder 2 tenlastegelegde, kort gezegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen, wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. De verdediging heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt dat er bij [verdachte] sprake was van wetenschap van de omvang en de aard van de goederen. Ook blijkt op geen enkele wijze dat [verdachte] zeggenschap had over de goederen. De feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat [verdachte] – minst genomen in voorwaardelijke zin – opzet had op het voorbereiden van de productie van synthetische drugs.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel hof</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In artikel 10a van de Opiumwet zijn als zelfstandig misdrijf gedragingen strafbaar gesteld, die beogen de (internationale) handel in en productie van harddrugs voor te bereiden of te bevorderen. Dergelijke gedragingen zijn pas dan strafbaar, indien bij de dader het opzet heeft bestaan om een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet (onder meer het opzettelijk bereiden, vervoeren, verkopen, afleveren en het binnen- of buiten het grondgebied van Nederland brengen van lijst I middelen) voor te bereiden of te bevorderen. </para>
        <para>Voor een bewezenverklaring in de zin van artikel 10a van de Opiumwet is, naast opzet van de dader, ook vereist dat deze aan die intentie uiting heeft gegeven door een of meer van de in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet omschreven voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten.</para>
        <para>Niet is vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet) deze handelingen dienen. </para>
        <para>Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd dan wel een poging daartoe is ondernomen. Handelingen die plaatsvinden in de uitvoerings- of voltooiingsfase van het delict kunnen eveneens onder het bereik van artikel 10a van de Opiumwet vallen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het plegen van de onder 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter illustratie geeft het hof hieronder (delen van) een aantal van de tot het bewijs gebezigde chatgesprekken weer. In de overwegingen omtrent de identificatie is reeds vastgesteld van welke EncroChat -accounts, SkyECC -accounts en/of ANØM -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten. In de weergave van de gesprekken zijn voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de verdachten genoemd.</para>
        <para>Op 22 maart 2020 vroeg [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] : “Die ketel die [naam 3] had waar staat die?” [medeverdachte 6] zei: “Staat die niet bij [accountnaam 11] ”. “Die heeft [naam 5] toen opgehaald met aanhanger”. : Heb ik gelost met [accountnaam 11] toenn. Volgens mij staat die daar achter in stal”. </para>
        <para>Op 31 maart 2020 stuurde [medeverdachte 5] aan [verdachte] : “Heb man net geaproken gevraagd voor die ketel van jou maat hij is er mee bezig met iemand”. [verdachte] antwoordde: “Hopen dat we wat kunnen verdiene”.</para>
        <para>Op 31 maart 2020 stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 6] : “ [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] gister nog gezien”. “Staat nu cont vol bij me. Vroeg hij al wat ik daar voor moest hebbe”. [medeverdachte 6] zei: “Als 1000 extra geeft is dat goed?” [verdachte] antwoordde: “Ja zei ik hem. Vraag jou ff”. [medeverdachte 6] vroeg: “Staat bij jou vriend nog veel?” [verdachte] antwoordde: “Uhm alle ibc”. “Denk 5-6 en kist volle fles”. “rest bij mij. Maar pak bij hem nog oud frame. Zet ik in cont mocht die open moeten voor iemand dan is het ijzer van spuit cab.” [medeverdachte 6] zei: “Ok. Nog beter. Maar we moeten uitkijken met keta snap je”. [verdachte] zei: “Ja die paar pall staan nu nog in mijn trailer ga ik in blauwe zeten”.</para>
        <para>Op 27 april 2020 vroeg [medeverdachte 4] aan [verdachte] : ”Alles goed?” [verdachte] zei: “Goed hier, en daar?” [medeverdachte 4] zei: “Bezig op mijn luchtplaats en ben er niet echt lekker aan”. “Kunnen we morgen centrifuge pakken maat?” </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit deze aangehaalde chats en de overige bewijsmiddelen, volgt dat [verdachte] zich in de tenlastegelegde periode bezig hield met voorbereidingshandelingen voor internationale handel in en productie van harddrugs. Hij heeft meerdere zogenoemde cryptotelefoons voorhanden gehad en via deze cryptotelefoon met anderen gecommuniceerd over de productie, de aan- en verkoop en het vervoer van chemicaliën, grondstoffen en hardware ten behoeve van de productie van harddrugs. </para>
        <para>Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] zijn terrein als opslag heeft gebruikt voor drugsgerelateerde goederen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [verdachte] heeft daarmee zichzelf en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van de in artikel 10 van de Opiumwet genoemde strafbare feiten getracht te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden (of andere betaalmiddelen) voorhanden gehad. Uit de chats volgt dat [verdachte] wist dat de voorwerpen, stoffen en het geld bestemd waren voor het plegen van die strafbare feiten en zijn wil en zeker zijn opzet was daar gelet op de inhoud van de chats ook op gericht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [verdachte] en zijn mededaders hadden veelvuldig contact. Alle uit de bewijsmiddelen volgende gedragingen zijn, in onderling verband en samenhang bezien, te beschouwen als een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het onder 2 tenlastegelegde. Het hof acht deze bijdragen van meer dan voldoende gewicht om het medeplegen van de voorbereidingshandelingen bewezen te verklaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 4, de invoer van hasjiesj)</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De advocaat-generaal acht het onder 3 tenlastegelegde, kort gezegd de invoer van hasjiesj, wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde. Daartoe is – samengevat weergegeven–dat niet bewezen kan worden dat er daadwerkelijk hasjiesj is ingevoerd. De onderbouwing ten aanzien van dit feit is bijzonder summier. Voorafgaand aan het eerste beweerdelijke transport worden verschillende </para>
        <para>SkyECC -berichten aangehaald. Voor het merendeel van deze berichten geldt dat de berichtenwisseling maar half zichtbaar is, doordat er berichten van de andere partij ontbreken. Hierdoor is onduidelijk of er concrete afspraken zijn gemaakt en zo ja, wat deze afspraken inhielden. Het probleem van de gebrekkige informatie doet zich ook voor ten aanzien van de berichten die aan de verdachte worden toegeschreven. Het zou gaan om berichten met [medeverdachte 6] , waarbij die van [medeverdachte 6] niet zichtbaar zijn. Uit de berichten blijkt niet wat er wordt vervoerd en of de lading van criminele aard zou zijn. Integendeel, blijkens de berichten wordt er gebruik gemaakt van chauffeurskaarten op naam en is er een packing-list met stempel. Dit duidt op een legaal transport. Op de foto van de lading is niets afwijkends zichtbaar. Ook bij de tweede rit zijn alleen de berichten van het SkyECC -account ‘ [accountnaam 23] ’ zichtbaar. Voor deze berichten geldt eveneens dat er niets wordt geschreven over een illegale aard van de lading. Wederom wordt er kennelijk papierwerk opgemaakt en oogt de lading niet afwijkend. De enige basis voor de veronderstelling dat sprake was van het transporten van hasjiesj betreft de SkyECC -berichten. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit onvoldoende is om de conclusie van het Openbaar Ministerie te dragen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 september 2022 stelt de verdediging dat er onvoldoende bewijs is voor dit feit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien het hof aanneemt dat er sprake was van het transporteren van hasjiesj, moet volgens de verdediging de vraag worden beantwoord of de verdachte daadwerkelijk de chauffeur van deze transporten was. Het dossier biedt hiervoor twee aanknopingspunten: de berichten van het ‘ [accountnaam 23] ’ SkyECC -account dat aan de verdachte wordt toegeschreven en de tachograaf uit een vrachtwagen van de verdachte.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wat betreft de tachograaf merkt de verdediging op dat deze werkt middels een bestuurderskaart. Op 23 en 24 februari en 2 en 3 maart 2021 is er gereden met de kaart van de verdachte. Hieruit volgt slechts dat gebruik is gemaakt van zijn bestuurderskaart. Niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte zelf was die feitelijk heeft gereden. Het is goed mogelijk dat een ander met gebruik van de pas van de verdachte heeft gereden. De verdediging merkt overigens op dat de informatie uit de tachograaf niet overeenkomt met de rit die de verdachte zou hebben gereden. Op 23 en 24 februari 2021 zijn er in totaal 1.536 kilometers gereden, terwijl op 2 en 3 maart 2021 in totaal 1.570 kilometers zijn gereden. De afstand tussen [adres 1] en het adres in Tsjechië dat in de SkyECC -berichten wordt genoemd is 827 kilometer. Een retourrit omvat dus 1.654 kilometer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel hof</emphasis>
        </para>
        <para>In de overwegingen omtrent de identificatie is reeds vastgesteld van welke EncroChat -accounts, SkyECC -accounts en/of ANØM -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten. In de weergave van de gesprekken/chats zijn voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de geïdentificeerde verdachten genoemd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier leidt het hof het navolgende af. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 januari 2021 vroeg het SkyECC -account ‘ [accountnaam 41] ’ aan [medeverdachte 1] of hij nog samples nodig had in Frankfurt. Op 4 januari 2021 berichtte dezelfde ‘ [accountnaam 41] ’ aan [medeverdachte 1] dat de samples morgen (dus 5 januari 2021) in Eindhoven zouden zijn tussen 12.00 en 13.00 uur. Op 5 januari 2021 stuurde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] een foto met daarop een 8-tal ovaalvormige witte pakketjes met naar wat het hof waarneemt in ieder geval opdrukken/stempels/stickers met tekeningen met symbolen die zijn te herleiden tot het symbool van de Rolling Stones (rode lippen en uitgestoken tong), rode letters die het automerk Range Rover vormen en in het blauw letters en een logo die zijn te herleiden tot de Spaanse voetbalclub Real Madrid . Later gaf [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] te kennen dat de samples waren afgegeven bij [naam 6] . Op 6 januari 2021 berichtte [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat ‘ze’ allemaal hetzelfde waren, keihard en als je ze openmaakte er stukken uitvielen. Hierna stuurde [medeverdachte 2] een aantal foto’s van bruine brokken naar [medeverdachte 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 23 januari 2021 vroeg ‘ [accountnaam 41] ’ aan [medeverdachte 1] via SkyECC om een plaats in Holland om de start van het “tp” (transport) voor te bereiden. Daarna stuurde ‘ [accountnaam 41] ’ foto’s naar [medeverdachte 1] waarop het hof waarneemt een aantal ovaalvormige witte pakketjes met wederom een soortgelijk logo van de Rolling Stones en een soortgelijk blauw logo van de voetbalclub Real Madrid met daaronder de clubnaam in letters en een logo van een blauwe Z met als onderschrift de letters ZEIN. Ook neemt het hof waar dat op een aantal foto’s naast de verpakkingen bruine blokken/brokken staan, qua omvang en formaat passend bij de verpakkingen. Op 24 januari 2021 vroeg ‘ [accountnaam 41] ’ wederom aan [medeverdachte 1] om een naam van een plaats in Holland voor de levering van 400.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 2] vroeg op 25 januari 2021 aan [medeverdachte 7] via SkyECC of hij even het plastic eraf kon halen zodat het linnen zakje te zien was en dat hij even een stukje eraf moest breken. Verder vroeg hij om het account ‘ [accountnaam 42] ’ toe te voegen nu dat “die [medeverdachte 14] ” waar de stukken hasjiesj naar toe moeten. In die chat stond aldus letterlijk “Voeg hem even toe dat is die [medeverdachte 14] daar moeten die stukken hasjiejs naar toe”. [medeverdachte 7] stuurde vervolgens klaarblijkelijk een foto naar [medeverdachte 2] , die [medeverdachte 2] doorstuurde. Immers, uit berichten van [medeverdachte 2] aan een zekere [medeverdachte 13] die volgens de politie de bijnaam ‘ [medeverdachte 13] ’ heeft, bleek dat er foto’s werden verzonden van – volgens de waarneming van het hof – 8 ovale witte pakketjes, een close-up van een ovaal wit pakketje met een vergelijkbaar met eerder genoemd blauw Real Madrid -logo én ook een pakketje, deels zonder de verpakking, waarbij de inhoud van een vergelijkbaar pakketje te zien is, zijnde een bruine vaste substantie. Vervolgens berichtte [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat de samples waren afgegeven bij [medeverdachte 13] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Transport februari 2021</emphasis>
        </para>
        <para>Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat er op 23 en 24 februari 2021 een transport heeft plaatsgevonden. Hiervoor bezigt het hof onder andere de berichten van [verdachte] aan [medeverdachte 6] , waarbij de reactie van [medeverdachte 6] niet te zien is. [verdachte] stuurde op 23 februari 2021 om 15:29 uur dat hij onderweg was, om 21.11 uur stuurde [verdachte] dat het nog 375 was en dat hij nog 275/300 wilde doen. De volgende dag (24 februari 2021) om 09.39 uur schreef [verdachte] dat hij de klok wel kon uitzetten en daarheen kon rijden en vroeg of “hun” met hun eigen chauffeurskaart reden of met de zijne. Om 12.14 uur stuurde [verdachte] een foto van de binnenzijde van de trailer met daarin een aantal gesloten dozen op pallets. Dit doet het hof vermoeden dat de lading voor het transport was opgehaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze berichten zijn ook terug te vinden in de groepschat tussen [verdachte] , [medeverdachte 6] en de hiervoor reeds in beeld gekomen ‘ [accountnaam 41] ’ die samples regelde voor [medeverdachte 1] via [medeverdachte 2] . Zo had [verdachte] op 24 februari 2021 om 08.17 uur een foto van een route op een navigatiescherm gestuurd waaruit valt af te leiden dat hij nog 8 minuten moest rijden naar het adres “ [adres 15] ”. Vervolgens ging het over een “Myto CZ box” voor Tsjechië, waarvan tevens een foto werd gedeeld. [medeverdachte 6] vroeg om 09.38 uur in het Engels hoe lang de chauffeur moest wachten. Dit was op het moment dat [verdachte] zelf geen berichten meer stuurde in de chatgroep. [medeverdachte 6] en ‘ [accountnaam 41] ’ spraken 12.00 af en de jongens van ‘ [accountnaam 41] ’ zouden er dan om 12.00 uur zijn. [medeverdachte 6] berichtte daarna ‘ [verdachte] look first for a box’ en vroeg daarna of de chauffeur van ‘ [accountnaam 41] ’ een chauffeurskaart voor de vrachtwagen zou gebruiken. De jongen van ‘ [accountnaam 41] ’ kwam er aan en vroeg of de chauffeur van [medeverdachte 6] de kaart kon achterlaten. De jongen van ‘ [accountnaam 41] ’ zou alleen de trailer oppikken en [medeverdachte 6] werd gevraagd of hij hem, het hof begrijpt [verdachte] , kon vragen om zich voor te bereiden. Een en ander zou binnen 10 minuten klaar zijn. ‘ [accountnaam 41] ’ was in afwachting van een “GO”. Nadat [verdachte] om 10.49 uur een foto stuurde met daarop voor het hof waarneembaar een gebouw en rijdende auto’s en werd gevraagd waar hij moest wachten en of hij erin moest rijden of dat hij naar links moest of dat hij zijn vrachtauto voor de trailer moest zetten, berichtte ‘ [accountnaam 41] ’ dat elke plek kon en dat zijn jongens er in een paar minuten zouden zijn. Hierop liet [verdachte] weten dat hij er klaar voor was. Om 11.57 uur liet ‘ [accountnaam 41] ’ weten dat hij nu vertrok, waarna hij “good luck” wenste. Om 12.14 uur berichtte [verdachte] dat alles oké was en ‘ [accountnaam 41] ’ berichtte dat het spul in 4 pallets zat, waarna [verdachte] zich bedankte. De chatgroep werd op 2 maart 2021 beëindigd door [verdachte] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het berichtenverkeer naar [medeverdachte 6] berichtte [verdachte] die ochtend van 24 februari 2021 bij de locatie op de foto “is soort industrie maar slagboom en beveiliging. En sta ervoor” en “beetje parking hier”. Nadat [verdachte] een foto van de binnenkant van de trailer met de dozen had gestuurd, liet hij om 12.21 uur aan [medeverdachte 6] weten dat hij “een packing list enz” had gekregen en dat het 10 pall waren. (12.22 uur). Om 12.33 uur stuurt [verdachte] dat hij in “pl” was, waarmee hij volgens het hof doelde op Polen, en om 12.38 uur liet [verdachte] weten dat hij weer in D, waarmee hij volgens het hof doelde op Duitsland, was. Om 14.13 uur moest [verdachte] nog 660 kilometer. [verdachte] vroeg vervolgens om 17.34 uur “hoe laat willen jullie komen of losse” en later berichtte hij dat hij de truck gewoon achteruit zou zetten zodat je er niet in kon en dat hij de sleutels mee naar binnen zou nemen. Om 21.58 uur was hij weer “Back in nl” zo liet [verdachte] aan [medeverdachte 6] weten toen hij net de grens over was. Om 22.54 kwam zijn laatste bericht dat hij weer terug was en de sleutels op het aanrecht zouden liggen. Op 25 februari 2021 om 13.30 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] hoeveel 1 blok verkoop kost, hij kent namelijk een maat die dat rookt.</para>
        <para>Uit de gegevens van de bestuurderskaart van [verdachte] ving de rit op 23 februari 2021 aan om 15.59 uur en werd als beginland Nederland aangegeven. Op de dagen 23 en 24 februari 2021 werd er in totaal 1536 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van 84,4 kilometer per uur.</para>
        <para>Op 25 februari 2021 om 9.51 uur stuurde [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] het bericht dat hij nu alles ging nawegen en dat hij 34 dozen had. Daarbij stuurde [medeverdachte 6] foto’s van handgeschreven overzichten met cijfers/aantallen van Range Rover, Real Madrid , Rolling Stones en Zein. [medeverdachte 6] telde alles bij elkaar op en kwam op 500 alles bij elkaar en had dozen gemaakt van 20 kilogram, zo liet hij [medeverdachte 1] weten. Daarna liet [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] weten dat de chauffeur vroeg of hij nog een keer moest, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “Normaal wel kun je aub goed wegzetten en ff op groepsapp sturen geteld 500”, waarop [medeverdachte 6] antwoordde dat te doen. Nadat [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] liet weten het goed te hebben weggezet, vroeg [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] of hij de chauffeur gewoon kon betalen, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “Doe ik”. Diezelfde avond nog berichtte [medeverdachte 1] om 22.23 uur aan [medeverdachte 13] dat hij vandaag 500 kilogram had ontvangen en dat wanneer Berlijn het wilde, hij dat kon laten brengen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 1 maart 2021 liet [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 13] weten dat er gebroken stukken bij zaten en of hij die kon laten maken. [medeverdachte 13] reageerde met “Ya zeker” en vroeg [medeverdachte 1] op 2 maart 2021 hem eerst een 1 kilo te geven, zodat hij kon laten zien hoe dit gemaakt zou worden. Daarbij stuurde [medeverdachte 13] een bericht door van ‘ [medeverdachte 14] ’ met de tekst ”Bro kan je 1kg van die hasjiesj sturen” en “En zit die nog in de zakken”. [medeverdachte 1] reageerde hierop dat hij dat zou regelen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 4 maart 2021 kondigde [medeverdachte 13] bij [medeverdachte 1] aan een foto aan [medeverdachte 1] te sturen om te laten zien hoe het was geworden en dat hij ermee bezig was. Op de foto neemt het hof waar een ovaalvormig wit zakje met een blauwe stempel met een meergenoemd Rolling Stones-logo te zien. Op een volgende foto neemt het hof waar een ovaalvormige bruine vaste substantie. [medeverdachte 1] kreeg het bericht van [medeverdachte 13] dat hij het straks kon ophalen. [medeverdachte 1] vroeg even later hoeveel hij op een dag kon doen en liet weten dat hij het nu mooier vond dan het origineel. [medeverdachte 13] berichtte dat hij die ook als “morcans” kon maken en stuurde een bericht door van ‘ [medeverdachte 14] ’ die liet weten dat het zelfs als marok kon worden verkocht. ‘ [medeverdachte 14] ’ kon volgens een doorgestuurd bericht tussen de 25 kilo en 50 kilo per dag doen, maar hij werkte liever rustig omdat je het snel kon verpesten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 13] stuurt gelijktijdig aan [medeverdachte 2] een foto waarop het hof een zevental pakketjes waarneemt en berichtte dat het klaar was. Na wat uitleg, en na de bevestiging dat [medeverdachte 13] met ‘ [accountnaam 3] ’ van doen had, was het [medeverdachte 2] na ontvangst van een audiofile duidelijk waar het over ging en zou hij ervoor gaan zorgen dat het werd opgehaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Transport maart 2021</emphasis>
        </para>
        <para>Op 2 maart 2021 om 10.26 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte 6] het bericht dat hij net weer weg was en vroeg wanneer het werd afgehandeld aangezien hij voor de eerste keer ook nog niets had gehad. Dit bericht stuurde [medeverdachte 6] om 10:39 door naar [medeverdachte 1] , waarbij als opgeslagen contact/naam bij het bericht van [verdachte] vermeld stond ‘ [accountnaam 23] ’ en bij de antwoorden van [medeverdachte 6] als opgeslagen contact/naam stond ‘ [medeverdachte 6] ’. [medeverdachte 1] berichtte daarop dat dit vandaag kon, waarop [medeverdachte 6] berichtte dat zij dat dan zouden doen als hij ( [verdachte] /’ [accountnaam 23] ’) terug zou zijn, want hij was weer onderweg richting daar. [medeverdachte 1] reageerde dat dat super was en dat hij hoopte zo te horen dat hij wat kon verkopen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [verdachte] berichtte [medeverdachte 6] op 2 maart 2021 om 11:18, zo begrijpt het hof uit de emoticon van een politievoertuig en een agent en de daarbij verzonden berichten, dat er volop politie was in Duitsland bij de grens. Om 17.37 uur liet [verdachte] weten dat hij in Leipzig was en om 17.58 uur berichtte hij nog een kleine 200 kilometer te moeten. Om 20.35 uur kwam het bericht bij [medeverdachte 6] binnen dat [verdachte] net de grens over was en dat hij hetzelfde zou doen als de vorige keer. Op 3 maart 2021 om 12.30 uur stuurde [verdachte] een foto waarop het hof pallets met dozen waarneemt aan de binnenkant van een trailer. Om 12.51 uur stuurde hij [medeverdachte 6] het bericht dat hij nu weer was vertrokken. Om 13.10 uur stuurde [verdachte] het bericht dat hij cz-pl over was, volgens het hof doelde [verdachte] daarmee op de grens tussen Tsjechië en Polen, en daarna om 13.11 uur dat hij PL-D ook weer over was, waarmee [verdachte] volgens het hof de grens tussen Polen en Duitsland bedoelde. [verdachte] liet om 17.12 uur weten dat de planning was dat hij er in de nacht zou zijn. Om 19.09 uur liet [verdachte] weten dat hij bij Kassel was en om 21.25 dat hij bijna bij Duisburg was en er rond 00.00 uur zou zijn. Hij schreef om 21.28 uur nog “1447 en de km die niet geteld zijn”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de gegevens van de bestuurderskaart van [verdachte] ving de rit op 2 maart 2021 aan om 10.53 uur aan en werd als beginland Nederland aangegeven. Op de dagen 2 en 3 maart 2021 werd er in totaal 1570 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van 84,1 kilometer per uur.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 maart 2021 om 12.37 uur stuurde [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] de foto door van de met dozen geladen trailer – zoals door het hof is waargenomen – en meldde hij “Op terug weg nu”. Om 13.12 uur stuurde [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] een drietal berichten door van ‘ [accountnaam 23] ’( [verdachte] ) “CZ-pl ben ik over” en “Pl-D ook weer … nu op naar huis” en de reactie van ‘ [medeverdachte 6] ’( [medeverdachte 6] ) “Top top topper”. Om 22.57 uur liet [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] weten dat “hij” terug was. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 maart 2021 stuurde ‘ [accountnaam 41] ’ naar [medeverdachte 1] het bericht “Hi, this is finl account. Your guy picked op 340”. Daarna stuurde ‘ [accountnaam 41] ’ een foto waarop het hof waarneemt een handgeschreven overzicht met bedragen en bovenaan en achter diverse bedragen de letter “ [medeverdachte 1] ”. [medeverdachte 1] reageert hierop meteen en bedankt ‘ [accountnaam 41] ’. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 4 maart 2021 om 9.53 uur stuurde [medeverdachte 6] een handgeschreven overzicht met “Rolling Stones”, “Range Rover” en “Zizou” met daarbij de getallen 138 (Rolling Stones), 55 (Range Rover) en 145 (Zizou) met de vermelding van een totaal van 339,4 kilogram. Wederom vroeg [medeverdachte 6] daarna of hij het vandaag kon afwerken met de chauffeur, waarop [medeverdachte 1] reageerde dat hij zo 45000 liet afgeven en als Amsterdam was afgegeven zou hij gelijk ook geld mee terug krijgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Observatie</emphasis>
        </para>
        <para>Op 9 juni 2021 vond een observatie plaats, waarbij werd gezien dat de groene Audi A4 met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij [medeverdachte 7] , en voorzien van een geregistreerd peilbaken, stopte in [adres 14] . De bestuurder van die auto werd herkend als [medeverdachte 7] . De auto reed zonder te stoppen naar Amsterdam en parkeerde op de Slijperweg ter hoogte van een kringloopwinkel. [medeverdachte 7] stapte uit de auto en maakte contact met een man en liep vervolgens weer naar zijn auto en stapte in. [medeverdachte 7] verplaatste de auto en parkeerde naast een blauwe bestelauto met op de zijkant de opdruk Fresh Orange Company. [medeverdachte 7] deed de achterklep van zijn Audi A4 open en haalde vijf koffers uit de laadruimte van zijn auto en overhandigde deze aan de andere man, die de koffers overlaadde in de blauwe bestelauto. Hierna reed [medeverdachte 7] weer weg. De blauwe bestelauto is gevolgd en gezien werd dat deze een loods in Oostzaan binnenreed. Deze loods werd op 9 juni 2021 binnengetreden en doorzocht en daar werden koffers aangetroffen met in totaal 936 plakken hasjiesj met een totaal gewicht van 187 kilogram. De plakken hasjiesj waren verpakt in witte zakjes en voorzien van verschillende opdrukken, te weten “ Rolling Stones ” (symbool), “ Range Rover ”, “ Real Madrid ” en “ Zizou ”. De plakken werden bemonsterd en indicatief getest middels de MMC Cannabis test. Alle monsters testen positief voor THC. De plakken wogen gemiddeld 200 gram.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie </emphasis>
        </para>
        <para>Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de invoer van hasjiesj vanuit Tsjechië naar Nederland. In dat verband heeft [medeverdachte 1] contact gehad met ‘ [accountnaam 41] ’ waarbij is gesproken over “samples”. Deze “samples”/monsters zijn vervolgens door [medeverdachte 2] ontvangen en gezien en op zijn beurt stuurde [medeverdachte 2] foto’s van die monsters door naar [medeverdachte 1] . Hierna vertrok [verdachte] met een vrachtwagen naar Tsjechië, waarbij hij [medeverdachte 6] op de hoogte hield van de voortgang van zijn rit. Na ontvangst van de lading, stuurde [verdachte] een foto – zoals het hof waarneemt – van een lading, die zich in dozen bevond in de trailer, naar [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] berichtte over deze voortgang aan [medeverdachte 1] . Dit gebeurde op deze wijze zowel bij het transport in februari 2021 als bij het transport in maart 2021. Dat deze ritten naar Tsjechië en terug hebben plaatsgevonden, volgt ook uit de uitgelezen chauffeurskaarten van [verdachte] . Dat hieruit van een afwijkend aantal kilometers zou blijken, maakt niet dat deze ritten niet hebben plaatsgevonden. Zo blijkt uit het berichtenverkeer van [verdachte] dat hij de klok wel kon uitzetten (transport februari 2021) en dat een aantal kilometers niet waren geteld (transport maart 2021). Hoewel de chauffeurskaarten niet tot op de kilometer nauwkeurig lijken overeen te komen met de veronderstelde door [verdachte] gereden kilometers, blijkt hieruit wel van lange ritten die wel grotendeels overeenkomen met de door [verdachte] doorgegeven voortgang van zijn ritten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er voor minimaal 840 kilogram aan hasjiesj is geïmporteerd waarbij het transport in februari 2021 500 kilogram bedroeg en het transport in maart 2021 340 kilogram. Dit zijn niet alleen de aantallen waarover door [medeverdachte 1] en ‘ [accountnaam 41] ’ is gecommuniceerd, maar dit totaalgewicht stemt ook overeen met de door [medeverdachte 6] doorgegeven aantallen van de Rolling Stones, Real Madrid , Range Rover, Zein en Zizou. Na het tellen en wegen van de lading van februari 2021 stuurde [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] het bericht dat hij een totaalgewicht had van 500 en in maart 2021 stuurde [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] een foto met daarop – zoals het hof waarneemt – het handgeschreven overzicht met een totaalgewicht van 339,4 kilogram. </para>
        <para>Het verweer, te weten dat [verdachte] niets heeft geweten over de inhoud van het transport, legt het hof naast zich neer. Niet alleen zit [verdachte] in een crimineel samenwerkingsverband waarbij het oogmerk is gericht op het plegen van strafbare feiten in het kader van de Opiumwet, maar heeft hij op 25 februari 2021 na het eerste transport aan [medeverdachte 6] gevraagd hoeveel 1 blok voor de verkoop kost omdat hij een maat heeft die dat rookt. Daarna volgt in maart op dezelfde wijze het transport plaats waarbij wederom gecommuniceerd wordt met dezelfde mensen. Uit dit alles leidt het hof af dat [verdachte] heeft moeten weten dat het hier ging om de invoer van hasjiesj.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan de import van afgerond 840 kilogram hasjiesj waarbij [verdachte] optrad als chauffeur, [medeverdachte 6] als tussenpersoon tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 1] de initiator en leider was van deze transporten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts acht het hof bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] betrokken waren bij de distributie van de hasjiesj. Zo had [medeverdachte 2] op 5 januari 2021 contact met [medeverdachte 1] , nadat [medeverdachte 1] op 4 januari 2021 met [accountnaam 41] had afgesproken dat er morgen (5 januari 2021 tussen “12-13:00” samples in Eindhoven zouden zijn. [medeverdachte 2] stuurde om 14.10 uur foto’s naar [medeverdachte 1] van – naar ’s hofs waarneming – een 8-tal pakketjes met daarop onder andere de afbeeldingen als hiervoor bedoeld met het logo van de Rolling Stones, Real Madrid en de letters Range Rover en liet in de namiddag aan [medeverdachte 1] weten dat er samples waren afgegeven en daarna dat die samples, keihard waren. Op 25 januari 2021 had [medeverdachte 2] contact met [medeverdachte 7] en verzocht hij [medeverdachte 7] om foto’s te maken van de voorraad en deze te ontdoen van de verpakking. [medeverdachte 2] liet [medeverdachte 7] letterlijk weten “dat is die [medeverdachte 14] daar moeten die stukken hasj naartoe”. Deze foto’s stuurde [medeverdachte 2] vervolgens weer door naar [medeverdachte 13] en [medeverdachte 1] werd door [medeverdachte 2] bericht dat de samples waren afgegeven. Het hof leidt hieruit af dat de door ‘ [accountnaam 41] ’ in Eindhoven overgedragen samples via [medeverdachte 2] terecht zijn gekomen bij [medeverdachte 13] en ‘ [medeverdachte 14] ’, gebracht door [medeverdachte 7] . Uit de berichten volgt ook dat [medeverdachte 7] de samples onder zich heeft gehad, gelet op de gestuurde foto’s, waarop het hof aldus pakketjes waarneemt. </para>
        <para>Tevens bleek uit de berichten dat de in februari 2021 ingevoerde hasjiesj niet van voldoende kwaliteit was. Een deel van de voorraad was naar [medeverdachte 13] gebracht, waarna ‘ [medeverdachte 14] ’ de hasjiesj heeft bewerkt en heeft hersteld. Dit blijkt onder meer uit het berichtenverkeer tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 13] [medeverdachte 7] was degene die de hasjiesj naar ‘ [medeverdachte 14] ’ had gebracht en nadat de kwaliteit door [medeverdachte 14] was verbeterd, berichtte [medeverdachte 13] aan [medeverdachte 2] dat deze weer kon worden opgehaald. Het hof is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] betrokken waren bij de distributie van hasjiesj, waarbij de distributierol van [medeverdachte 7] die hij vervulde bij gelegenheid van de observatie op 9 juni 2021 naar het oordeel van het hof voor zich spreekt. [medeverdachte 7] ging op pad met koffers, zorgde voor de overdracht van koffers en korte tijd daarna werden de gevolgde koffers vol met hasjiesj aangetroffen en bleken die hasjiesj identiek verpakt aan de eerder ontvangen samples. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>4. <emphasis role="bold">Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier 7, het voorhanden hebben van MDMA en metamfetamine)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De advocaat-generaal acht het onder 4 tenlastegelegde, kort gezegd het voorhanden hebben van MDMA en metamfetamine, wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat het wettig en overtuigende bewijs ontbreekt dat er bij [verdachte] sprake was van wetenschap van de omvang en de aard van de goederen. Ook blijkt op geen enkele wijze dat [verdachte] zeggenschap had over de goederen, aldus de verdediging.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair is bepleit dat [verdachte] in ieder geval van de locatie Bladel wordt vrijgesproken, conform de beslissing van de rechtbank.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel hof </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat [verdachte] meerdere hoeveelheden metamfetamine en MDMA opzettelijk voorhanden heeft gehad op de locatie [adres 1] / [adres 2] . [verdachte] is op dit terrein woonachtig en – zoals hiervoor onder 1 en 2 overwogen – stelde hij het beschikbaar als opslagplaats voor de door [medeverdachte 1] geleide criminele organisatie. Dit blijkt overigens niet alleen uit de onderschepte chatconversaties, maar ook uit de camerabeelden waarop is waargenomen dat de verdachte zich kort gezegd over het terrein beweegt, goederen/voorwerpen/stoffen verplaatst, maar dat niet alleen. Ook de trailer waarin 780 liter metamfetaminebase en 640 liter metamfetamine in ethanol werd aangetroffen, werd steeds door de verdachte vooruit- en achteruit gezet. Vooruit, teneinde toegang tot de trailer te verschaffen via neerlating van de hydraulische laadklep en achteruit, teneinde die toegang te voorkomen, omdat alsdan de hydraulische laadklep niet kon worden neergelaten. Er zijn op dit terrein voorts in het loodsgedeelte (ruimte A genoemd door de politie) in een palletkist jerrycans aangetroffen met onder meer 20 liter MDMA in een sterk zuur mengsel van aceton en water en in een container (ruimte C genoemd door de politie) werd onder meer 1,5 liter metamfetamine in zure waterige vloeistof gevonden.. Deze vloeistoffen bleken aldus na onderzoek door het NFI MDMA en metamfetamine bevatten.</para>
        <para>Het hof komt derhalve tot een bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">(Voorwaardelijke) verzoek(en)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van het horen van getuigen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van de regiezittingen van 18 april en 2 mei 2023 zijn in de onderhavige zaak meerdere verzoeken tot het horen van getuigen, te weten de medeverdachten toegewezen door het hof, waarbij is bepaald dat deze getuigen tijdens de inhoudelijke zitting in hoger beroep zullen worden gehoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze getuigen zijn op zitting gehoord. De toegewezen getuige [medeverdachte 6] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot het niet verschijnen van de getuige [medeverdachte 6] en de vraag of de getuige nogmaals zou moeten worden opgeroepen, heeft het Openbaar Ministerie bij e-mailbericht van 31 maart 2025 het volgende laten weten: <emphasis role="italic">Via deze weg brengt het OM u op de hoogte van zijn visie aangaande het horen van getuige [medeverdachte 6] , toegewezen in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 10] en [verdachte] .</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op 17 maart 2025 was de eerste zittingsdag in hoger beroep. Ondanks een correcte oproeping daartoe was [medeverdachte 6] niet ter zitting verschenen, noch als verdachte, noch als getuige. Evenmin was hij aanwezig bij de behandeling van zijn zaak op 27 maart 2025.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [medeverdachte 6] is sinds de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 mei 2023, inzake het onderzoek Alston, voortvluchtig. Zoals bekend diende hij zich op dat moment te melden nu de schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep tot de uitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heeft deze schorsing in haar uitspraak niet verlengd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het OM heeft na de uitspraak een EOB naar België doen uitgaan, waarin is verzocht –kort gezegd- op zoek te gaan naar [medeverdachte 6] . Dit heeft geen resultaat opgeleverd. Ook heeft de rechter-commissaris een EAB ondertekend (zie bijlage). [medeverdachte 6] staat nationaal en internationaal gesignaleerd. Tot op heden heeft het signaleren geen effect gesorteerd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [medeverdachte 6] heeft ervoor gekozen niet bij de uitspraak in eerste aanleg en niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig te zijn. Hij is al langere tijd voortvluchtig; ondanks een nationale en internationale signalering. Hieruit volgt dat het onaannemelijk is dat hij op korte termijn gehoord zal kunnen worden, waarmee volgens het OM sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub a Sv.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat betreft het OM dient van het horen van [medeverdachte 6] te worden afgezien, omdat de strafzaken van de medeverdachten bij niet afzien niet binnen een redelijke termijn zouden kunnen worden afgerond.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof sluit zich bij deze overweging aan. Op grond van artikel 288, eerste lid, sub a, Sv kan van het wederom oproepen van de getuige worden afgezien wanneer het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Nu de verdachte reeds twee jaar voortvluchtig is en zich aan de door de rechtbank bevolen voorlopige hechtenis al had onttrokken, is naar het oordeel van het hof aan dit criterium voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarnaast doet zich naar het oordeel van het hof met betrekking tot de getuige [medeverdachte 6] en met betrekking tot de getuigen die zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen en niet inhoudelijk bevraagd zijn kunnen worden door de verdediging ook de situatie voor van artikel 288, eerste lid, sub c, Sv nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.</para>
        <para>Vooropgesteld moet worden dat de verdachte het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te (doen) horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld. Dat is aan de orde wanneer het gaat om het verhoor van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de opgeroepen getuigen stelt het hof vast dat het hier geen getuigen betreffen waarbij dát belang bij de verdediging behoeft te worden voorondersteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien en voor zover deze getuigen gehoord moeten worden als ‘getuige à décharge’ kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december 2018, appl. no. 36658/05, <emphasis role="italic">Murtazaliyeva vs. Rusland</emphasis>) worden ontleend dat voor de beoordeling van het al dan niet horen van getuigen als voornaamste toets wordt aangelegd of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. De relevantie van het verhoor wordt in dit soort gevallen vooral afgezet tegen de kwaliteit van het tegen de verdachte aanwezige belastende bewijs.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van het hof is, bij de huidige stand van zaken, onvoldoende gebleken waarom het alsnog horen van deze getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat deze getuige noch de verdachte zelf in deze zaak op enig moment een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd zodat het onduidelijk is over welke de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden deze getuige dan zouden moeten verklaren c.q. welke ontlastende lezing van de verdachte deze getuige dan zou moeten bevestigen. Bij die stand van zaken kan thans redelijkerwijs worden aangenomen dat de verdediging niet in enig belang is geschaad door het niet horen van de getuige. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het feit dat de verdediging de getuige [medeverdachte 6] niet heeft kunnen ondervragen onverlet dat de procedure in haar geheel voldoet aan het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van EncroChat , Sky-ECC en ANØM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht en in staat acht om de rechtmatigheid van de interceptie en verwerking van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data alsmede de gevoerde verweren strekkende tot bewijsuitsluiting te beoordelen. Het hof acht de voorwaardelijke verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepasselijke kaders respectievelijk om zich door het Openbaar Ministerie nader te laten informeren over de bovengenoemde punten niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv en wijst deze voorwaardelijke verzoeken dan ook af. Zoals hiervoor besproken heeft het hof overigens reeds vastgesteld dat de interceptie van de EncroChat -data buiten het JIT heeft plaatsgevonden, zodat de eerste te stellen vraag a. die de verdediging verzoekt aan het Openbaar Ministerie te stellen reeds genoegzaam is beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht en in staat acht om de rechtmatigheid van de interceptie en verwerking van de EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data alsmede de gevoerde verweren strekkende tot bewijsuitsluiting te beoordelen. Het hof acht de voorwaardelijke verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepasselijke kaders respectievelijk om zich door het Openbaar Ministerie nader te laten informeren over de bovengenoemde punten niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv en wijst deze voorwaardelijke verzoeken dan ook af. Zoals hiervoor besproken heeft het hof overigens reeds vastgesteld dat de interceptie van de EncroChat -data buiten het JIT heeft plaatsgevonden, zodat de eerste te stellen vraag a. die de verdediging verzoekt aan het Openbaar Ministerie te stellen reeds genoegzaam is beantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 van de Opiumwet</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">medeplegen van van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">- voorwerpen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Op te leggen sanctie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
        </para>
        <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht om </para>
        <para>– indien het hof komt tot een bewezenverklaring – aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest met een fors voorwaardelijk deel alsmede een taakstraf op te leggen. Daarbij heeft de raadsvrouw onder meer verwezen naar het aandeel van de verdachte in de verweten gedragingen en het bij de verdachte bestaande niet aangeboren hersenletsel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
        </para>
        <para>Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard deelname aan een criminele organisatie, het medeplegen van het voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet, het medeplegen van de opzettelijke invoer van 840 kilo hennep en het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van metamfetamine/MDMA.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft een rol gehad binnen een criminele organisatie die zich op professionele wijze bezig hield met de (internationale) handel in en productie van (synthetische) drugs. De verdachte heeft binnen deze groep een onmisbare rol gespeeld. Hij heeft zijn terrein beschikbaar gesteld voor de opslag van grote hoeveelheden drugsgerelateerde zaken en toegang tot een andere locatie met eenzelfde doel geregeld. Daarnaast is de verdachte tweemaal met grote partijen hasjiesj vanuit Tsjechië naar Nederland gereden. Om buiten het zicht van de autoriteiten te blijven communiceerde de verdachte met zijn medeverdachten via cryptotelefoons. Het motief dat uit het dossier naar voren komt is ‘snel veel geld verdienen’. </para>
        <para>De georganiseerde en grootschalige productie van en handel in verdovende middelen is zeer ontwrichtend voor de samenleving. Er gaat veel geld in om, waardoor de financiële belangen van daders groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Van de georganiseerde drugshandel gaat in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten zoals winkeldiefstallen en woninginbraken terug te leiden is tot de behoefte aan drugs bij armlastige gebruikers. </para>
        <para>Een van de activiteiten van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte was het produceren van metamfetamine. Dit is een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor de gebruikers met daarnaast een hoog verslavingspotentieel. Op voor iedereen toegankelijke openbare bronnen als internetsites van organisaties die zich met verslavingszorg bezighouden worden als veel voorkomende bijwerkingen genoemd, een verhoogde hartslag, angst, rusteloosheid en ernstige uitputting na gebruik. Het gebruik kan ook leiden tot een paniekaanval, psychose, epileptische aanval, hartinfarct of beroerte. Daarbij kan het gebruik van metamfetamine leiden tot blijvende hersenschade. De leden van de organisatie hebben zich in het geheel niet bekommerd om de ernstige lichamelijke gevolgen voor de gebruikers van dit middel.</para>
        <para>Het is naar het oordeel van het hof dan ook passend dat voor de georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting waar de verdachte aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan de hiervoor onder ‘Bewijsuitsluiting van EncroChat -, SkyECC - en ANØM -data?’ besproken verweren heeft de verdediging subsidiair het rechtsgevolg van strafvermindering verbonden.</para>
        <para>Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, is niet van vormverzuimen gebleken met betrekking tot die data. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is strafvermindering op die grond derhalve niet aan de orde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Naar voren is gebracht dat er bij de verdachte sprake is van niet aangeboren hersenletsel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft voorts rekening gehouden met de lange duur en de intensiteit en de rol van de verdachte in de organisatie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artiekl 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. </para>
        <para>Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als uitgangspunt in zaken met een gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. </para>
        <para>De verdachte is op 30 november 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 16 mei 2023. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 1,5 maand. </para>
        <para>De verdachte heeft op 26 mei 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op </para>
        <para>22 augustus 2025, zo’n 2 jaar en bijna 3 maanden na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van bijna 11 maanden.</para>
        <para>In totaal is sprake van een overschrijding met een periode van ruim een jaar.</para>
        <para>De overschrijding is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, deels te wijten aan de complexiteit van de zaak, de gelijktijdige berechting van deze zaak met de zaken tegen meerdere medeverdachten en voorts aan de volle zittingsagenda van het hof. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn volledig rechtvaardigen, acht het hof evenwel niet aanwezig.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorlopige hechtenis </emphasis>
        </para>
        <para>Het hof is ten aanzien van de voorlopige hechtenis van oordeel, dat, bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang – gelet op de in dit arrest gegeven beslissingen – dient te prevaleren. Het hof zal daarom afzien van een nieuwe schorsing van de voorlopige hechtenis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof gelast de teruggave van de inbeslaggenomen Breitling horloge (698062) en de factuur (698066) aan de verdachte.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen blauwe trailer en hangslot vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp waarvan de feiten zijn begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen hierna te melden items vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang en deze bovendien aan de verdachte toebehoren, deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen en deze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">6 (zes) jaren</emphasis>;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>gelast de <emphasis role="bold">teruggave</emphasis> aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Breitling horloge (goednummer 698062 )</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 factuur reparatie Breitling (goednummer 698066)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>beveelt de <emphasis role="bold">onttrekking aan het verkeer</emphasis> van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verschillende drugsgerelateerde items</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>36 stuks jerrycan wit merk: k-power (goednummer 698208)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>9 stuks jerrycan wit merk: sugar (goednummer 698210)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 jerrycan groen, merk mineral (goednummer 698211)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2 stuks kachel (goednummer 698212)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 ventilator fertraso (goednummer 698213)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 ventilator (goednummer 698214)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 generator (goednummer 698215)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2 stuks hygrometer (goednummer 698216)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 x opti climate maxi controller + co2 sensor (goednummer 698217)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 niet te definiëren goederen (goednummer 698218)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>4 stuks planten (goednummer 698219)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>15 x biogreen x-force (goednummer 698220)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 bio optimal (goednummer 698221)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>3 stuks ferro ph plus (goednummer 698222)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 confidor (goednummer 698223)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 bio granules (goednummer 698224)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>10 blauwe emmers met groene opdruk (goednummer 698206)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>96 stuks jerrycan k-power (goednummer 698207)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>35 stuks jerrycan fosferbooster (goednummer 69820)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">verklaart verbeurd</emphasis> het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Goudkleurig graat hangslot, rechthoekig (goednummer 698788)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Blauwe trailer (goednummer 698789)</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gewezen door:</para>
        <para>mr. A.M.G. Smit, voorzitter,</para>
        <para>mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. L. Feraaune, raadsheren,</para>
        <para>in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder en mr. R.M. Gloudemans, griffiers,</para>
        <para>en op 22 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_f047c9f4-1b45-4bd9-9c12-b02abc092863" label="1">
    <para> Waar hierna wordt gesproken over Encro , wordt daaronder mede verstaan -tenzij anders vermeld- encro , encrochat , EncroChat en Encrochat en waar hierna wordt gesproken over SkyECC , wordt daaronder mede -tenzij anders vermeld- verstaan Skyecc , skyecc , Sky , sky en SKY . </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff420850-1c00-4195-97b2-3ae08ee6f1ea" label="2">
    <para> Proces-verbaal zaaksdossier 1, pagina 558.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43ee7d09-dc38-4ffa-9364-0fbd55cc5961" label="3">
    <para> Proces-verbaal algemeen dossier, pagina 248. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0b1e4ed-dd2a-4208-863c-ca7f4b82b406" label="4">
    <para> Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof bij de verwijzing naar jurisprudentie van elke uitspraak slechts eenmaal de vindplaats vermelden. Daarna zal het hof volstaan met het noemen van de rechterlijke instantie en de uitspraakdatum.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0d46505-bb1a-4e70-a0e4-21f1dcc720f2" label="5">
    <para> Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, meer in het bijzonder op 3 april 2025, pagina 25. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_63b5829c-6ddf-477e-8947-cc9b138443c9" label="6">
    <para> Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, meer in het bijzonder op 3 april 2025, pagina 30.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>